nr. 313
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 17 augustus 1995
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 21 augustus 1995.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 20 september 1995.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 10 april 1995 te Minsk tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de Republiek Belarus inzake luchtdiensten tussen en via
hun onderscheiden grondgebieden, met Bijlage (Trb. 1995, 140).1
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
Toelichtende nota
De luchtvaartrelatie met Belarus werd voordat Belarus in 1991 zelfstandig
werd, geregeld in de op 17 juni 1958 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst
tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Unie van Socialistische Republieken
betreffende luchtdiensten (Trb. 1958, 89). Het onderhavige verdrag treedt
daarvoor in de plaats.
Het verdrag gaat uit van enkelvoudige aanwijzing, hetgeen wil zeggen dat
één enkele luchtvaartmaatschappij per land wordt aangewezen
voor het uitvoeren van de luchtdiensten. De aanwijzing aan iedere zijde van
die luchtvaartmaatschappij geschiedt, zoals internationaal gebruikelijk is,
door de Verdragsluitende Partijen (artikel 4).
Artikel 12 geeft de maatschappijen de mogelijkheid om op het grondgebied
van het andere land verdiende gelden naar het eigen land over te maken.
Voor het overige bevat het verdrag de op luchtvaartgebied gebruikelijke
bepalingen.
De bijlage bij het verdrag geeft in de eerste plaats aan dat de aan te
wijzen luchtvaartmaatschappijen vanuit elk punt in Nederland naar elk punt
in Belarus mogen vliegen en omgekeerd, met inbegrip van tussenliggende en
verder gelegen punten, zonder uitoefening van 5e vrijheidsrechten (vervoersrechten
op genoemde punten). De uitoefening van 5e vrijheidsrechten is afhankelijk
van de goedkeuring van de burgerluchtvaartautoriteiten van beide landen.
De bijlage, die een integrerend onderdeel van het verdrag vormt, is voorzover
het de routes betreft, aan te merken als zijnde van uitvoerende aard. Verdragen
tot wijziging van de bijlage voor wat betreft de routes behoeven derhalve
op grond van artikel 7, onderdeel f, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking
verdragen geen parlementaire goedkeuring, tenzij de Staten-Generaal zich thans
het recht tot goedkeuring voorbehouden.
Het verdrag is voor wat het Koninkrijk betreft, evenals het verdrag van
1958, alleen op Nederland van toepassing. Het verdrag wordt vanaf 10 mei 1995
voorlopig toegepast, hetgeen noodzakelijk werd geacht met het oog op de reeds
aangevangen lijndiensten tussen beide landen.
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet
op de Raad van State).
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo