Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-V nr. 83 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-V nr. 83 |
Vastgesteld 27 juni 1996
De vaste commissies voor Buitenlandse Zaken1 en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer2 hebben op 23 mei 1996 overleg gevoerd met minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking en staatssecretaris Tommel van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de VN-conferentie voor menselijke nederzettingen, Habitat II (kamerstuk 24 400 V, nr. 53).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
(De voorzitter van het Habitat forum, de heer Brokx, is in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.)
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Van der Burg (PvdA) merkte op dat binnenkort de helft van de wereldbevolking in steden zal wonen. Het gaat om 3 tot 3,5 miljard mensen. Vergeleken met de situatie in 1976 toen de Habitat I-conferentie in Vancouver werd gehouden, is er sprake van een explosieve groei. Steden mogen dan een bron van energie en creativiteit zijn en een motor van ontwikkeling, steden zijn ook een kruitvat, want de stedelijke groei leidt tot een complex van problemen: gebrek aan adequate huisvesting, overbelasting van het milieu, werkloosheid, armoede, uitsluiting, gettovorming, slechte gezondheid en dergelijke. Dit geldt niet alleen voor ontwikkelingslanden, maar ook, zij het op een andere schaal, in ontwikkelde landen. Vandaar het Nederlandse grote-stedenbeleid. Niemand heeft dé oplossing voor dit problemencomplex. Het is daarom van groot belang dat er over dit onderwerp weer een VN-conferentie wordt georganiseerd, opdat noord en zuid gezamenlijk kunnen bespreken hoe deze problemen kunnen worden aangepakt en opdat men in dit kader van elkaar kan leren.
Het doel van de conferentie is met name om te komen tot «adequate huisvesting voor allen» en «duurzame menselijke nederzettingen in een verstedelijkende wereld». Positief is dat het niet alleen gaat om het slotdocument en het actieprogramma, maar dat er ook een verband is gelegd met de praktijk door het verzamelen van «best practices» uit de gehele wereld. Het is verheugend dat tot de twaalf uitgekozen projecten ook een Nederlands project behoort.
Mevrouw Van der Burg was over het algemeen positief over de voorbereidingen van de conferentie in VN-kader en over de Nederlandse inbreng daarin. Zij ondersteunde de door het kabinet daarbij gekozen uitgangspunten: duurzame ontwikkeling, bevordering van participatie en goed bestuur en voorkoming van uitsluiting. Zij had waardering voor allen die zich actief hebben getoond bij deze voorbereidingen.
Het is te betreuren dat de samenstelling van de delegatie van de Kamer pas zo laat is bepaald. Kan dat niet anders? Een nadeel van deze gang van zaken is, dat de delegatieleden de benodigde informatie pas laat ontvangen en bijvoorbeeld nog niet beschikken over de laatste versie van het slotdocument, hoewel de conferentie al de komende week wordt gehouden.
Mevrouw Van der Burg betreurde het voorts dat jongeren tussen de 15 en 25 jaar niet in de delegatie vertegenwoordigd zijn, terwijl juist die generatie in belangrijke mate zal moeten bijdragen aan de oplossing van de problemen waarom het op de conferentie gaat. Veel landen hebben wel een jongerenvertegenwoordiger in hun delegatie. Kan worden toegezegd, dat in de Nederlandse delegatie een of twee jongerenvertegenwoordigers zullen worden opgenomen, zo mogelijk nog bij Habitat II, maar in ieder geval bij volgende VN-conferenties? Zij overwoog hieromtrent een uitspraak van de Kamer te vragen. De delegatie telt wel enkele kinderen. Hoe oud zijn die?
Al is er heel veel goeds gebeurd ter voorbereiding van de conferentie, toch is de publiciteit daarover mager. Hoe kan deze belangrijke problematiek meer onder de aandacht worden gebracht, met name via de media en deze week nog? Zijn daar plannen voor?
Habitat II is voorlopig de laatste grote VN-conferentie. Waarom zijn de resultaten en aanbevelingen van voorgaande VN-conferenties die betrekking hebben op Habitat niet geïnventariseerd, zodat duidelijk is op welke punten er al uitspraken zijn gedaan? Mevrouw Van der Burg had het vermoeden dat bepaalde landen in het slotdocument willen terugkomen op bepaalde resultaten en aanbevelingen. Gelukkig heeft the International Council of Women wel een dergelijk overzicht gemaakt in een compendium, dat in de loop van de week door de universiteit van Nijmegen zal worden uitgebracht. Daarin is te vinden op welke conferentie wat is besloten, zodat dit kan worden ingebracht in de besprekingen over het slotdocument. Kan het kabinet toezeggen dat dit compendium door Nederland zal worden gebruikt tijdens de conferentie en bij de uitwerking van het Nederlandse actieprogramma?
Mevrouw Van der Burg onderschreef de uitgangspunten van het kabinet, met name wat de lokale aanpak met participatie van de bevolking en NGO's betreft. Terecht wordt zelfwerkzaamheid benadrukt. Immers, deze leidt tot zelfredzaamheid. In dit kader vroeg zij aandacht voor de «gender»-aspecten. Mede vanwege Kaïro en Beijing is het belangrijk dat dit onderwerp in het slotdocument wordt verwerkt. Immers, vrouwen nemen in het kader van de armoede een bijzondere positie in. De achterstandsproblematiek werkt voor mannen nu eenmaal anders uit dan voor vrouwen. De arme stadswijken drijven op vrouwen. Het is dan ook essentieel vrouwen te betrekken bij de uitwerking van het slotdocument. Wat is de Nederlandse inzet op dat punt in het kader van het slotdocument?
Gebrek aan woonzekerheid is een groot probleem. Woonzekerheid is essentieel voor consolidatie van buurten. Daartoe dient de grondeigendom te worden gelegaliseerd. In veel steden gebeurt dat niet. Soms gebeurt het wel, maar dan door een particuliere ondernemer (Karachi). Volgens mevrouw Van der Burg is het een taak van de overheid om de grondeigendom te regelen. Dat geldt ook voor erfrecht. In Beijing is de problematiek van het erfrecht – met name in Afrika zijn vrouwen het slachtoffer van de daar geldende erfrechtregels – besproken, maar deze kwestie komt niet voor in het ontwerpslotdocument. Wat moet er volgens het kabinet over worden opgenomen in het slotdocument?
Op de UNCED in Rio de Janeiro zijn belangrijke afspraken gemaakt over het samengaan van duurzame groei en economie. Bepaalde landen schijnen daar nu weer vraagtekens bij te zetten. Welk resultaat zal er volgens het kabinet op dit punt in het slotdocument te bereiken zijn?
Het feitelijke succes van de Habitat II-conferentie is natuurlijk gelegen in de uitvoering van de afspraken in het slotdocument en het actieprogramma. De vorige Habitatconferentie is te veel verzand in plannen. Kunnen het verslag van de conferentie en het concrete actieprogramma kort na de afloop van Habitat II, en in ieder geval voor de behandeling van de begrotingen van de ministeries van Buitenlandse Zaken en VROM, aan de Kamer worden toegezonden? Het is van belang dat bij de uitwerking van de habitatafspraken álle actieve organisaties worden betrokken en niet alleen de ministeries. Naar het schijnt, is het de bedoeling het Habitat forum in oktober op te heffen. Mevrouw Van der Burg wilde het forum in ieder geval handhaven tot het moment waarop de Kamer het verslag en actieprogramma heeft behandeld. Dan kan worden bezien op welke wijze het forum eventueel kan worden voortgezet. In het actieprogramma zal ook aandacht moeten worden besteed aan de zustergemeenten. Hoe denkt het kabinet over voortzetting van het Habitatsecretariaat in Nairobi? Mevrouw Van der Burg achtte het van belang dat er zo'n centraal punt blijft voor het uitwisselen van informatie en voor de monitoring van de uitvoering van afspraken.
Wat het uitvoeringsprogramma betreft, schijnt het kabinet van mening te zijn dat daarvoor geen extra geld moet worden uitgetrokken, terwijl de ontwikkelingslanden zeggen dat uitvoering extra geld vergt. Mevrouw Van der Burg veronderstelde dat er extra steun voor de ontwikkelingslanden nodig zal zijn, naast de reguliere Nederlandse hulp.
De groei van de steden is haars inziens niet alleen het gevolg van aanwas door migratie. Op diverse plaatsen in de wereld is geweld tussen groepen onderling, al dan niet om godsdienstige redenen, mede een oorzaak van de vlucht naar steden. Dat speelt ook in Oost-Turkije. Turkije is het gastland van de conferentie. Er leek mevrouw Van der Burg aanleiding om die problematiek aldaar aan te snijden. Hoe denkt het kabinet dat te doen?
Mevrouw Assen (CDA) kwalificeerde wonen als basisbehoefte van de mens. Een dak boven het hoofd is wel het minimum dat een mens nodig heeft. Waar voor veel mensen in de ontwikkelde landen wonen vanzelfsprekend is, doch in veel andere landen niet, is het verheugend dat deze VN-conferentie wordt gehouden, maar tegelijkertijd ook triest dat zo'n conferentie nodig is. Ook ontwikkelde landen worden overigens steeds vaker geconfronteerd met daklozen en met de armoedeproblematiek, die zich vooral lijkt te concentreren in de steden. Stedelijke armoedebestrijding is dus niet alleen een zaak voor ontwikkelingslanden, maar ook voor welvarende landen, zij het dat de problematiek daar van een andere orde is. De massale trek van het platteland naar de stad levert in ontwikkelingslanden gigantische huisvestingsproblemen op, nog afgezien van de schrikbarende ontheemdenproblematiek. Hierbij vergeleken vallen de problemen in Nederland met het creëren van betaalbare woningen, ook voor de mensen met de laagste inkomens, in het niet.
Het is van het grootste belang dat bij deze conferentie een tweede thema centraal staat, namelijk «duurzame menselijke nederzettingen». Het is goed dat er steeds meer aandacht komt voor dit brede terrein. Immers, steeds meer mensen wonen in steden. Niet alleen het dak boven het hoofd, ook de kwaliteit van de huisvesting krijgt de aandacht, inclusief de voor ontwikkelde landen zo vanzelfsprekende fysieke infrastructuur (waterleiding, riolering e.d.). Dat in dit kader een aantal voorbeeldprojecten («best practices») is geselecteerd, is een goede zaak. In die projecten wordt niet alleen aandacht besteed aan de woning, maar ook aan de fysieke en sociale kwaliteiten van de woonomgeving en aan de wijze waarop die wordt georganiseerd. Ook mevrouw Assen achtte het verheugend dat een Nederlands project behoort tot de twaalf beste die er tentoongesteld worden. Het is haars inziens van wezenlijk belang voor de toekomst dat dit project ook wordt gezien in het licht van duurzame ontwikkeling en niet alleen in dat van de economische ontwikkeling. De rol en betekenis van sociale gemeenschappen en van lokale bestuurskracht blijken er duidelijk uit. Zij was benieuwd naar de «best practices» uit andere landen en naar wat Nederland daarvan kan leren.
Mevrouw Assen omschreef de door haar gewaardeerde uitvoerige voorbereiding in Nederland van Habitat II. Zij waardeerde het erbij betrekken en in de delegatie opnemen van kinderen. Het is een groot goed dat er in de voorbereiding in Nederland geen controversiële punten zijn blijven bestaan. Jammer is het, dat de Kamer pas zo laat en wat summier is geïnformeerd over het resultaat van de voorbereiding. Het zou goed zijn als er de komende dagen, dus nog voor het begin van de conferentie, flink wat aandacht aan zou worden besteed in de pers.
Op grond waarvan is er 1 mln. voor de conferentie uitgetrokken? Dat is een kwart van wat er was uitgetrokken voor de Milieuconferentie. Gelukkig heeft Nederland wel geld geïnvesteerd in de internationale samenwerking en voorbereiding.
Mevrouw Assen onderschreef de door haar genoemde vier punten die de delegatie op de conferentie zal inbrengen. Armoedebestrijding loopt daar als een rode draad doorheen. Deze vier punten worden vertaald in zes concrete actiepunten in het slotdocument. Is het de bedoeling dat deze actiepunten algemeen gelden of alleen voor de Nederlandse dan wel de Westerse situatie? Zijn al deze actiepunten reëel en haalbaar voor ontwikkelingslanden? Die vraag werd haar ingegeven door bijvoorbeeld het actiepunt over het vastleggen van eigendoms- en gebruiksrechten. In veel landen bestaan er totaal andere (juridische) systemen dan in Nederland wat betreft familie-eigendom, vererving (waarvan vrouwen vaak uitgesloten worden, zeker als het grond en huizen betreft) en gebruiksrechten, waarvan vrouwen ook vaak zijn uitgesloten. Is het dan niet te simpel geredeneerd dat dit via zo'n actiepunt geregeld zou kunnen worden? Zal er voorlopig niet een groot verschil blijven tussen geschreven recht en gewoonterecht?
Wat wordt precies bedoeld met een «genderspecifieke aanpak»? Hoe denkt het kabinet hierbij de resultaten te betrekken van de conferenties in Kaïro en Beijing, waarnaar wordt verwezen? Het gaat in feite om integratie in het slotdocument van de tijdens die conferenties gedane uitspraken over toegang tot grond en huizen, woningbezit en dergelijke.
Veel ontwikkelingslanden, maar verbazingwekkend genoeg ook de VS, verzetten zich tegen het vastleggen en herbevestigen van het recht op huisvesting. Mevrouw Assen betreurde dit, omdat het haars inziens een basisbehoefte en dus ook een basisrecht is. Om welke redenen zijn de VS ertegen? Zijn er mogelijkheden en, zo ja, welke, om de VS tijdens de conferentie te bewegen dit uitgangspunt alsnog te onderschrijven? Kan Nederland hierbij een rol spelen of moet de EU dat doen?
Bij Habitat I was de overheid een initiërende en leidinggevende rol toebedeeld, bij Habitat II wordt dat een voorwaardenscheppende via het verschaffen van een institutioneel en juridisch kader. Mevrouw Assen stemde in met die wijziging. De betrokkenheid en participatie van iedere burger (vooral vrouwen) en iedere instantie moet worden gestimuleerd. Initiatieven van vrouwen in wijken kunnen samengaan met trajecten op het terrein van volksgezondheid, onderwijs, werkgelegenheid en dergelijke. Actieprogramma's moeten worden toegesneden op het lokale niveau, zodat ook daar de benodigde en slagvaardige bestuurskracht kan worden ontwikkeld en waargemaakt. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor lokale overheden in samenwerking met andere organisaties en met individuen.
Mevrouw Assen constateerde dat helaas in een aantal ontwikkelingslanden wordt gesproken over loskoppeling van economische groei en duurzame ontwikkeling. Voor de korte termijn kan dit aantrekkelijk lijken, maar dat is het niet voor de lange termijn. Zal dit een algemeen of een incidenteel geluid op de conferentie worden?
Als de conferentie is afgelopen en een ieder tevreden over het slotdocument naar huis gaat, moet het eigenlijke werk nog beginnen. De implementatie van het actieprogramma zal het nodige vragen, zowel aan geld, als aan inspanningen, inzet en daadkracht. Zij vroeg verduidelijking inzake de vertaling van het slotdocument in het Nederlands en de interpretaties ervan en over de handreiking en instructies aan de gemeenten.
Implementatie vraagt vooral om «capacity building», het ontwikkelen van bestuurskracht van lokale overheden en groepen. Daartoe zijn institutionele afspraken nodig. Internationale samenwerking en het overdragen van kennis en ervaring, onder meer via «best practices», moeten een impuls geven. Hoe stelt men zich voor die «capacity building» te realiseren? Welke eisen moeten worden gesteld aan lokale overheden en groeperingen om de benodigde bestuurskracht en daadkracht te ontwikkelen? In eerste instantie lijkt het voor de hand te liggen dat deze doelstellingen gemakkelijker in grote steden zullen kunnen worden verwezenlijkt dan in kleinere steden. Is dat zo? Zijn corporaties in grote steden echt slagvaardiger? Is de bestuurskracht daar echt groter? Zijn er echt meer mogelijkheden voor de private sector, voor convenanten en PPS-constructies? De volkshuisvestingsproblemen in grote gemeenten zijn vaak groter dan die in kleine gemeenten en zijn ook vaker gecombineerd met zware armoede en milieuvraagstukken. Welke voordelen kunnen er in kleinere gemeenten worden behaald?
Aan welke voorwaarden moeten gemeenten voldoen om tot goede uitvoering van dit programma te kunnen komen? Hoe moeten de financiële middelen lokaal worden gegenereerd? Hoe moeten gemeenten aan meer geld komen als zij dat zelf niet kunnen genereren?
Is er bij de implementatie een rol weggelegd voor de rijksoverheid en, zo ja, welke?
Tot slot vroeg mevrouw Assen naar de plannen voor een follow-up van de conferentie. Zij zou het betreuren als het bij een mooi slotdocument en papieren plannen bleef.
Uiteraard deelde de heer Hofstra (VVD) de mening, dat de problemen als gevolg van de sterke groei van de wereldbevolking en de concentratie van de bevolking in de steden, moeten worden opgelost. Het is echter de vraag hoe en door wie dat moet gebeuren. Zijn er geen hoopgevende trends die duiden op het wat verminderen van de bevolkingsgroei en van de trek naar de steden?
Ook hem was de verruiming van de doelstelling sinds Habitat I opgevallen. In Vancouver ging het nog voornamelijk om «adequate huisvesting voor allen», terwijl dat streven nu vooral wordt gezien in de context van duurzaamheid; een begrip dat thans in de mode lijkt. De verruiming van de doelstelling van centraal naar decentraal sprak hem aan. Immers, nu wordt geconstateerd dat het verstandig is om de uitvoering op lokaal niveau te doen geschieden, dus door de burger en particuliere organisaties, en om de overheid zich te laten beperken tot het scheppen van het benodigde kader.
Men zou kunnen zeggen, dat er sprake is van een kwantitatieve doelstelling (iedereen moet over woonruimte kunnen beschikken) en van een kwalitatieve doelstelling (de woningen moeten van goede kwaliteit zijn), waarbij dan tegenwoordig ook nog komt het fenomeen van de duurzaamheid. De heer Hofstra vroeg zich af of duurzaamheid als afzonderlijk element moet worden beschouwd en niet onder de kwalitatieve doelstelling behoort te vallen, omdat het bij duurzaamheid in dezen gewoon erom gaat dat er goed wordt gebouwd. Zijn inziens is toespitsing nodig op de schrijnendste gevallen. Net als tijdens de woningnood in Nederland gold, zal dan de kwantiteit belangrijker zijn dan de kwaliteit, al moet daarmee natuurlijk wel rekening worden gehouden als dat kan. Men kan ook niet mensen in Afrika verbieden gebruik te maken van oude koelkasten, omdat die slecht voor het milieu zijn. Het voorbeeldenboek van Nederland riep bij de heer Hofstra de gedachte op of Habitat een wedstrijd is voor ontwikkelde landen om te laten zien wie de mooiste plannen kan maken.
Ook hij zou graag de voorlopige versie van het slotdocument onder ogen krijgen voordat hij naar Istanbul vertrekt.
Nederland wil het «recht op huisvesting» vastleggen in het slotdocument, maar in artikel 22, 2e lid, van de Grondwet staat: «Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.». Dat is iets anders. Het is de vraag of via Habitat II of een Europese Top ineens de Grondwet kan worden opengebroken.
De heer Hofstra kon er zich uiteraard in vinden dat wordt geprobeerd een eventuele extra taak ingevolge de conferentie binnen de bestaande budgetten uit te voeren. Hoe groot en wat is de Nederlandse inbreng in het traject geweest? Wat heeft Nederland gewonnen en wat verloren? Een genoemd statistisch overzicht ontbrak bij de stukken.
Waarom is met name aan Oost-Europa hulp gegeven en welke kosten waren daarmee gemoeid? Waarom is de hulp aan ontwikkelingslanden over zoveel landen verdeeld? Zou het niet efficiënter zijn geweest om dat geld over minder landen te verdelen? Bedragen de totale kosten van Nederland, gemaakt voor Habitat II, inderdaad 16 mln.? Welk deel van het totale budget voor Ontwikkelingssamenwerking heeft betrekking op dit soort activiteiten? Wil de minister na verschuivingen in het budget daarvoor een groter deel uittrekken?
Welke perspectieven zijn er voor de private sector, gegeven exportmogelijkheden en kennisoverdracht? Hoe staat het met de fondsvorming in het kader van het Habitat forum? Blijft er na aftrek van de kosten van het forum nog geld over?
De heer Hofstra vroeg zich af of het zin heeft om conferenties van deze schaal (20 000 deelnemers) te organiseren. Deze conferentie is de voorlaatste van een serie grote conferenties. Is dat omdat er op VN-niveau ook wordt getwijfeld aan de zin van zulke conferenties of is er een andere oorzaak? Een ruwe schatting van de aan de conferentie verbonden kosten had bij hem de vraag opgeroepen of dat geld niet beter zou kunnen worden gebruikt om in een nader te bepalen land echt een stad(je) te bouwen. Wat kunnen bewindspersonen nog in Istanbul bereiken? Wat kunnen parlementariërs daar doen? De heer Hofstra veronderstelde dat de kwestie van de jongerenvertegenwoordiging zeer wel aan het kabinet overgelaten kan worden.
Mevrouw Roethof (D66) constateerde dat de grootstedelijke problematiek zich voordoet in het noorden en het zuiden, maar dat de schaal van de gettovorming en verpaupering nogal verschillend is. Haars inziens kunnen bijvoorbeeld Bombay en Eindhoven zowel in praktische als in meer overdrachtelijke zin wel iets van elkaar leren. Kennis nemen van dezelfde problemen, maar op een andere schaal, kan leiden tot nieuwe inzichten. Dat is ook gebleken op de Sociale Top in Kopenhagen over de werkloosheid.
Toch bleef ook mevrouw Roethof enigszins sceptisch over het nut van zulke grote VN-conferenties. Zij vond het dan ook niet erg dat dit voorlopig de voorlaatste is.
Sinds Habitat I is het beeld van de verpaupering van de steden onheilspellender geworden. In het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is lang de trend geweest plattelandsontwikkeling de voorrang te geven om urbanisatie te voorkomen. De trek naar de stad blijkt echter niet te stuiten, zodat er een beleid zal moeten worden gevoerd, gericht op die megapolen. Daarbij mag het platteland als toevluchtsoord voor de afvallers in de steden niet worden vergeten. In het World Resources-rapport wordt voorspeld dat er in 2015 8,3 miljard mensen op de wereld zullen zijn, waarvan 2/3 in de steden zal wonen. Er zullen dan 33 megasteden zijn met meer dan 8 miljoen inwoners en 500 steden met meer dan 1 miljoen inwoners. Het is duidelijk dat de risico's op het vlak van de volksgezondheid, de veiligheid en de stabiliteit groot zijn.
Mevrouw Roethof zou daarom graag zien dat de Nederlandse delegatie zich concentreert op de hoofdzaak, het onderwerp van de agenda. De al genoemde Nederlandse uitgangspunten zijn te divers en zijn bovendien al op voorgaande VN-conferenties aan de orde geweest. Haars inziens is er alleen een graad van duurzaamheid te bereiken als er sprake is van een intensieve betrokkenheid van de lokale bevolking. Nederland zou zich kunnen richten op het benadrukken van steun aan de informele bouwsector, het terugdringen van de kosten van primaire levensbehoeften door het realiseren van adequate basisvoorzieningen, het verminderen van de ruimtelijke onzekerheid voor mensen die zich ergens vestigen, het stichten van garantiefondsen voor leningen aan bewoners en het opzetten van revolving funds voor het opknappen van sloppenwijken. In dit kader wees zij op de uitspraak dat iedereen praat over participatie van mensen in overheidsbeslissingen, maar dat niemand iets zegt over een overheid die meedenkt over beslissingen die mensen zelf hebben genomen.
Mevrouw Roethof wees op de «toilet city» in Zuid-Afrika, een schrijnend voorbeeld van de sociale woningbouw in Zuid-Afrika onder het apartheidsregime. Er waren een aantal wc's gebouwd in de veronderstelling dat de mensen er dan wel een hutje naast zouden bouwen, wat zij hebben geweigerd. Ook al is het apartheidsregime afgeschaft, het zal nog een hele tijd duren voordat de krotten in de townships plaats hebben gemaakt voor echte huizen. De regering van Zuid-Afrika is in arren moede maar begonnen eigendomsrechten te verlenen voor de vierkante meters waarop zo'n krot is gebouwd. In Zuid-Afrika moet de woningbouw zich overigens ook op het platteland voltrekken, omdat het lot van de landarbeider zonder recht op woonplaats vaak nog slechter is dan dat van de bewoners van de townships. Hulpverlening bij het aanleggen van kadasters is dus zeer zinnig.
Bij Habitat II gaat het om meer dan het recht op wonen. Het gaat ook om milieuhygiëne op plaatsen, vaak aan de rand van steden, die te kampen hebben met gebrek aan water, sanitaire voorzieningen, riolering en afvalverwerking.
Het grote voordeel van interlokale samenwerking is dat vaklui hun ervaring in dienst van andere steden kunnen stellen en daar zelf ook profijt van hebben. Het is winst dat de VN de rol van lokale overheden in dezen zo duidelijk erkennen. In Nederland hebben de gemeenten en de VNG een sterke positie, maar in tal van landen staat het lokale bestuur machteloos tegenover rijksbeslissingen. Voor een goed vervolg van de conferentie zou het nuttig kunnen zijn om de relatie tussen de VN en de lokale overheden een permanenter karakter te geven.
Sprekend over de databank van de «best practices», vroeg mevrouw Roethof of het model van de woningbouwcorporaties van de jaren tachtig of dat van de jaren negentig wordt gepropageerd. Hoe gaat Habitat II in het Nederlandse beleid doorwerken, met name in de dak- en thuislozenprojecten, het grote-stedenbeleid, het armoedebeleid en het beleid betreffende de strategische kernvoorraad?
Op grond van de brief had mevrouw Roethof berekend, dat het gaat om 31 mln., inclusief de kosten van de VN-programma's voor habitatactiviteiten. In de brief staat niets over het budget voor de Nederlandse afvaardiging naar Istanbul. Kan daarover informatie worden verschaft?
In tegenstelling tot de heer Hofstra was zij enthousiast over het initiatief van VROM om enkele Oosteuropese landen te assisteren bij het opstellen van hun landenrapporten. Zij was minder enthousiast over het binnenlandse traject voor de bewustwording. Hoeveel geld wordt in Nederland uitgegeven om hier een draagvlak voor Habitat II te creëren en hoe zinvol is die besteding?
Enerzijds vond mevrouw Roethof het belangrijk dat kinderen kennis wordt aangereikt die hun in staat stelt bepaalde televisiebeelden te interpreteren, anderzijds vond zij dat het kinderbeleid in het kader van Ontwikkelingssamenwerking geen gimmick moet worden. Zij achtte de mening van kinderen wel belangrijk, maar was er niet voor om kinderen op te jonge leeftijd systematisch gebukt te laten gaan onder al het onrecht op deze wereld. Kinderen hebben het recht kind te zijn. Zij verklaarde desgevraagd dat in haar ogen jongeren tussen de 15 en 25 jaar eerder voor opneming in de delegatie in aanmerking komen dan jongere kinderen.
De minister voor Ontwikkelingssamenwerking merkte op dat de door mevrouw Roethof gegeven cijfers overeenkomen met de cijfers die uit andere bronnen, zoals de VN, afkomstig zijn. Deze cijfers geven een trend weer, die niet op afzienbare termijn omgebogen lijkt te kunnen worden. Wel lijkt de groei van de wereldbevolking iets af te zwakken. In Afrika is een daling van de geboortecijfers te constateren, maar daar staat een zodanige daling van de sterftecijfers tegenover dat de komende dertig tot veertig jaar nog een omvangrijke stijging van de bevolking te verwachten is. De economische ontwikkeling, de technologische ontwikkeling en de culturele ontwikkeling (het kennisnemen van perspectieven elders) zullen migratie naar de stad in sterke mate blijven bevorderen, mogelijk zelfs onafhankelijk van de economische perspectieven op het platteland. Vaak blijft een deel van het gezin op het platteland achter, zodat men twee economische bronnen heeft om te overleven. Naarmate de economische perspectieven op het platteland toenemen, nemen ook de financiële mogelijkheden toe om naar de stad te trekken en met de achterblijvers te blijven communiceren.
Op een wereldconferentie kan men waarschijnlijk niets doen aan deze trend richting steden. Het is een wereldwijd verschijnsel, maar geen internationaal verschijnsel in die zin dat het gaat om internationale grensoverschrijdende processen waartegen internationale maatregelen kunnen worden genomen om de trend op te vangen dan wel te keren. Men kan niet anders dan proberen van elkaar te leren en het beleid enigszins op elkaar af te stemmen. Dat zal evenwel de verstedelijkingstrend niet sterk beïnvloeden.
Eigenlijk zouden wereldconferenties moeten worden gehouden om mogelijkheden vast te stellen voor gezamenlijk te voeren internationaal beleid waarbij op internationale processen kan worden ingespeeld, bijvoorbeeld handelspolitieke conferenties, milieuconferenties of conferenties over transnationale culturele vraagstukken. In dat laatste kader hebben de VN de afgelopen jaren een functie vervuld wat het met elkaar in gesprek brengen betreft van bewegingen over nationale grenzen heen om de trend naar fundamentalisme en absolutisme te beperken. Het is evenwel de vraag of deze conferentie in dat kader kan worden gezien. Sinds de vorige Habitatconferentie, toen ter oplossing van de problemen met betrekking tot menselijke nederzettingen vooral werd gedacht aan overheidsbeleid, is het denken veranderd. Thans wordt vooral gesproken over het aansluiten bij initiatieven van huidige en potentiële bewoners van steden om een en ander in bepaalde banen te kunnen leiden. Een dergelijke conferentie is wel nuttig omdat deze het mogelijk maakt van elkaars ervaringen te leren. Het is jammer dat deze conferentie wel erg intergouvernementeel van karakter is. Enkele voorgaande VN-conferenties hadden vooral een beurskarakter. Doordat talloze niet-gouvernementele organisaties rondom de conferenties veel contact met elkaar hadden, kon daarvan een belangrijke impuls op die conferenties uitgaan. Dat zal nu niet het geval zijn. Dat komt voor een deel doordat de VN in grote financiële problemen zijn geraakt en de toekomst van het Habitatcentrum vanwege het slechte management op het spel staat. De Habitatconferentie is de minst goed georganiseerde VN-conferentie van de laatste jaren. Sinds 1 mei jl. zijn de VN failliet. VN-ambtenaren worden momenteel betaald van geleend geld. Als gevolg van de financiële problemen is het conceptslotdocument pas deze week binnengekomen. De leden van de delegatie zullen binnen zeer afzienbare tijd een exemplaar van het conceptslotdocument en de instructie ontvangen. Naar verwachting zal de conferentie als gevolg van deze problemen op verschillende punten de toets der kritiek niet kunnen doorstaan. De minister was alleen voor dergelijke grote conferenties, als die gaan over een zinvol onderwerp dat zich leent voor internationaal beleid en als die conferenties goed voorbereid zijn en er een kans is op een flinke stap vooruit. Desgevraagd zei hij dat het politiek gezien onmogelijk is om aan het einde van de Habitat II-conferentie te beslissen dat het Habitatcentrum in Nairobi moet worden opgeheven. De conferentie biedt geen goede mogelijkheid voor overleg over het voortbestaan ervan. De ontwikkelingslanden zullen pleiten voor meer geld, maar daarmee worden de managementsproblemen niet opgelost. De Westerse landen zullen een goede sanering willen. De minister was voorstander van het fuseren van een groot aantal VN-instellingen. In Nairobi is ook het milieuprogramma van de VN (UNEP) gevestigd. Het zou mogelijk moeten zijn om UNEP en het Habitatsecretariaat wat management, administratie en overhead betreft te integreren. Daar zouden beide instellingen beter van worden.
De minister betoogde dat de in de brief genoemde vijf uitgangspunten (voorkomen uitsluiting en bevorderen participatie, duurzaamheid, goed bestuur en genderspecifieke aanpak) niet kunnen worden vervangen door het uitgangspunt «duurzaamheid door participatie». Het gaat bij het noemen van die uitgangspunten niet alleen om het doortrekken van de uitkomsten van de ene VN-conferentie naar de volgende, maar ook om een verbijzondering. Het woord «participatie» alleen is dus onvoldoende. Bij participatie gaat het met name om participatie van vrouwen, omdat die in belangrijke mate is achtergebleven bij de beleidsbepaling. Participatie behelst ook het accepteren van de informele economie in steden. In het kader van dat participatiestreven moet uitsluiting worden voorkomen en moet een genderspecifieke aanpak worden bevorderd. Om dat allemaal goed uit te voeren, is goed bestuur nodig. Een groot deel van Nederlandse ontwikkelingsbeleid in steden is gericht op het ondersteunen van initiatieven van bewoners zelf, maar niet alles kan van onderaf komen. Dat een overheid meedenkt over beslissingen die door de mensen zelf zijn genomen, is een vorm van goed bestuur. Bij de participatie van onderaf hoort tegelijkertijd versterking van de capaciteiten van stedelijke overheden inzake planning, bevordering van milieuhygiëne en dergelijke.
In het raam van conferenties als deze wordt met duurzaamheid gedoeld op een duurzame samenleving, dus op duurzame stedelijke verbanden, sanitatie en de mogelijkheid om met enig perspectief te overleven, zelfs gegeven de kwantitatieve achterstanden met betrekking tot het wonen in engere zin. De opzet van deze conferentie is om niet alleen, zoals in Vancouver, te praten over het bouwen van huizen, maar om met name inhoud te geven aan de stedelijke (informele) economie, het bestuur, de riolering, de sanitatie en het niet laten dichtslibben van de stedelijke verbanden. In 1976 is hieraan onvoldoende aandacht gegeven, terwijl het dichtslibben van stedelijke verbanden juist tot armoede en geweld leidt en waarschijnlijk meer problemen doet ontstaan dan alleen maar de kwalitatieve achterstand met betrekking tot de huisvesting op zich zelf.
Bij interruptie werd met deze wat abstracte interpretatie van duurzaamheid ingestemd, maar daaraan werd toegevoegd dat men op een gegeven moment toch een keuze moet maken, bijvoorbeeld tussen 2000 halfverduurzaamde wooneenheden en 1000 geheel verduurzaamde. De minister stelde dat men in wezen altijd praat over het gebruik maken van datgene wat in ontwikkelingslanden zelf is gerealiseerd. Op een enige tijd geleden gehouden tentoonstelling in het Nederlands architectuur instituut werd getoond hoe op basis van continue zelfverbetering door mensen die ergens wonen, geleidelijk aan van iets slechts iets goeds wordt gemaakt. Dat perspectief dat mensen zelf toevoegen aan de manier waarop zij leven en wonen, creëert duurzaamheid in de samenlevingsverbanden. Op zich zijn de huizen in de townships in Zuid-Afrika niet zo slecht. Het probleem van de townships is dat er alleen maar huizen staan en dat er niet wordt geleefd, omdat vrijwel iedereen 's morgens naar het werk elders vertrekt en pas 's avonds terugkomt.
De heer Hofstra, die de catalogus van de tentoonstelling had gelezen, verklaarde vervolgens bij interruptie erbij te blijven dat voorkomen moet worden dat door het hanteren van de doelstelling duurzaamheid en van de daarvoor geldende Nederlandse normen, de beschikbare gelden minder efficiënt worden benut.
De minister reageerde op deze woorden met de opmerking dat het budget wel een probleem is, maar niet het grootste. Over het algemeen gaat het om middelen die door de mensen zelf en door de lokale overheden moeten worden gegenereerd en niet zozeer om internationaal geld – integendeel – of zelfs nationaal geld. Nationaal geld is nodig voor de stedelijke infrastructuur en om sanitatieprogramma's op te zetten. Wanneer mensen werk en woonzekerheid hebben, zorgen zij zelf voor verbetering van hun eigen woonomstandigheden. Budgetten voor huisvesting kunnen dan ook efficiënt worden besteed door woonzekerheid voor mensen te scheppen. Een van de wonderen, ook in economisch arme gebieden, is dat mensen altijd proberen te sparen. Lokale overheden moeten door de nationale overheid in staat worden gesteld om op lokaal niveau middelen te genereren. Een jaar of tien geleden heeft een analyse duidelijk gemaakt dat er, zelfs als de migratie naar de steden zou afnemen ten gevolge van de economische ontwikkeling van het platteland, toch nog sprake zou zijn van een zo sterke autonome groei van de steden dat daaraan niet voorbijgegaan zou kunnen worden. Op grond daarvan is toen door Ontwikkelingssamenwerking besloten katalyserend en capaciteitsondersteunend te gaan opereren. Dat betekent bijvoorbeeld het ondersteunen van het ontwikkelen van kadasters. Op zijn verzoek is die steun verleden week ook toegezegd aan de president van Bolivia die toen Nederland bezocht. In enkele andere Latijnsamerikaanse landen is daarmee al ervaring opgedaan. Op een interessante wijze kunnen Nederlandse instellingen met deskundigheid op dat gebied daarbij worden betrokken. Er wordt dus geld besteed aan het creëren van voorwaarden waaronder nationale en lokale overheden, maar vooral de mensen zelf kunnen gaan werken aan verbetering van de huisvesting. Het gaat daarbij nooit om grote Nederlandse ontwikkelingsbijdragen. Er zijn enkele speerpuntsteden geselecteerd om er extra actief te zijn. Veelal zijn dat steden waarin Nederlands particulier initiatief al actief is, waarbij de Nederlandse overheid dan aansluit. Het Habitat forum en andere organisaties is gevraagd met suggesties op dat stuk te komen. In overleg met Nederlandse organisaties die actief waren in Bolivia is voor Santa Cruz gekozen als speerpuntstad.
Ontwikkelingssamenwerking is ook meer open gaan staan voor steunverlening aan niet-megasteden, omdat het ontwikkelen van kleinere steden als buffer tussen de megasteden en het platteland van belang is. Inderdaad zijn er juist in de kleinere steden veel mogelijkheden voor goed lokaal bestuur, omdat daar de stedelijke overheid minder ver van de bevolking afstaat en minder gepolitiseerd en elitair is dan in de megasteden.
Het recht op huisvesting kan door Nederland als in Istanbul vast te leggen punt worden geaccepteerd, omdat het aansluit bij de Nederlandse Grondwet. Het recht op huisvesting is ook als een van de grondrechten van mensen opgenomen in de mensenrechtencharters van de VN zelf. Overigens, in het conceptslotdocument staat veel tussen haken, net als dit. Dat betekent dat er nog interessante onderhandelingen zullen kunnen worden gevoerd. Omdat het daadwerkelijk doorvoeren van dat recht een reallocatie van gelden zou vergen, verzetten de VS zich tegen opneming ervan in het slotdocument, ook al doet dat vreemd aan. De EU zit op dezelfde lijn als Nederland, maar het is twijfelachtig of de VS zich laten overtuigen, omdat zij ervan uitgaan dat een recht tevens een plicht is. Als dit recht is vastgelegd, kan de overheid erop worden aangesproken. De VS hebben niet de daarvoor benodigde middelen. De minister was het ermee eens dat rechten niet hol moeten zijn, maar meende dat er in wezen geen verschil is tussen het recht op huisvesting en allerlei andere rechten die zijn vastgelegd in mensenrechtencharters; rechten die niet van het ene op het andere moment kunnen worden verwezenlijkt, maar wie zo'n recht heeft geaccepteerd, moet er ook op aangesproken willen worden. Dergelijke conferenties zijn bedoeld om een stap vooruit te zetten. Er kan dus geen stap achteruit gedaan worden. Niemand zal ervan uitgaan dat als dit recht in het slotdocument wordt vastgelegd, iedereen binnen afzienbare tijd het recht op duurzaam en kwalitatief wonen verwezenlijkt zal zien. Wel kan worden vastgesteld dat regeringen dan (opnieuw) de verplichting op zich hebben genomen om dat recht op de een of andere manier binnen een afzienbare periode in hun beleid te verwezenlijken.
Gevraagd of er geen verschil is tussen de grondwetstekst en het recht op huisvesting, stelde de minister dat als een recht wordt vastgelegd door overheden, deze zich verplichten om zich daarvoor in te zetten. Het is een inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting. Maar een inspanningsverplichting vergt wel dat er middelen voor ter beschikking worden gesteld. Ook al staat er in de Grondwet dat het een taak van de overheid is om het recht van mensen op huisvesting te verwezenlijken, toch zijn er ook hier daklozen. Opneming van dit recht in het slotdocument vergt geen wijziging van de Grondwet. In wezen is dit recht al in de Grondwet vastgelegd.
Delegaties naar VN-conferenties worden steeds groter. Dat is een financieel probleem en een managementprobleem. Kamerleden zitten in delegaties, omdat zij dan de mogelijkheid hebben de regering namens de Kamer nauwgezetter te volgen bij de uitvoering van het desbetreffende internationale beleid en haar daarop ter plekke kunnen aanspreken. Een andere belangrijke reden is het contact dat zij kunnen hebben met parlementariërs uit andere landen. Waar andere landen weinig parlementariërs sturen, stelt dat contact in de praktijk niet veel voor. Kamerleden maken als waarnemers deel uit van de delegatie. Ook andere leden van de delegatie hebben een adviesfunctie. Men kan ook te veel adviseurs hebben die elkaar continu voor de voeten lopen en weinig te doen hebben, omdat er op grote conferenties steeds minder parallelle commissies worden georganiseerd. Dit was ook de ervaring van het hoofd van de Nederlandse delegatie in Beijing, al was daar nog dat hele grote NGO-forum naast de officiële conferentie.
In 1990 is op de Wereldkindertop een resolutie aangenomen waarin stond dat er in het vervolg ook kinderen naar wereldconferenties zouden gaan. Het argument daarvoor was dat het altijd gaat om toekomstgerichte onderwerpen, zodat het logisch is dat er ook een vertegenwoordiging van de toekomstige generaties bij wordt betrokken. De Kamer heeft de regering gevraagd die resolutie uit te voeren. Sedertdien worden er kinderen opgenomen in de Nederlandse delegaties naar wereldconferenties. Deze kinderen zijn afkomstig uit de hoogste groep van het basisonderwijs of de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. Er moet een zodanig programma worden gemaakt dat die vertegenwoordigers van de toekomstige generaties een jaar lang door Nederland trekken om met de eigen generatie over de problematiek van zo'n conferentie te spreken. Dat is de afgelopen jaren uitstekend gegaan. Bovendien heeft de intensieve selectie waarbij talloze scholen worden betrokken, voor de conferentie al een belangrijke uitstraling.
Al sinds de jaren zeventig tellen de Nederlandse delegaties naar grote conferenties ook een vertegenwoordiger van de Nederlandse vrouwenorganisaties.
Bij interruptie werd nogmaals gepleit voor het opnemen in de delegatie van een vertegenwoordiger van de groep 15- tot 25-jarigen. De minister beaamde dat er kritisch, maar wijs moet worden gekeken naar de samenstelling van de delegatie. Dat had hij de vorige dag ook gedaan toen hem de lange lijst van potentiële delegatieleden was voorgelegd. Hij had die lijst doorgestuurd naar de minister van Buitenlandse Zaken die over de samenstelling beslist en had hem voorgesteld om een aantal mensen te schrappen, mede om kritiek van de minister van Financiën te voorkomen. De Kamer zal het algemene beleid terzake van de samenstelling van delegaties naar internationale conferenties met de minister van Buitenlandse Zaken moeten bespreken. Overigens gaan er altijd jongeren mee naar de Algemene Vergadering van de VN. Destijds is met de Kamer afgesproken dat jongeren daar naartoe meegaan en dat kinderen meegaan naar grote internationale conferenties. Dat laatste is dus het honoreren van een internationale verplichting. Dat andere landen dat niet doen, is hun probleem.
Door een beperkt aantal ambtenaren wordt keihard gewerkt aan de voorbereiding van zo'n conferentie. Die mensen die in al die vooronderhandelingen Nederland hebben vertegenwoordigd, zijn hard nodig op de conferentie zelf. Zij vormen de kern waarom het gaat. De andere leden van de delegatie zijn er ter versterking van het draagvlak en om een vertaling te kunnen verwezenlijken naar de toekomstige beleidsbepaling vanuit andere sectoren dan de Nederlandse overheid. Echter, dat alles kan alleen maar, als de conferentie zelf slaagt.
De staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu beaamde dat Nederland van Habitat II het nodige kan leren en ook een habitatproblematiek heeft, zij het van een andere orde en intensiteit dan andere landen. Tussen de habitatproblematiek in de armste landen die zich op de meest basale dingen concentreert, en de habitatproblemen in de rijkste landen zitten nog vele variaties. Hulp op dit terrein hoeft ook niet altijd geld te kosten. Vanuit Oost-Europa is Nederland gevraagd op dit gebied actief te zijn. Men wil bijvoorbeeld weten hoe woningbouwcorporaties moeten worden georganiseerd en hoe de privatisering van vroeger staatsbezit moet worden geregeld. Vanuit Nederland kunnen modellen worden aangeboden om daar te gebruiken om iets wat noodzakelijk is te organiseren.
Wat de duurzaamheid betreft, voerde de staatssecretaris het voorbeeld aan van een net opgerichte woningcorporatie in Warschau. Oorspronkelijk werd de huurders één rekening voor huur en energiekosten toegestuurd. Die rekening bestond voor 80% uit energiekosten en 20% uit huur. Vervolgens werden er in de afzonderlijke woningen meters geïnstalleerd en werden voor de huur en de energiekosten afzonderlijke rekeningen verstuurd. Het gevolg was dat het energiegebruik in één maand tijd met 20% terugliep. Op deze manier wordt duurzaamheid op een praktische manier met betaalbaarheid gecombineerd en levert de duurzaamheid voor veel mensen nog geld op ook. Vanuit Nederland wordt gestreefd naar een combinatie van die dingen op een niveau, waarop men dat kan hanteren en waarop het liefst ook nog wat oplevert in plaats van dat het geld kost. Natuurlijk heeft het voorkomen van schade aan de gezondheid door een behoorlijke afvalverwerking en door een behoorlijke drinkwatervoorziening ook een grote economische betekenis.
In toenemende mate ondernemen in Nederland gemeenten samen met woningbouwcorporaties activiteiten om goede dak- en thuislozenzorg te bieden. Dat een woningbouwcorporatie dit als een verantwoordelijkheid ziet en beschouwt als een vorm van sociale huisvesting die aangeboden moet kunnen worden, is een habitatactiviteit in Nederland. In de tweede plaats moet een kernvoorraad van goedkope woningen in stand worden gehouden voor mensen die deze woningen echt nodig hebben. Woningbouwcorporaties en gemeenten moeten samen bekijken hoeveel van die woningen er nodig zijn en waar ze verspreid door de stad moeten staan. Dat is ook een typische habitatactiviteit in Nederland. Ook de verbetering van de betaalbaarheid, de huursubsidie, de Armoedenota van het kabinet en dergelijke zijn voorbeelden van de manier waarop in Nederland wordt omgegaan met de habitatproblematiek.
Vanuit Nederland worden in dit kader dingen aangeboden waarin het goed is. Het kadaster is bijvoorbeeld zeer actief. Daar is ook veel vraag naar in het buitenland om te kunnen vastleggen van wie welke grond is. Daarnaast wordt dus de woningbouwcorporatie als organisatievorm naar buiten gebracht. De koepels zijn daar ook actief bij betrokken. Ook werkgevers, werknemers, NGO's en opleidingsinstituten zijn betrokken bij de Nederlandse activiteiten in habitatkader. Er worden in dat verband rondetafelgesprekken en seminars georganiseerd.
Het grote publiek, dat geïnformeerd moet worden door de algemene media, weet er maar weinig van, omdat die media op dat punt te terughoudend zijn. Het stimuleren van de belangstelling van de media is typisch een activiteit van het Habitat forum. Het lijkt wel alsof de algemene media zich afvragen wat ze met die grote conferentie aan moeten en alsof zij niet voldoende in de gaten hebben dat deze conferentie een veel praktischer inslag heeft dan vele andere grote eerdere conferenties. Deze conferentie moet meer een uitstraling krijgen als dichter bij het dagelijks leven staand. Er komt overigens nog een persbriefing over Habitat II. Zo kort voor deze conferentie zou men in de media meer over dat onderwerp mogen verwachten. De staatssecretaris sprak de hoop uit dat dit overleg met de Kamer ertoe bijdraagt dat de media dit onderwerp oppakken.
Na de conferentie zal in alle rust worden bezien wat Habitat II voor Nederland moet gaan betekenen en welke rol verschillende actoren daarbij moeten houden of krijgen. Het gaat niet alleen om activiteiten van het kabinet en de gemeenten zelf. De gemeenten spelen trouwens een belangrijke rol in Istanbul. Het is ook de vraag hoe de samenleving blijvend kan worden ingeschakeld bij dit onderwerp. In dat verband zal worden bezien welke rol het Habitat forum zal krijgen. De Kamer zal nog ruimschoots de gelegenheid krijgen om over deze kwestie te spreken, mede aan de hand van het verslag over de conferentie en een voorstel op dit stuk.
De voorzitter van het Habitat forum gaf een opsomming van wat het forum al allemaal heeft gedaan aan publiciteit, ook in Nederland. Hij stelde dat de pers nu eenmaal pas op iets focust, als het actueel wordt, zodat er de komende dagen meer berichtgeving over de conferentie mag worden verwacht. De begroting van het Habitat forum wordt fifty-fifty gefinancierd via bijdragen van Ontwikkelingssamenwerking en VROM en fondsvorming uit de particuliere sector. Het forum hoopt met zijn krappe begroting uit te komen. Voor de voorlichting is vanaf de instelling van het forum tot het einde van de conferentie ongeveer f 500 000 begroot. Dit staat los van de gratis publiciteit die wordt gegeven. De indruk is, dat er nu meer publiciteit komt als gevolg van de activiteiten van gemeenten, woningbouwcorporaties, vakorganisaties, NGO's, werkgeversorganisaties in de bouw en dergelijke.
Formeel heeft het Habitat forum mandaat tot de Wereld Habitatdag 1996 oftewel tot 7 oktober. Het moet mogelijk zijn de «best practices» ook na de conferentie met betrekkelijk eenvoudige middelen levend te houden en te managen. Getracht wordt de «best practices» toegankelijk te maken via Internet en cd-rom. De jury van de «best practices» heeft de conferentie aanbevolen op dat stuk een besluit te nemen.
Het belang van de lokale overheden bij de uitvoering is al onderkend tijdens de voorbereiding van de conferentie. Voorafgaande aan de conferentie wordt een «City summit» gehouden, omdat de georganiseerde lokale overheden wel inzien dat zij het zijn, die samen met de bewoners het beleid verder vorm zullen moeten geven op basis van nationale facilitaire kaderwetgeving.
Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Linden (CDA), Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), H. Vos (PvdA), Van Traa (PvdA), ondervoorzitter, Verspaget (PvdA), De Hoop Scheffer (CDA), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Sipkes (GroenLinks), Bukman (CDA), voorzitter, Boogaard (groep-Nijpels), Woltjer (PvdA), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Roethof (D66), Rouvoet (RPF), Van den Doel (VVD).
Plv. leden: Leers (CDA), Bremmer (CDA), Korthals (VVD), Van der Stoel (VVD), Voûte-Droste (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Dijksma (PvdA), Lilipaly (PvdA), Gabor (CDA), De Graaf (D66), Van Gijzel (PvdA), Van den Berg (SGP), Houda (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Deetman (CDA), Hendriks, Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Dittrich (D66), Hillen (CDA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van Waning (D66), Leerkes (Unie 55+), Bolkestein (VVD).
Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Van Erp (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van den Berg (SGP), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), ondervoorzitter, M.M. van der Burg (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), voorzitter, Van Gijzel (PvdA), Verbugt (VVD), Aiking-van Wageningen (groep-Nijpels), Poppe (SP), Gabor (CDA), Augusteijn-Esser (D66), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Assen (CDA), Jeekel (D66).
Plv. leden: Biesheuvel (CDA), Blauw (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Van Middelkoop (GPV), Houda (PvdA), Bukman (CDA), Van de Camp (CDA), Oudkerk (PvdA), Jorritsma-van Oosten (D66), Valk (PvdA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Hendriks, Bijleveld-Schouten (CDA), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), De Graaf (D66), Leerkes (Unie 55+), Swildens-Rozendaal (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Keur (VVD), H.G.J. Kamp (VVD), Ten Hoopen (CDA), Van 't Riet (D66).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24400-V-83.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.