24 400 V
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 1996

nr. 80
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 juni 1996

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 5 juni 1996 overleg gevoerd met minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken over het verslag van de Ministeriële Raad van OVSE te Boedapest 7–8 december 1995 (24 400 V, nr. 45).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Hessing (VVD) vond dit een gedenkwaardig overleg omdat voor de eerste keer in deze Kamer over het verslag van de Ministeriële Raad over de OVSE wordt gesproken. Dat illustreert het toenemend belang van de OVSE en een voortschrijdende parlementaire betrokkenheid bij het buitenlands beleid. De VVD-fractie vindt dit belangrijke ontwikkelingen.

De rol van de OVSE wordt steeds prominenter door de openheid in diverse landen en de toenemende mogelijkheden voor preventieve diplomatie. De OVSE doet op dit moment veel goeds op diverse fronten, maar dat blijft enigszins onderbelicht omdat goed nieuws kennelijk geen nieuws is.

De recente Ministeriële Raad in Boedapest is zonder meer een stap op de goede weg. Er is terecht veel aandacht besteed aan de rol van de OVSE bij de implementatie van de Dayton-akkoorden in voormalig Joegoslavië. Thans vormen de verkiezingen het meest actuele punt waarbij de belangrijkste vragen zijn: wie organiseert het, waar worden ze gehouden en hoe kan men stemmen? De OVSE heeft als toezichthouder een grote verantwoordelijkheid. Kan de EU daarbij niet een handje helpen. De heer Ellerman Jensen is op dit ogenblik druk doende fondsen te vinden, maar zou dit ook voor de EU niet een mooie gelegenheid zijn geweest om het GBVB wat meer inhoud te geven? Behoeft de kwestie-Kosovo nog nadere aandacht van de OVSE?

De heer Hessing zei erover verheugd te zijn dat het EVM nu serieus wordt aangepakt. De eerdere terughoudendheid lijkt overwonnen. Het is overigens wel essentieel dat de Russische Federatie volwaardig bij die discussie wordt betrokken. Hij pleitte voor een samenhangend concept terzake met een grote transparantie en een consistente uitwerking. Het concept van de «comprehensive security», dat daarbij een goed uitgangspunt kan zijn, wilde hij vanuit drie invalshoeken bezien.

In de eerste plaats de inhoud. Naast het klassieke aspect van interstatelijke bedreigingen zijn er nu ook nieuwe bedreigingen aan de orde, zoals intrastatelijke conflicten, internationale criminaliteit, terrorisme, milieu-criminaliteit, nucleaire risico's enz. Moet naar de mening van de minister de OVSE ook aan dergelijke nieuwe bedreigingen aandacht besteden?

De tweede invalshoek is de meervoudige interdependentie als strategie waarbij vooral de samenwerking op economisch, financieel, cultureel, politiek en militair gebied het belangrijkste instrument is om vertrouwenwekkende relaties op te bouwen.

De derde invalshoek is de institutionele kant; kennelijk wordt gekozen voor het concept van de mutual reinforcing institutions met een eigen rol voor de OVSE in de preventieve diplomatie en wellicht ook bij het post conflict peace building. Dit alles naast de rol van de VN, IMF, WTO, NAVO, NASR, WEU en de EU. Het is van groot belang dat al deze instellingen zich beraden op hun kerntaken en nagaan hoe zij elkaar wederzijds kunnen versterken. Het leek de heer Hessing dat de OVSE kan uitgroeien tot een volwaardig regionaal orgaan van de VN, gericht op het verlenen van mandaten en het verlenen van de hulp bij civiele wederopbouw.

Hoe oordeelt de minister over deze driedeling en hoe denken de NAVO-partners hierover? Hoe ligt dit in de Midden- en Oosteuropese landen, met name Rusland?

In het verslag van de Ministeriële Raad staat dat het eerste deel van de modeldiscussie is afgerond en dat er een gezamenlijke analyse voorligt van de veiligheidssituatie. Een en ander is vastgelegd in een voortgangsrapportage van de voorzitter, waarin ook een imposante lijst van risico's is opgenomen. Dit stuk kan een goed uitgangspunt voor verdere discussie zijn, hoewel het nog wel enige structurering behoeft. Ligt het overigens in de bedoeling een kopie van die voortgangsrapportage naar de Kamer te sturen?

De minister zei dat dit niet mogelijk is omdat het een intern stuk is. Belangstellenden kunnen het inzien ten departemente.

De heer Hessing (VVD) wees vervolgens op de Chairman's Summary met betrekking tot de tweede fase. Het intensiveren van consultaties leidt tot meer wederzijds begrip en is op zich al een vertrouwenwekkende activiteit. Er is een EVM-comité ingesteld dat een veelheid van onderwerpen gaat beschouwen. Er is niets op tegen om hierover niet alleen procedureel maar ook inhoudelijk de gedachten te laten gaan. Zal de Kamer ook in de gelegenheid worden gesteld om op afstand mee te denken over de Nederlandse inbreng op het geplande seminar over het EVM?

De minister zegde toe de Kamer van de benodigde informatie hierover te voorzien.

De heer Hessing (VVD) stelde vervolgens de vijf Nederlandse voorstellen aan de orde. Het eerste is, de vredeshandhaving onder het mandaat van de OVSE nader te beschouwen. Hopelijk zal daarbij ook het Kinkel-Kooijmans-initiatief worden betrokken. Hij was het er geheel mee eens dat de regering daarbij niet streeft naar de opbouw van een militaire structuur binnen de OVSE. Voor de uitvoering van dergelijke mandaten zal vooral moeten worden gedacht aan coalitions of the willing vanuit NASR en/of Partnership for Peace en sinds kort ook vanuit de NAVO met combined joint task forces.

In de tweede plaats vraagt Nederland terecht aandacht voor de milieu-aspecten van de veiligheid. Waaraan denkt de minister hierbij precies?

Het derde voorstel behelst het bevorderen van regionale veiligheidsprocessen. Ook hierin steunt de VVD-fractie de regering. Wat behelst precies de lijst met vertrouwenwekkende maatregelen? Zijn er ook vertrouwenwekkende maatregelen denkbaar op het terrein van het milieu en nucleaire risico's?

De VVD-fractie vindt ook het vierde voorstel, dat betrekking heeft op de rechtspersoonlijkheid van de OVSE, uitstekend. Wat wordt er overigens bedoeld met codificering van het politiek acquis en waarom is Nederland daartegen? Wat zijn de voor- en nadelen van de mogelijkheid om van de OVSE een verdragsorganisatie (bijvoorbeeld een niet-aanvalsverdragsorganisatie) te maken?

Voorts zei de heer Hessing ook het vijfde voorstel, gericht op een versterking van de rol van de Parlementaire Assemblée, een prima voorstel te vinden. Wat stelt de minister zich hier overigens concreet bij voor en wat denkt hij van de suggestie om de Parlementaire Assemblée een officieel orgaan van de OVSE te maken of om rapporten over de EVM ter bespreking aan te bieden aan de Parlementaire Assemblée? De achtergrond van deze suggesties is het draagvlak te vergroten en de dialoog in de Parlementaire Assemblée te stimuleren.

Aan de vijf voorstellen wilde de heer Hessing het voorstel toevoegen om het door hem al gesignaleerde fenomeen van de nieuwe bedreigingen uit te werken in het kader van de voortgaande analyse van de veiligheidsrisico's.

Het tweede deel van de brief van de minister schetst de ontwikkelingen van de OVSE sinds de Ministeriële Raad van Rome. De heer Hessing dankte de minister voor deze nuttige informatie en in dit verband wilde hij graag de aandacht vestigen op het vele goede werk van de Hoge commissaris voor de Nationale minderheden.

Het Kinkel-Kooijmans-initiatief is helaas niet aanvaard. Welke landen hadden welke bezwaren? Is er nog kans op een diplomatieke oplossing?

Ten slotte vroeg de heer Hessing of de minister bereid is om ruim van tevoren een geannoteerde agenda van de Ministeriële Raad te Lissabon naar de Kamer te sturen en hiervan een vaste procedure te maken.

De heer Gabor (CDA) dankte de minister voor de verstrekte informatie en voor de wijze waarop de bewindsman zich heeft opgesteld tijdens de Ministeriële Raad.

Hoe is de stand van zaken met betrekking tot de benoeming van de nieuwe secretaris-generaal? Welke landen hebben de problemen op dit punt veroorzaakt?

De minister heeft zich er terecht voor ingezet om de resoluties van Ottawa op de agenda te krijgen. Kan hij toelichten waarom dat niet is gelukt?

De heer Gabor merkte vervolgens op dat de verkiezingen in voormalig Joegoslavië als het maar enigszins kan doorgang moeten vinden in september, al realiseerde hij zich dat die verkiezingen nog niet kunnen worden gehouden volgens Nederlandse patronen.

Een OVSE-ombudsman voor de mensenrechten is een uitstekend initiatief. Hebben vertegenwoordigers van de OVSE geparticipeerd in de onderhandelingen tussen Rusland en Tsjetsjenië?

Evenals de heer Hessing was de heer Gabor van mening dat de OVSE het alleszins verdient om verder uitgebouwd te worden. Hij kon zich niet vinden in het gestelde dat de institutionele opbouw achter de rug is. Het vijfde voorstel van Nederland met betrekking tot de Parlementaire Assemblée wijst immers op het tegendeel. Het is goed dat deze kwestie op de agenda staat, maar wat zal de inzet van de minister in dezen zijn?

De CDA-fractie kan zich geheel vinden in de vijf Nederlandse voorstellen. Het is goed dat de minister zich zo actief opstelt om Nederland een positieve rol te laten spelen.

De heer Valk (PvdA) sloot zich aan bij de vragen van de heer Hessing over het EVM. Dat het Kinkel-Kooijmans-initiatief is afgewezen, betekent toch niet het einde van dit initiatief? Welke acties worden er ontplooid om het initiatief weer op de agenda te zetten en er voldoende steun voor te verwerven?

Is tijdens de jongste Ministeriële Raad inderdaad gesproken over het Moskou-mechanisme? Het leek de heer Valk dat er alles aan moet worden gedaan om te voorkomen dat dit mechanisme een papieren mechanisme wordt.

Kan de minister iets meer meedelen over de werkzaamheden en resultaten van de diverse OVSE-missies in Oost-Europa in het algemeen en Tsjetsjenië in het bijzonder?

De bewindsman schrijft dat een uiterste inspanning moet worden gepleegd om vrije en eerlijke verkiezingen in Bosnië-Herzegovina zo dicht mogelijk te benaderen en dat, ondanks alle problemen, zo strikt mogelijk moet worden vastgehouden aan het oorspronkelijke tijdschema. De heer Valk meende echter dat er grote vraagtekens geplaatst moeten worden achter de vraag of inderdaad sprake zal zijn van vrije en eerlijke verkiezingen. Diverse rapporten maken melding van grote twijfels, vooral als het gaat om de verkiezingen in het Servische deel. Hij stelde vast dat het tijdschema nauwere relaties heeft met het terugtrekkingschema van de IFOR-troepen dan met de vraag hoeveel tijd er nodig is om eerlijke en vrije verkiezingen te kunnen organiseren. De heer Valk vroeg zich af wat nu beter is: het organiseren van verkiezingen waarvan op voorhand al bekend is dat ze niet vrij en eerlijk verlopen of de verkiezingen uitstellen omdat niet de garantie kan worden gegeven dat ze vrij en eerlijk verlopen. Hij wees erop dat de verkiezingsvoorbereidingen op grote schaal zijn gemanipuleerd en dat de democratische oppositie de mogelijkheid is onthouden om in de media een campagne te voeren.

Alles duidt erop dat de verkiezingen in Albanië niet volgens de regels zijn verlopen. Waarnemers van de OVSE hebben zo'n 300 stemlokalen bezocht en kregen sterke aanwijzingen van verkiezingsfraude en intimidatie. Hoe het is gegaan in de andere 4400 stemlokalen laat zich gemakkelijk raden. Het definitieve rapport van de OVSE moet nog verschijnen, maar het lijkt erop dat alles ervoor pleit de verkiezingen integraal over te doen. Een Nederlandse krant repte zelfs van een de facto staatsgreep in Albanië. De heer Valk zei zich grote zorgen te maken over de ontwikkelingen in dat land en meende dat harde druk van de OVSE en ook van de EU noodzakelijk is.

Mevrouw Roethof (D66) zei van degene, die het rapport van de waarnemingscommissie van de Parlementaire Assemblée over de verkiezingen in Albanië schrijft, te hebben vernomen dat het in de media geschetste beeld enigszins overtrokken is, ook al hebben zich op sommige plaatsen onregelmatigheden voorgedaan.

Het belang van de OVSE blijft overtuigend aanwezig. De OVSE is het enige forum dat een permanente dialoog met de GOS-landen mogelijk maakt. De OVSE biedt bovendien interessante mechanismen die escalaties moeten voorkomen. Hierbij valt vooral te denken aan de werkzaamheden van de HCNM, Max van der Stoel.

Mevrouw Roethof zei vervolgens de indruk te hebben dat het niet zo goed gaat met de OVSE. Het is niet te hopen dat de vacature van secretaris-generaal het gevolg is van een politieke impasse en dat het niet vervullen van die vacature een periode van stilstand inluidt. Wanneer vertrekt Hoynk en wat is er precies misgegaan met de sollicitatie van Gyarmati?

Het belang van het EVM ligt in het creëren van een bedding die de uitbreiding van de NAVO in oostwaartse richting minder pijnlijk maakt. Het is verheugend dat minister Primakov zich in Berlijn in goedgunstige zin heeft uitgesproken over een dergelijke uitbreiding, zij het dan dat hij doelde op een politieke en niet op een militaire uitbreiding. Wat kan de achterliggende gedachte van deze majeure beleidswijziging zijn? Komt Midden-Europa in een Franse positie terecht terwijl Frankrijk opschuift naar een «gewone» (militair geïntegreerde) positie?

Het was mevrouw Roethof niet geheel duidelijk hoeveel betekenis aan de NAVO-top in Berlijn moet worden gehecht. Over het concept van de CJTF werd per slot van rekening al twee jaar onderhandeld. Welke gevolgen kunnen de uitkomsten van de NAVO-top hebben voor de OVSE? Kan de minister iets specifieker zijn over de inzet van Nederland bij het ontwerpen van het EVM voor de 21ste eeuw? Hoe verhoudt in die visie de OVSE zich tot de NAVO?

Nederland heeft op een vijftal terreinen initiatieven ontplooid. Vooral de versterking van de milieu-aspecten en de rol van de Parlementaire Assemblée spreken de fractie van D66 zeer aan. Mevrouw Roethof miste echter de economische aspecten van de veiligheid. In sommige Oosteuropese landen gaat het in economisch en dus ook in sociaal opzicht nog veel slechter dan voor 1989. Dat brengt behalve heimwee naar de communistische tijd ook meer directe veiligheidsrisico's met zich mee (handel in nucleair materiaal). Het gerucht gaat dat presidentskandidaat Zjirinovski contacten heeft met misdaadsyndicaten. Is alleen een seminar over de milieu-aspecten niet te mager?

De overige drie voorstellen van Nederland sluiten goed aan bij de klassieke OVSE-taken. Dat geldt met name voor het voorstel met betrekking tot vredeshandhaving onder mandaat van de OVSE, waarbij de NASR of het PFP ondergeschikt zouden kunnen worden aan de OVSE. Kan de minister toelichten wat hij in Berlijn heeft gezegd over de optie de NASR klassieke vredesoperaties te laten uitvoeren onder OVSE-vlag? Is er echter nog wel een dergelijke taak weggelegd voor de OVSE na IFOR? In Bosnië zijn Russische troepen gestationeerd die feitelijk onder NAVO-commando staan. Is daarmee de OVSE als intermediaire structuur niet achterhaald door de praktijk?

Op de Top in Helsinki in 1992 is afgesproken dat de OVSE op twee manieren aan peacekeeping zal doen. In de eerste plaats zou de OVSE dat zelf kunnen doen, met inschakeling van bijvoorbeeld de NASR of andere organisaties. In de tweede plaats door de NAVO of de WEU te mandateren. Zit de eerste mogelijkheid na het mislukken van de vredesmissie naar Nagorno-Karabach er nog wel in? Indachtig het Kinkel-Kooijmans-initiatief vroeg mevrouw Roethof ook of het nog het streven van de regering is om van de OVSE een regionaal arrangement te maken, dat krachtens hoofdstuk 8 van het VN-handvest eerst tot conflictbeslechting overgaat alvorens de hulp van de VN in te roepen.

Ingaande op de civiele kant van het akkoord van Dayton vroeg mevrouw Roethof of de minister het uitstel van de verkiezingen in Mostar tot 30 juni betreurt. Het is zeer zorgelijk dat de implementatie van de civiele aspecten ver achterblijft bij de militaire inspanningen. Over de ombudsman wordt bijvoorbeeld zeer weinig vernomen. Kan de minister iets vertellen over zijn gesprek met de plaatsvervanger van de ombudsman? De kritische fax van het Helsinki-comité, dat onlangs op een factfinding missie is geweest, zal de minister ongetwijfeld bereikt hebben. Het comité pleit voor uitstel van de verkiezingen. Het risico om een etnisch gezuiverde situatie met zogenaamd vrije verkiezingen te legitimeren is inderdaad zeer groot. Ook de voorzitter van het Joegoslavië-tribunaal vindt dat die verkiezingen er niet moeten worden doorgedrukt. Evenals de heer Valk plaatste mevrouw Roethof vraagtekens bij het laten houden van de algemene verkiezingen op 14 september. Is er nu werkelijk geen enkele ruimte voor enig respijt, in ieder geval genoeg om onafhankelijke berichtgeving een kans te geven en de vrijheid van beweging en telefoonverkeer enigszins te herstellen? Is het overigens nog steeds de OVSE die het tijdstip van de verkiezingen bepaalt of is die rol inmiddels door de EU overgenomen. In de pers staan ietwat verwarde berichten over verantwoordelijkheden en coördinatieproblemen. Krijgt Ed van Thijn voldoende medewerking en waaruit bestaan precies zijn taken en die van de Amerikaanse ambassadeur Frowick? Kan de minister iets vertellen over de uitkomsten van de voorbereidende bijeenkomst in Warschau? Er zullen namens de Parlementaire Assemblée zo'n 250 waarnemers worden gezonden. Klopt het dat bij de OVSE zelf plannen bestaan om maar liefst 2000 waarnemers naar Bosnië te zenden? Kan men daar zo'n massale toeloop wel aan? De veiligheidsaspecten zijn door de talrijke mijnen niet optimaal en het zal vrijwel onmogelijk zijn om voor vervoer e.d. te zorgen. Heeft het bovendien wel erg veel zin om 2000 waarnemers te sturen voor het observeren van 4000 stemlokalen? Wat de fractie van D66 betreft kan dit aantal omlaag. Een hechte samenwerking tussen de Parlementaire Assemblée en de heren Van Thijn of Frowick is dringend gewenst.

Ten slotte merkte mevrouw Roethof op erg ingenomen te zijn met de poging van de Nederlandse regering om de interactie tussen de Parlementaire Assemblée en de Ministeriële Raad te bevorderen. Zij had tijdens een vergadering van het expanded bureau van de Parlementaire Assemblée aangedrongen op een verkorting van de resoluties van de assemblée opdat, als ze door de raad worden besproken, er ook iets te bespreken valt. Ook had zij geopperd dat het voor de controle van de regeringen erg nuttig zou kunnen zijn, de leden van de assemblée vraagrecht te geven. Deze wens viel in vruchtbare aarde en zal vermoedelijk in een van de drie Stockholm-resoluties terug te vinden zijn.

Het antwoord van de minister

De minister meende dat niet gesteld kan worden dat het slecht gaat met de OVSE. Deze organisatie, die tot nu toe redelijk onbelicht was, krijgt meer en meer belangstelling. De OVSE is het middel bij uitstek om een vertrouwenwekkende situatie te creëren in Europa; als de NAVO zich gaat uitbreiden, is het van groot belang samenwerkings- en overlegstructuren te zoeken.

In voormalig Joegoslavië kan de OVSE bewijzen wat zij kan. De keuze tussen vasthouden aan of uitstel van de verkiezingsdatum in Bosnië is een keuze tussen risico's. Het vasthouden aan de verkiezingsdatum heeft inderdaad een relatie met de strategie van de VS ten aanzien van IFOR. De minister meende dat, als de verkiezingen worden uitgesteld, de druk om daadwerkelijk verkiezingen te houden te laag en de kans op (het uitvechten van) onderlinge geschillen te groot wordt. Bovendien geeft uitstel niet de garantie dat er wel eerlijke en vrije verkiezingen zullen worden gehouden. Uitstel is verder niet conform het verdrag van Dayton en draagt het risico in zich dat ook op andere punten van het verdrag wordt afgeweken. Dit alles brengt velen ertoe in arren moede er toch maar voor te pleiten de verkiezingen door te laten gaan, ook al valt er nog veel op aan te merken. Zij vinden het beter om in onvolkomenheid voort te gaan dan de risico's, verbonden aan uitstel, te lopen. De heer Bildt deelt ondertussen die mening en ook de minister vond dat moet worden vastgehouden aan de verkiezingsdatum van 14 september 1996. Hij wees er nog op dat de verkiezingen niet de afsluiting maar het begin zijn van een democratiseringsproces dat nog heel wat tijd zal vergen. Als echter sprake is van evidente onvrijheid en fraude, moet een heroverweging plaatsvinden. Toegang tot de media is een cruciale zaak; particulieren uit omringende landen (waaronder Zwitserland) verzorgen op dit ogenblik uitzendingen die overal in voormalig Joegoslavië ontvangen kunnen worden. Het oppakken van oorlogsmisdadigers wordt door velen gezien als een voorwaarde voor een gunstig verkiezingsklimaat. In de diverse gremia blijkt in toenemende mate de neiging om de IFOR zodanig te laten functioneren dat de bewegingsvrijheid van deze oorlogsmisdadigers steeds kleiner wordt.

De heer Van Thijn, die niet onder maar naast Frowick staat, heeft de indruk dat er 2000 à 2500 waarnemers nodig zijn. Er zijn 4000 stemlokalen en het leek de minister dan ook dat dit aantal niet te groot is. Nederland zal zo'n 100 waarnemers sturen.

Ellerman Jensen heeft zijn bedelactie beëindigd en heeft ongeveer 50 mln. dollar bij elkaar gesprokkeld. Het initiatief in dezen is van de OVSE uitgegaan. Dat is wellicht maar goed ook, want de EU krijgt ongetwijfeld nog enkele andere rekeningen gepresenteerd.

De discussie over het EVM krijgt zo langzamerhand enige vaart, al zal het niet lukken hierover al in juli een seminar te houden. Dat seminar is nu gepland in het najaar. Vermoedelijk zullen de EU-voorstellen in september in Wenen worden gepresenteerd.

Nederland heeft in de voortgaande EVM-discussie vijf voorstellen gedaan en is bij vier daarvan tot chef de file benoemd. Aan die voorstellen ligt het concept van de comprehensive security ten grondslag. De minister kon in essentie instemmen met de inhoud die de heer Hessing aan dit begrip wenst te geven. Met name het voorstel met betrekking tot vredeshandhaving onder mandaat van de OVSE achtte de minister een belangwekkend voorstel. Veel landen hebben belangstelling getoond voor dit voorstel, dat behelst het beter toerusten van het NASR/PFP-raamwerk om de OVSE de noodzakelijke operationele capaciteit voor traditionele vredeshandhaving te bieden. Op basis van de Verklaring van Helsinki kan de OVSE een beroep doen op de NAVO of op de WEU, maar dat gebeurt natuurlijk niet omdat er in de OVSE landen zitten die niet genegen zijn een beroep te doen op de NAVO. Dat blijkt bijvoorbeeld in voormalig Joegoslavië, waar de Russische troepen niet onder de commandoverantwoordelijkheid van de NAVO vallen, ook al is het voornamelijk de NAVO die IFOR aanstuurt. Desgevraagd verklaarde de minister er voorstander van te zijn dat de OVSE het politieke mandaat krijgt, terwijl het militaire mandaat bij een uitvoerende coalition of the willing wordt gelegd. Het voorstel van Nederland strekt ertoe Rusland te betrekken bij de veiligheidssituatie in Europa, terwijl Rusland tegelijkertijd van het idee wordt afgeholpen dat het de eerst aangewezen partij is om vredesoperaties te ondernemen in het gebied van de voormalige Sovjet-Unie.

Noorwegen, Rusland en Nederland zijn bezig met de invulling van het milieu-onderdeel in het kader van het EVM. Het betreft hier voornamelijk de nucleaire gevaren in Noord-Europa. Thema's zijn de veilige ontmanteling van de Russische onderzeevloot, onderzoek in het nucleair proefgebied Nova Zembla en een early warning systeem voor nucleaire rampen in OVSE-gebied. Medio 1997 is een seminar voorzien.

Ingaande op het voorstel met betrekking tot de regionale veiligheidsprocessen merkte de minister op dat er een catalogus is opgesteld van vertrouwenwekkende maatregelen in zowel politieke, economische en culturele zin. Hij zegde toe de catalogus naar de Kamer te sturen.

Wat betreft de internationale rechtspersoonlijkheid van de OVSE is Oostenrijk chef de file. Op dit punt is ook Duitsland actief. Het is van belang dat OVSE-personeel diplomatieke bescherming geniet en ook de status van de HCNM-vestiging zou daardoor blijvend kunnen worden geregeld. Nederland is op zich niet tegen een codificering van het politiek acquis, maar realiseert zich dat dit een moeizame operatie zal worden omdat hiervoor goedkeuring is vereist van 55 parlementen, terwijl bovendien heronderhandelingen zullen moeten plaatsvinden.

Nederland doet zijn uiterste best om de rol van de Parlementaire Assemblée te versterken en vindt dat uitvoering moet worden gegeven aan de gemaakte afspraken. Uitvoering van het Boedapest-besluit voorziet in bespreking door het Permanente Comité van rapporten en aanbevelingen van de Parlementaire Assemblée. Over het voorstel met betrekking tot bespreking van aanbevelingen in het Comité van Ministers kon geen consensus worden bereikt. Sommige tegenstanders vinden het al te pijnlijk om in dat forum hun opvattingen kenbaar te maken. Waarschijnlijk zal de volgende situatie ontstaan: het Permanente Comité bespreekt de aanbevelingen van de Parlementaire Assemblée en brengt verslag uit aan het Comité van Ministers. Een grotere parlementaire betrokkenheid zal ongetwijfeld leiden tot vergroting van het draagvlak voor de (operationele) activiteiten van de OVSE. De minister zegde toe te zullen bevorderen dat de rapporten over het EVM naar de Parlementaire Assemblée worden gezonden.

De minister verklaarde desgevraagd niet exact op de hoogte te zijn van de standpunten van de andere landen met betrekking tot het EVM. Hij zegde toe de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang van de discussie en daarbij ook de inbreng van andere landen te betrekken. De discussie wordt thans in hoge mate bepaald door de voorstellen van Nederland.

Ingaande op het Kinkel-Kooijmans-initiatief merkte de minister op dat niet het achterliggende idee maar het consensus min twee-voorstel is afgewezen. Armenië was de tegenstemmer. Omdat de minderheid minimaal is, geeft Nederland de moed niet op en zal dit punt opnieuw aan de orde worden gesteld in Lissabon. Uiteraard zal daartoe contact moeten worden opgenomen met tegenstemmer Armenië. De agenda van deze vergadering zal overigens op tijd naar de Kamer worden gestuurd.

Nederland was voorstander van benoeming van Gyarmati tot secretaris-generaal van de OVSE, maar Slowakije heeft zich tot het laatst toe tegen deze kandidaat verzet. In OVSE-verband geldt de consensusregel – met alle problemen vandien – en daarom heeft Nederland eieren voor zijn geld gekozen en uiteindelijk de Italiaanse kandidatuur gesteund.

De OVSE heeft tot het laatste moment geparticipeerd in het overleg over Tsjetsjenië, hetgeen door de Russen – in tegenstelling tot een halfjaar geleden – zeer op prijs werd gesteld.

Het Moskou-mechanisme is alleen relevant in belangrijke kwesties, maar helaas heeft het nog niet als zodanig gefunctioneerd. Het is niet officieel aan de orde geweest tijdens de Ministeriële Raad. Toepassing van dat mechanisme op Turkije is tot twee keer toe afgewezen.

OVSE-missies zijn thans werkzaam in Midden- en Oosteuropa: Estland, Letland, Oekraïne, Kroatië, Macedonië, Bosnië, Moldavië, Georgië en Tsjetsjenië. Missies in Kosovo, Sandjak en Vojvodina zijn opgeschort.

De Ministeriële Raad was zeer aangenaam getroffen door de opstelling van Primakov met betrekking tot de (politieke) uitbreiding van de NAVO. Kennelijk is deze uitbreiding een minder groot issue in de Russische verkiezingen dan aanvankelijk werd verondersteld.

Als het om welke reden dan ook niet zal lukken de verkiezingen in Mostar eind juni te laten plaatsvinden, zal aansluiting moeten worden gezocht bij de algemene verkiezingen in september.

Wat betreft de verkiezingen in Albanië zal het ODIHR-rapport worden afgewacht. Deze kwestie ligt thans ter bespreking voor in verschillende gremia en de minister had niet de indruk dat het algemene gevoelen is dat de verkiezingen moeten worden teruggedraaid. Als blijkt dat in sommige districten zwaar gefraudeerd is, zou kunnen worden overwogen daar de verkiezingen opnieuw te laten plaatsvinden. De minister zegde toe de Kamer van de bevindingen van het ODIHR-bureau te doen toekomen. Nederland zal zijn standpunt in het internationale overleg in ieder geval baseren op dat rapport.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Bukman

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Linden (CDA), Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), H. Vos (PvdA), Van Traa (PvdA), ondervoorzitter, Verspaget (PvdA), De Hoop Scheffer (CDA), Ybema (D66), Apostolou (PvdA), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Sipkes (GroenLinks), Bukman (CDA), voorzitter, Boogaard (groep-Nijpels), Woltjer (PvdA), Hessing (VVD), Van den Bos (D66), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), Verhagen (CDA), Roethof (D66), Rouvoet (RPF), Van den Doel (VVD).

Plv. leden: Leers (CDA), Bremmer (CDA), Korthals (VVD), Van der Stoel (VVD), Voûte-Droste (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Dijksma (PvdA), Lilipaly (PvdA), Gabor (CDA), De Graaf (D66), Van Gijzel (PvdA), Van den Berg (SGP), Houda (PvdA), Rosenmöller (GroenLinks), Deetman (CDA), Hendriks, Van Oven (PvdA), Hoogervorst (VVD), Dittrich (D66), Hillen (CDA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van Waning (D66), Leerkes (Unie 55+), Bolkestein (VVD).

Naar boven