24 456
Aanpassing van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf in verband met het mogelijk maken van onderzoek naar de toereikendheid van deze wetgeving of van de wijze waarop de toezichthouders deze wetgeving uitvoeren of hebben uitgevoerd

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende aanpassing van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf in verband met het mogelijk maken van onderzoek naar de toereikendheid van deze wetgeving of van de wijze waarop de toezichthouders deze wetgeving uitvoeren of hebben uitgevoerd.

De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

17 oktober 1995

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf te wijzigen in verband met het mogelijk maken van onderzoek naar de toereikendheid van deze wetgeving of van de wijze waarop de toezichthouders deze wetgeving uitvoeren of hebben uitgevoerd;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet toezicht beleggingsinstellingen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 29, eerste lid, wordt «30 en 32» vervangen door: 30, 32 en 33a,.

B. Aan artikel 33 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.

C. Na Hoofdstuk VII wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK VII A. ONDERZOEK DOOR ONZE MINISTER

Artikel 33a

1. Onze minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 29, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.

2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister de rechtspersoon vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder de artikelen 19, vijfde lid, of 24, vallen, is de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke beleggingsinstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 4 is verleend of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een beleggingsinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 27, eerste lid, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie.

3. Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. De artikelen 19, vijfde lid, en 24 zijn van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

ARTIKEL II

De Wet toezicht effectenverkeer wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 25, eerste lid, wordt «de artikelen 16, 19, 20, 26, 28 en 31» vervangen door: de artikelen 16, 19, 20, 26, 28, 31 en 31d.

B. In artikel 30 wordt voor de huidige tekst het cijfer «1.» geplaatst en wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 31d, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.

C. Na Hoofdstuk VI A wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK VI B. ONDERZOEK DOOR ONZE MINISTER

Artikel 31d

1. Onze minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 25, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister de rechtspersoon vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder de artikelen 21, zevende lid, of 22, vallen, is de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 10, eerste lid, is verleend of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden dan wel een afzonderlijke effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 12, eerste lid, van toepassing is, en waaraan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een effectenbemiddelaar onderscheidenlijk vermogensbeheerder in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 24, eerste lid, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie.

3. Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. De artikelen 21, zevende lid, en 22 zijn van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

ARTIKEL III

De Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 90, tweede lid, wordt «de artikelen 14, 26, eerste lid, 28, 29 of 35» vervangen door: de artikelen 14, 26, eerste lid, 28, 29, 35 of 90a, eerste lid,.

B. Na Hoofdstuk XIII wordt een hoofdstuk toegevoegd, luidende:

HOOFDSTUK XIII A. ONDERZOEK DOOR ONZE MINISTER

Artikel 90a

1. Onze minister is bevoegd aan de Bank de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De Bank is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister de Bank vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 64, eerste en tweede lid, vallen, is de Bank niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 6 of artikel 38 heeft verkregen of een financiële instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 71 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een kredietinstelling of financiële instelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde instelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 64 is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

ARTIKEL IV

De Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 188, derde lid, wordt «de artikelen 54, 122, 124, 128, 130, 131, 132, 136, 137, 138, 140, 141, 142, 143, 144, 146, 147, 150 en 176» vervangen door: de artikelen 54, 122, 124, 128, 130, 131, 132, 136, 137, 138, 140, 141, 142, 143, 144, 146, 147, 150, 176 en 188a, eerste lid,.

B. Na Hoofdstuk XI wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK XI A. ONDERZOEK DOOR ONZE MINISTER

Artikel 188a

1. Onze Minister is bevoegd aan de Verzekeringskamer de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De Verzekeringskamer is verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze Minister de Verzekeringskamer vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 182, eerste en tweede lid, vallen, is de Verzekeringskamer niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke verzekeraar die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 24, eerste lid, of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 156 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 183, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een verzekeraar met zetel in Nederland, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 182 is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

ARTIKEL V

De Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 93, derde lid, wordt «de artikelen 27, 53, 54, 55, 56, 57, 59, 61 en 84» vervangen door: de artikelen 27, 53, 54, 55, 56, 57, 59, 61, 84 en 93a, eerste lid,.

B. Na Hoofdstuk 10 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 10 A. ONDERZOEK DOOR ONZE MINISTER

Artikel 93a

1. Onze Minister is bevoegd aan de Verzekeringskamer de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De Verzekeringskamer is verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze Minister de Verzekeringskamer vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 87, eerste en tweede lid, vallen, is de Verzekeringskamer niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke verzekeraar die in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 11 of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 66 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een verzekeraar in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 88, eerste lid, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie.

3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Verzekeringskamer deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 87 is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

ARTIKEL VI

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 september 1994 ingediende voorstel van wet houdende het opnieuw vaststellen van de Wet toezicht effectenverkeer in verband met de uitvoering van de richtlijn betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten en van de richtlijn betreffende de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (Wet toezicht effectenverkeer 1995) (Kamerstukken II 1993/94, 23 874) tot wet wordt verheven, wordt met ingang van het tijdstip waarop die wet in werking treedt, dan wel indien deze wet op een later tijdstip in werking treedt, met ingang van dat latere tijdstip, deze wet als volgt gewijzigd:

A. In artikel 40, eerste lid, wordt «de artikelen 8, 22, 25, 26, 27, 41, 42 en 45,» vervangen door: de artikelen 8, 22, 25, 26, 27, 41, 42, 45 en 48a,.

B. In artikel 44 wordt voor de huidige tekst het cijfer «1.» geplaatst en wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 48a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan niet in het openbaar uitgesproken.

C. Na Hoofdstuk XII wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK XII A. ONDERZOEK DOOR ONZE MINISTER

Artikel 48a

1. Onze Minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze Minister de rechtspersoon vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 31, eerste en tweede lid, vallen, is de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een effecteninstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 33, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde effecteninstelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 31, eerste en tweede lid, is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

ARTIKEL VII

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven,

De Minister van Financiën,

Naar boven