24 453
Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen in verband met de binding van het Koninkrijk aan het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 1 april 1996

De leden van de fractie van de VVD die met belangstelling kennis hebben genomen van dit wetsvoorstel vragen of de uitbreiding van deze wet noodzakelijk is om de uitvoering goed te laten lopen.

De voorgestelde wijzigingen van deze wet betreffen wijzigingen die de aansluiting tussen het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (hierna: het Verdrag) en de nationale wet (beter) tot stand brengen om aldus goed uitvoering te kunnen geven aan het Verdrag.

De vraag van deze leden of de wijziging ook op situaties ziet dat Nederlandse belastingambtenaren meer mogelijkheden krijgen om bijvoorbeeld fraudegevallen in relatie tot de Antillen en Aruba beter te onderzoeken, geeft mij aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen. Het Verdrag inzake de wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken heeft geen betrekking op de administratieve bijstand in belastingzaken tussen de landen van het Koninkrijk. De wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken binnen het Koninkrijk is neergelegd in de Belastingregeling voor het Koninkrijk (artikel 36 inzake de bijstand bij invordering en artikel 37 inzake de bijstand bij de gegevensuitwisseling). Daarbij zij er op gewezen dat de wederzijdse administratieve bijstand in de BRK inhoudelijk overeenkomt met de wederzijdse administratieve bijstand in het WABB-verdrag. Overigens zij nog opgemerkt dat de in de memorie van toelichting genoemde «Gezamenlijke regeling aanwezigheid van ambtenaren bij onderzoek in een ander land van het Koninkrijk» met ingang van 1 oktober 1995 inwerking is getreden.

De voorgestelde wijziging zo kan ik deze leden voorts mededelen is uitsluitend een nationale aangelegenheid.

Van de in de memorie van toelichting opgenomen voorwaarden, die onderdeel uitmaken van het beleid inzake de aanwezigheid van buitenlandse ambtenaren in Nederland als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de WIB, wordt in beginsel niet afgeweken, zo kan ik de leden van de VVD-fractie mededelen. Volledigheidshalve wijs ik er op dat naast het beleid op basis van artikel 9 van de WIB in één bijzondere situatie de aanwezigheid van buitenlandse ambtenaren in Nederland mogelijk is. Hiervan is sprake indien een verzoek tot aanwezigheid van buitenlandse ambtenaren wordt gedaan, dan wel volledig ondersteund wordt, door de desbetreffende in Nederland wonende of gevestigde belastingplichtige.

Een dergelijk verzoek wordt in de praktijk gedaan:

– indien de buitenlandse belastingdienst inzage wil in de boekhouding van een aldaar gevestigd filiaal van een Nederlandse onderneming dat in de verzoekende staat activiteiten ontplooit, en waarvan de boekhouding in Nederland wordt gevoerd;

– indien de buitenlandse belastingdienst inzage wil in de boekhouding van een aldaar gevestigde onderneming met een in Nederland gevestigd filiaal (vaste inrichting) waarvan de boekhouding in Nederland wordt gevoerd;

– indien de belastingen mede worden geheven op basis van «het zijn van staatsburger», zoals bijvoorbeeld het geval is in de Verenigde Staten van Amerika, en de boekhouding in Nederland wordt gevoerd.

Het bedrijf kan in dit soort gevallen de buitenlandse overheid uitnodigen om de controle in Nederland te laten plaatsvinden.

Indien Nederland dergelijke verzoeken tot aanwezigheid van ambtenaren zou weigeren kan de consequentie zijn dat de administratie naar het buitenland moet worden overgebracht. De kosten daarvan voor de ondernemer zijn in de regel aanzienlijk.

Uit het verzoek van het bedrijf of de buitenlandse autoriteit moet ten minste blijken dat de controle in Nederland op basis van vrijwilligheid plaatsvindt, welke beletselen bestaan om de administratie naar de verzoekende staat te brengen, alsmede of – indien de toestemming verleend zou worden – het bedrijf wel of niet afziet van de rechtsbescherming zoals die is neergelegd in de WIB. Tevens dient te worden aangegeven wat het doel van de controle is, alsmede of de verzoekende staat ook omgekeerd in gelijksoortige gevallen Nederlandse ambtenaren zou toelaten.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Naar boven