24 247
Uitgangspunten voor cultuurbeleid

nr. 4
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 december 1995

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft op 22 november 1995 overleg gevoerd met staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de notitie «Pantser of Ruggegraat» uitgangspunten voor cultuurbeleid (24 247, nr. 1). Hierbij waren de volgende documenten aan de orde:

– de brief van staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 1 juni 1195 ter aanbieding van het rapport-Berenschot over de positie van de podiumkunsten in Nederland (OCW 95-616);

– de brief van staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 6 juli 1995 inzake de problematiek van machineleesbare gegevensbestanden (OCW 95-744);

– de brief van staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 21 augustus 1995 inzake het behoud van papieren materialen in archieven en bibliotheken (21 443, nr. 5);

– de brief van staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen d.d. 16 november 1995 over flexibilisering van het cultuurbudget en een standpuntbepaling over het rapport-Berenschot over de positie van de podiumkunsten (24 247, nr. 2).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA) miste in de aanbiedingsbrief bij de notitie een verwijzing naar de toezegging dat de Kamer voorafgaand aan de adviesaanvrage bij de Raad voor Cultuur over beleidsuitgangspunten voor een nieuwe cultuurnota zou kunnen spreken. Wordt die adviesaanvrage aan de Kamer toegezonden, opdat alsnog kan worden voldaan aan de toezegging? Hoewel zij over de stijl van de notitie zeer te spreken was, moest het haar van het hart dat zij als discussiestuk wel deuren opent, maar weinig specifiek is over beleidsprioriteiten en concrete keuzes. Graag zag zij dan ook dat haar opmerkingen over de notitie werden betrokken bij de adviesaanvrage. Zij benadrukte dat informatieoverdracht zeer belangrijk is voor de toegang tot cultuur. Daartoe moet duidelijk zijn wat al dan niet behoort tot het publieke domein en op welke punten de overheid moet waken over een gelijke toegang voor alle burgers. Zij miste in de notitie een uiteenzetting over voordelen van de overgang van «Cultuur» naar het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Een samen met staatssecretaris Netelenbos te schrijven nota over kunst en educatie kan helaas pas over een jaar worden verwacht. Zijn andere concrete samenwerkingsprojecten te noemen?

In het licht van de eerdere discussies naar aanleiding van het regeerakkoord, waardeerde mevrouw Van Nieuwenhoven het zeer dat al in 1996 30 mln. extra kan worden ingezet voor cultuur. Hoe wordt het in de brief van 16 november geschetste voorstel tot flexibilisering van het cultuurbudget uitgewerkt? Welke overwegingen liggen aan deze keuze ten grondslag? Wordt van alle meerjarige subsidietoezeggingen vooralsnog 3,75% gereserveerd voor onvoorziene omstandigheden? Om welk bedrag gaat het dan en wat moet worden verstaan onder «onvoorzienbare ontwikkelingen van culturele of algemeen financiële aard»? Ook zou kunnen worden overwogen om nieuwe subsidies niet direct voor vier jaar toe te kennen, maar ze na één of twee jaar eerst te evalueren. Zij begreep dat via flexibilisering van het cultuurbudget wordt getracht ook de fondsen in de vierjarige periode min of meer op peil te houden, maar wel wees zij er in dat verband op dat de Rekenkamer recent heeft gerapporteerd dat de rijksoverheid heeft verzuimd criteria op te stellen voor toetsing en evaluatie van beleidsuitgangspunten. Tot nu toe is hier niets aan gedaan. Hoe staat het daarmee? Moet dit alles niet worden betrokken bij de adviesaanvrage? Zeker in een sector als cultuur behoort die tevens van financiële aard te zijn.

Mevrouw Van Nieuwenhoven waardeerde het zeer dat uit de uitwerking van hoofdlijnen in de notitie blijkt dat prioriteit wordt gegeven aan een betere toerusting van jongeren op cultuurgebied. In aanvulling hierop zou bij de adviesaanvrage eigenlijk al beschikt moeten kunnen worden over de nota over kunst en educatie. Om de deelname van jongeren aan cultuur vast te stellen is een nauwkeurige definitie van dat begrip nodig. Veel jongeren zijn betrokken bij popmuziek. Dat zou de overheid verder kunnen stimuleren, zo nodig in samenwerking met VROM, in verband met problemen op het gebied van geluidhinder. Ook kan het CJP worden uitgebreid. Node miste zij in dit verband iets over de bibliotheek als opslagplaats van cultuur en als cultuurcentrum. Zij vroeg aandacht voor berichten als zouden gemeenten door bezuinigingen weer contributie heffen voor jongerenabonnementen.

Complimenten had mevrouw Van Nieuwenhoven voor de tekst van de hoofdlijn «Intercultureel». Wel waarschuwde zij ervoor dat niet net moet gedaan alsof al bekend is hoe op dit gebied verder moet worden gegaan. Iedereen vindt dat er meer aandacht aan moet worden besteed en ook is er bereidheid om desnoods extra geld voor dit doel uit te trekken, maar over de vraag hoe dit precies vorm te geven, wordt nog volledig in het duister getast. Laat staan dat al bekend zou zijn welke voorkeuren er leven bij al die verschillende groepen uit andere landen. In dit verband wees zij erop dat het in kringen van jongeren goed mogelijk blijkt om op muziekgebied dingen samen te doen. Zou het niet goed zijn om in de komende jaren geld vrij te maken voor kleine, experimentele projecten? Daarbij moet vooral worden gestimuleerd wat er al is. Op grond van de daarmee opgedane ervaring kan later tot een grootschaliger aanpak worden gekomen. Ook vroeg zij aandacht voor samenhang met het grote-stedenbeleid.

In de hoofdlijn «Cultureel stadsleven» krijgen steden de betekenis van regionaal centrum en kweekplaats voor kunst en cultuur. Heel verstandig vond mevrouw Van Nieuwenhoven het dat niet wordt aangegeven hoe groot steden daartoe moeten zijn. Dan brandt namelijk onmiddellijk de discussie los over de vraag welke steden er wel en niet voor in aanmerking kunnen komen. Zij ging ervan uit dat wordt begonnen op plaatsen waar projecten aanwezig zijn, waar (in convenanten) afspraken te maken zijn, iets kan worden gestimuleerd en men ook zelf met iets komt. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Waarom kiest hij in zijn reactie op het rapport-Berenschot over podiumkunsten tegen alle adviezen in toch voor een programmeringsfonds? In een reactie op de notitie geeft de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen (VNT) een nogal afwijkende visie op gepresenteerde cijfers. Leidt dit tot nader overleg of wellicht tot bijstelling van de notitie? Hoe oordeelt de staatssecretaris in dit licht over het rapport-Berenschot? Waren ook ander keuzes mogelijk? Dat de keuze nu duidelijk is, voorkomt in ieder geval veel strijd bij de voorbereiding van de nieuwe cultuurnota.

Mevrouw Van Nieuwenhoven kondigde aan dat haar collega Valk bij de komende behandeling van de Herijkingsnota nog in zal gaan op de hoofdlijn «Internationaal: vrijhaven». Zorgen over een goede afstemming tussen het ministerie van OCW en dat van Buitenlandse Zaken kunnen in dat debat worden weggenomen, als de minister van Buitenlandse Zaken bereid is uit te spreken dat de staatssecretaris van OCW het voortouw heeft op cultuurgebied. In de vestiging van een Holland Huis in Brussel zag zij niet veel, gezien de geringe afstand tot Nederland. Als er al geld voor vrijkomt, zag zij meer in vestiging van een Holland Huis in Berlijn of Londen. Hoe dan ook mag dit niet ten koste gaan van het Institut Néerlandais te Parijs.

In de hoofdlijn «De talen en de taal» miste mevrouw Van Nieuwenhoven node uiteenzettingen over de rol van bibliotheken, over het verband tussen volwasseneneducatie en taal, over leesbevordering, over de moeilijke positie van Nederlandse uitgevers en over de problemen van hoorspel- en scenarioschrijvers. Zij ging ervan uit dat deze tekortkoming een gevolg is van de terughoudendheid van de staatssecretaris om als literator deze sector te verheerlijken. Wil hij aan genoemde punten uitgebreider aandacht besteden in de adviesaanvrage?

In de adviesaanvrage moet een duidelijk standpunt worden ingenomen over het in de hoofdlijn «De makers en de verkenners» aan de orde komende kunstvakonderwijs, de selectie en de uitstroomproblemen. Hoever is het kabinet met de voorbereiding van de wet inkomenspositie kunstenaars (WIK)? Het deed mevrouw Van Nieuwenhoven goed in de notitie het begin te kunnen bespeuren van het nemen van enige afstand van de manier waarop in het verleden met het begrip kwaliteit werd omgegaan. Het diende als ondoordringbaar pantser voor de kunst met de grote «K». Kwaliteit moet uiteraard maatstaf blijven, maar het pantser dat het vormt, moet doorbroken kunnen worden. In dat verband miste zij beschouwingen over kunstzinnige vorming en amateuristische kunstbeoefening. Juist langs deze wegen komen mensen tot cultuur en wordt het pantser rondom de kunst met de grote «K» wat beter doordringbaar. In de convenanten met de lagere overheden zou kunnen worden opgenomen dat goede afspraken met buitenschoolse instellingen voor kunstzinnige vorming gemaakt moeten worden.

In verband met de hoofdlijn «De toekomst van het verleden» vroeg mevrouw Van Nieuwenhoven naar de financiering van de monumentenzorg. De aandacht moet niet beperkt blijven tot de economische of de toeristische waarde van het monument. Het heeft ook een eigen, intrinsieke waarde. Zij waardeerde het dat dit jaar incidenteel 20 mln. beschikbaar komt voor de musea. Zeker ook omdat er nog het nodige achterstallig onderhoud is aan wetenschappelijke collecties, zou zij het betreuren als mocht blijken dat het in dezen eigenlijk gaat om het wegwerken van achterstallig onderhoud van de Rijksgebouwendienst. Zo ja, is de minister van VROM hier krachtig op aangesproken? De privatisering laat de verantwoordelijkheid van het Rijk voor collectievorming en voor samenwerking tussen de diverse musea toch onverlet? Verder wees zij nog op bestaande problemen in de archeologie, het bodemonderzoek en de audiovisuele archieven. Hoe staat het met het Deltaplan Cultuurbehoud?

Bij de bespreking van de hoofdlijn «Kwaliteit op nieuwe wegen» ging mevrouw Van Nieuwenhoven uit van de motie-Van Zuijlen (24 400-VIII, nr. 30). De daarin bedoelde extra investering schept een zekere ruimte voor de cultuurnota. Daarbij bestaande bestuurlijke problemen zijn er om te worden opgelost. Het zou goed zijn als dit bij de adviesaanvrage werd betrokken. Wat is in de recente vergadering van de EU-Cultuurraad besloten over het beschikbaar stellen van budgetten voor filmprodukties? Is het juist dat de lidstaten die budgetten met nogal forse bedragen zullen moeten aanvullen? Waar moet dat geld vandaan komen? Vooralsnog leek het haar goed om op dit gebied toch activiteiten te ontplooien. Via een goede prioriteitstelling kan op die manier een aantal beleidsuitgangspunten worden gecombineerd.

Mevrouw Van Nieuwenhoven betreurde het dat in het kader van de BTW-operatie wel afspraken zijn te maken met commerciële instellingen, maar niet met de gesubsidieerde. In dit verband wees zij op de amendementen-Van Zuijlen c.s. (24 463, nrs. 7 en 9) betreffende de positie van de podiumkunsten en de musea in het kader van de BTW-operatie. Hoe staat het met het overleg met de podiumkunsten over deze zaak? Noopt de toenemende cultuursponsoring niet tot het formuleren van criteria en subsidieregels? Gaat de adviesaanvrage hier ook op in? Zij nodigde de staatssecretaris uit in dit algemeen overleg uit te spreken dat Rotterdam bij de eerstvolgende gelegenheid culturele hoofdstad van Europa moet kunnen worden. Omdat in de notitie de architectuur nogal onderbelicht blijft, deed het haar goed dat is aangekondigd dat samen met de ministeries van VROM en van LNV aandacht zal worden besteed aan de natuurlijke omgeving van mensen, voor zover dat culturele zingeving betreft.

Mevrouw Van Nieuwenhoven sloot haar betoog af met een verwijzing naar de bundel «Luisteraars» waarin Karel van 't Reve constateert dat er geen culturele pretentie meer is omdat mensen niet meer uitgaan van een gelijke kennis van culturele waarden. Er zijn geen dingen meer die iedereen geacht wordt te weten. Bijvoorbeeld in het onderwijs is dat heel lastig. Echter, mensen weten wel een heleboel verschillende dingen. Dat mag lastig zijn in het onderwijs en als je nog wenst uit te gaan van één culturele pretentie, maar het kan ook positief zijn. Er zijn dan ook andere referentiekaders. Vooral in het intercultureel beleid moet van dit laatste worden uitgegaan. Soms is men wel eens te bang voor het feit dat niet meer alleen het Geuzenvendel het symbool is van onze culturele pretentie, maar ook de Koninklijke familie, Lucky Luke, Asterix, Kuifje of de popmuziek.

De heer Beinema (CDA) beaamde dat de notitie is geschreven in een persoonlijke, veelal fraaie en soms zelfs bevlogen stijl. Toch voldoet zij niet in elk opzicht aan de gewekte verwachtingen. In de aanbiedingsbrief opent de staatssecretaris veelbelovende vergezichten als het gaat om de overgang van «Cultuur» naar het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, maar bij nader inzien blijven die veelal gehuld in nevelen die een goed zicht op de beleidsvoornemens belemmeren. Het debat over deze notitie kan dan ook geen richtsnoer opleveren voor alle bij de cultuur betrokkenen.

Ultra-kort samengevat wordt cultuur in de notitie omschreven als «zingeving». De heer Beinema voegde daaraan de notie «vormgeving» toe, gedachtig die artistieke stromen die, met verwaarlozing van de vorm, tot vrijwel rechtstreeks filosoferen willen uitlokken. Hij ging ervan uit dat de keuze om cultuur niet als een pantser te gebruiken vooral voortkomt uit de voorkeur van de persoon van de staatssecretaris. De bewindsman zal zich moeten houden aan de in de notitie omschreven overheidstaak ten opzichte van cultuur: het handhaven van de vrijheid van godsdienst, van meningsuiting, van de verbeelding. Dat betekent dat de overheid burgers die aan deze veiligheid behoefte hebben, toestaat hun cultuur als een pantser te dragen, zolang zij anderen daarmee niet beschadigen. Hoewel ook de heer Beinema cultuur niet als een pantser zag, gaf hij er toch een wat ander accent aan door te stellen dat cultuur niet mag verworden tot instrument van haatdragend fundamentalisme, maar wel mede het fundament behoort te vormen van de identiteit van het individu, van een groep, van een stroming, van een volk. Cultuur als uitingsvorm van fervent nationalisme is rampzalig en verwerpelijk, maar cultuur die (zonder pantser te zijn) bijdraagt aan het besef van nationale identiteit en een nationaal gevoel van eigenwaarde, is weldadig en prijzenswaard. Tegen deze achtergrond prees hij de onlangs door de heer Bolkestein gedane suggestie om het spelen van klassieke Nederlandse toneelstukken te bevorderen. Dit zou kunnen worden uitgebreid tot het ten gehore brengen van Nederlandse composities. Daarbij dacht hij niet aan dwangmatige stimulering via subsidievoorwaarden, maar meer aan uitlokking door middel van premies.

Hoofdstuk II van de notitie (Middelen, markt en subsidie: naar een nieuw evenwicht) vond de heer Beinema weinig concreet. Welke gevolgen zal het in dit hoofdstuk gestelde hebben voor het programmabeleid van een gezelschap waarvan bepaalde functies nog wel, maar andere niet meer worden gesubsidieerd? De in het rapport-Berenschot betreffende podiumkunsten bepleite wisseling van een aanbodgericht naar een vraaggericht beleid brengt het risico met zich mee dat het oude evenwicht verloren gaat, zonder dat een nieuw wordt gevonden. Vergaande marktgerichtheid verdraagt zich immers moeilijk met het gegeven dat cultuur geen gewone koopwaar is. Het deed hem dan ook goed dat de staatssecretaris in zijn brief van 16 november jl. deze koerswijziging afwijst. Gezien onvruchtbare pogingen in het verleden deed het hem ook goed dat thans wordt erkend dat adviescommissies het gevaar lopen vroeg of laat in eenzijdigheid te vervallen en dat men zich bezint op compenserende maatregelen die verschraling van artistieke verscheidenheid en maatschappelijke pluriformiteit kunnen voorkomen. Daarbij kan o.a. worden gedacht aan het hernemen van eigen budgettaire beleidsruimte. Dat moet worden gefinancierd uit de in het vooruitzicht gestelde verhoging van het kunstenbudget met 60 mln. en niet uit een korting op de budgetten van de fondsen of de meerjarige subsidies van de instellingen. Daarmee beschikt de staatssecretaris dan tegelijkertijd over de door hem gewenste armslag voor vernieuwing.

Dat de eerste uitgewerkte hoofdlijn in de notitie de culturele en kunstzinnige vorming van de jeugd betreft, juichte de heer Beinema toe. Op dit terrein geldt immers: niet jong geleerd, zelden oud gedaan. Het beroep op de podiuminstellingen om zich nog meer in te spannen bij het bereiken van jongeren, deelde hij. Het is een goed teken dat in grote en kleine steden de samenwerking tussen muziekscholen, creativiteitscentra en het reguliere onderwijs groeit. De financiering van dit soort activiteiten blijkt echter kwetsbaar te zijn. Wil de staatssecretaris zich in zijn gesprekken met VNG en IPO een warm pleitbezorger tonen voor deze gedecentraliseerde fundamentele cultuurvoorzieningen? Het voornemen tot gemengde financiering ervan vond hij sympathiek.

Met het voornemen om emigranten extra steun te verlenen voor hun kunst- en cultuuruitingen stemde de heer Beinema van harte in, gezien het grote belang van hun integratie, zowel voor henzelf als voor de Nederlandse samenleving. Dat mag echter niet ten koste gaan van en is ook niet gebaat bij losraken van de eigen culturele wortels. Aandacht vroeg hij voor de klacht dat Nederlandstalige boeken die vooral voor Surinamers bestemd zijn, niet door bibliotheken worden aangeschaft. Wordt aan dit soort problemen aandacht geschonken bij het onderzoek naar de collectievorming door bibliotheken? Zorgen maakte hij zich over de mate waarin activiteiten op het gebied van leesbevordering aanslaan onder de allochtone bevolkingsgroep.

Dat de staatssecretaris in zijn notitie met tevredenheid constateert dat verschillende steden buiten de Randstad zijn uitgegroeid tot culturele ontmoetingsplaatsen van allure, vond de heer Beinema niet verwonderlijk, omdat hij zich in het verleden opwierp als een van de vaste woordvoerders van de ruime kamermeerderheid (die de grens tussen oppositie en coalitie overschreed) die wilde voorkomen dat het eenzijdige culturele accent op de Randstad te zeer in mindering werd gebracht op de spreiding over de regio's. Hoe krijgen de grote en ook kleinere steden meer aandacht in het beleid? De oproep aan buiten de Randstad gevestigde culturele instellingen om daar niet alleen gehuisvest te zijn, maar zich er ook echt thuis te voelen, steunde hij. Ook juichte hij het voornemen toe om de intermediaire functie te versterken van organisaties als Theater Netwerk Nederland, de Stichting Jazz in Nederland, het Nederlands Impressariaat en de Stichting Popmuziek Nederland, die inmiddels ook al tot nauwere samenwerking zouden hebben besloten. Node miste hij in de hoofdlijn over cultuur in steden (en ook dorpen, zo voegde hij eraan toe) aandacht voor de amateuristische kunst. In dit verband riep hij de staatssecretaris op, snel met zijn collega van VROM een oplossing te zoeken voor problemen waarin muziekgezelschappen zijn gebracht door nieuwe toepassingen van bestaande geluidhindervoorschriften.

Het was de heer Beinema niet geheel duidelijk wat in de hoofdlijn «Internationaal: vrijhaven» bedoeld wordt met de passage:

«De middelen zullen meer worden gericht op plekken in de wereld waar een Nederlandse presentie een zo groot mogelijk effect kan sorteren. Doelstellingen en prioriteiten van het internationale cultuurbeleid wegen daarbij mee. In beginsel ben ik bereid te zoeken naar aanvullende middelen voor het beleid.» (pag. 20)

Op welke effecten wordt gedoeld en waarin zijn die uit te drukken? Doet de tweede zin geen afbreuk aan de eerste; het sorteren van een zo groot mogelijk effect is immers de hoofddoelstelling, eerste prioriteit?! De laatste zin vond hij wel erg behoedzaam geformuleerd. Hoe denkt de collega van Buitenlandse Zaken hierover? Voor vestiging van een Holland Huis in Berlijn of Londen voelde hij niet veel. Liever zag hij dan dat geld aan activiteiten werd besteed. Aantasting van het Institut Néerlandais in Parijs moet worden voorkomen. Wel voelde hij voor een Holland Huis in Brussel. Deze stad vormt niet alleen een enclave in een ander taalgebied, maar fungeert ook als ambtelijke hoofdstad van Europa, met alle gevaren van dien. Hij was het er volkomen mee een dat het nodig is op te komen voor het gebruik van het Nederlands in het bestuur, het onderwijs, de wetenschap en het economisch verkeer. Als er van de vele moedertalen van de Europese Unie slechts één overblijft, is die voor de meeste Europeanen slechts een stief-moedertaal. Bovendien wordt de veelkleurigheid van de Europese cultuur dan wel erg vaag. Samenwerking met de Vlaamse gemeenschap op het terrein van taal en cultuur vond hij vanzelfsprekend en onmisbaar. De mogelijkheden van de Taalunie worden echter nog niet geheel benut, doordat het verdrag nog niet de wenselijke uitbreiding heeft verkregen. Taal wordt geschreven en gelezen in onder meer boeken en dagbladen. Doordat de vaste boekenprijs in Nederland voorlopig is verzekerd is het mogelijk om meer uit te geven en op voorraad te hebben dan alleen de bestsellers in ieder genre. Om dit voor het gehele Nederlandse taalgebied mogelijk te maken moet de staatssecretaris zich zowel in de Taalunie als in de EU beijveren voor een vaste boekenprijs. Voor de Nederlandse dagbladen is de situatie onzekerder dan voor de Nederlandse boeken. Als negatief wordt beslist over het verzoek van de dagbladuitgevers om ontheffing te krijgen van het Besluit horizontale prijsbinding, zullen kwaliteit en pluriformiteit van de Nederlandse dagbladpers daarvan onaanvaardbare schade ondervinden. Daarom verzocht hij de staatssecretaris dringend in positieve zin uitdrukking te geven aan de verwevenheid tussen het specifieke cultuurbeleid en het beleidsterrein van Economische Zaken. Ook wettelijke verankering van het redactiestatuut is voor de pluriformiteit van de dagbladpers van belang. Mag er nog steeds van worden uitgegaan dat een desbetreffend wetsvoorstel begin 1996 wordt ingediend?

In de uitwerking van de hoofdlijn «De toekomst van het verleden» nemen de monumenten terecht een bevoorrechte plaats in. Zij kunnen immers in hun oude of nieuwe bestemming middenin de samenleving blijven functioneren. Alleen al daardoor verdienen zij het recht van voortbestaan. Het is evenwel de vraag in welke mate dit recht ook wordt gehonoreerd. Is al duidelijk hoeveel «moed en daadkracht» mag worden geput uit de onderuitputting van 1995, zo vroeg de heer Beinema. Voor vele andere soorten bewaard gebleven grote en kleine objecten geldt dat zij (buiten hun oorspronkelijke gebruik gesteld) opgestapeld of naast elkaar geschikt in kelders of op zolders, wachten of er ooit een moment komt dat een belangstellende wil bezien of zij de moeite van het tevoorschijn halen waard zijn. Deze voorraad neemt sneller in omvang toe dan de geschiedenis in jaren. Het voornemen voor een actieve en heldere selectie dateert niet van vandaag of gisteren. Wanneer worden de criteria duidelijk? Spoed is geboden, maar voorzichtigheid evenzeer. Criteria zijn namelijk aan met de tijd wisselende inzichten onderhevig waardoor komende generaties wellicht dingen zullen missen die wij als overbodig hebben afgeschreven.

De titel van de hoofdlijn over informatietechnologie («Kwaliteit op nieuwe wegen») vond de heer Beinema te optimistisch. Dit is slechts een halve waarheid. De andere helft van die waarheid is, dat langs die nieuwe wegen niet gemakkelijk te beheersen stortvloeden van vaak onnuttige informatie en amusement op de samenleving afkomen. Naast het onderwijs zijn vooral de publieke omroepen en de bibliotheken geroepen om de burgers te laten zien hoe zij die stortvloeden selectief kunnen verwerken. Zij moeten daartoe dan wel in staat worden gesteld.

De begrippen «makers en verkenners», waarmee de notitie kunstenaars aanduidt, sluiten elkaar niet uit. Alle verkenners behoren ook makers te zijn. Als zodanig moeten zij uitmunten in vakmatigheid. Daarom hechtte de heer Beinema groot belang aan goede opleidingen. Niet alle geroepen makers zijn echter tevens uitverkoren verkenners. Verkenners hebben het vermogen om bij tijd en wijle aanschouwelijk te maken wat nog niemand anders heeft gezien. De makers maken zichtbaar wat velen nog niet op die manier hebben gezien. Beide functies zijn voor een gemeenschap van levensbelang. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de in zo menig opzicht aan de kunsten verwante geesteswetenschappen. Tegen deze achtergrond riep hij de staatssecretaris op, zich ten opzichte van de beoefenaren van de kunsten en wetenschappen minder zuinig te tonen dan tot nu toe in de concept-regeling van kunstenaarsinkomens en in de reactie op het rapport «Men weegt kaneel bij 't lood» is gebeurd. De samenleving doet er wijs en goed aan, wel zuinig te zijn op, maar niet voor kunstenaars en aanverwante geesten.

Mevrouw Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD) vond dat kunst en cultuur op bepaalde momenten in het leven van ieder mens kunnen dienen als pantser of als ruggegraat. Ook zij betreurde het dat uit de notitie weinig concrete prioriteiten zijn af te leiden. Instellingen hebben er weinig houvast aan. Met het aangeven van enkele voorkeuren van haar zijde, wenste zij in deze leemte te voorzien. Gezien het belang ervan voor de samenleving is cultuur (uitgaande van de intenties van het regeerakkoord) terecht onderwerp van kabinetsbeleid geworden. Tegen die achtergrond waardeerde zij inspanningen van de staatssecretaris om het budget voor cultuur zo ver mogelijk op te rekken. Vooral de creativiteit die spreekt uit de BTW-operatie, valt zeer te prijzen. Komt er op korte termijn duidelijkheid over de onderuitputting in de monumentenzorg? Welke balans is er in de verdeling van het budget over de diverse sectoren? Slaat die niet te veel door naar de sector behoud? Is wel voldoende geld over voor flexibiliteit? De in de brief van 16 november gegeven uitwerking van de flexibilisering van het cultuurbudget wees zij ten stelligste af. Dit past niet in de opzet van de planperiode. Beter zou het zijn om aan het begin van de periode nominaal te begroten welke ruimte voor flexibiliteit nodig is en dat bedrag dan in vieren te delen. Telkens als aan het eind van een jaar blijkt dat een deel niet is gebruikt, kan het toevallen aan de fondsen. Die vervullen in de cultuurpolitiek een speciale functie en moeten dus goed worden aangestuurd. Hoe wordt dit getoetst en wat vindt de staatssecretaris van het commentaar van de Rekenkamer hierop?

Dat de markt (naast de overheid) een belangrijke rol speelt in de kunst en cultuur, onderkende mevrouw Van Heemskerck. Toch mag niet uit het oog worden verloren dat hier ook gevaarlijke kanten aan zitten. De ontwikkeling in de danssector laat zien dat de markt een heel positieve rol kan spelen, maar dat er desondanks ook aandacht moet zijn voor de inhoudelijke ontwikkeling van zo'n sector. Tegen de achtergrond van ideeën van haar fractie over bevordering van hoogwaardige kwaliteit, gevarieerd aanbod, spreiding zonder dwang, bereikbaarheid en toegankelijkheid, internationale oriëntatie, ondersteuning van experimenten, het bieden van hulp aan beginnende kunstenaars en het rekening houden met de publieksfactor vroeg zij een opsomming van de voor- en nadelen van een afname- of een programmeringsfonds en het geven van voorstellingspremies. Vooralsnog gaf zij overigens voorkeur aan een programmeringsfonds. Zij bepleite verder een betere afstemming tussen Rijk en lagere overheden. Er is geen duidelijkheid over het integrale beleid, de politieke afstemming in de besluitvorming. Convenanten verworden vaak tot vormen van koppelsubsidie. Ook bepleitte zij om in overleg met het ministerie van Economische Zaken een commissie van wijze mensen te zetten aan het opstellen van een integraal beleidsplan ter bevordering van een beter gebruik van unieke Nederlandse culturele eigenschappen in het internationale toerisme. In dit verband wees zij erop dat in het jaar 2000 het toerisme waarschijnlijk een van de belangrijkste inkomensfactoren in Nederland zal zijn.

In de notitie miste mevrouw Van Heemskerck een vergelijking met het cultuurbeleid in andere Europese landen. Hoe is het beleid van de ministeries van OCW en van Buitenlandse Zaken op elkaar afgestemd? Hoe komt dit tot uitdrukking in een gewijzigde instelling van culturele attachés? Wie of wat worden nu onze culturele vlaggendragers? Vestiging van een Holland Huis in een Europese centrumstad als Brussel juichte zij toe. Heeft de sector Onderwijs binnen het ministerie van OCW duidelijk aangegeven wat zij met cultuur aan wil? Hoe staat het met het aan kwaliteitsverbetering gekoppelde beleid tot terugdringing van de capaciteit in het kunstvakonderwijs? Hoe wordt de wetenschappelijke taak van cultuurinstellingen versterkt en de achterstand in het behoud van het universitaire erfgoed weggewerkt?

Het Nederlandse monumentenbestand verkommert. Om dit tij te keren steunde mevrouw Van Heemskerck het streven om voor monumenten een functie met economisch draagvlak te zoeken. Hoe reëel is dit in de praktijk? Is het een manier om een nieuwe korting op restauratie- en onderhoudssubsidies te introduceren? Hoe staat het met plannen voor de monumentenmakelaardij?

De razendsnelle ontwikkeling van de elektronische media biedt aan kunstenaars nog onvermoede kansen. Is aan te geven welke culturele verantwoordelijkheid in deze digitale ruimte op de schouders van de overheid rust? Ten slotte vroeg zij welke invloed de Arbeidstijdenwet heeft op het cultuurbedrijf.

Mevrouw Lambrechts (D66) vond de notitie een juiste mix tussen continuïteit en vernieuwing. Er zit voldoende continuïteit in om te mogen verwachten dat datgene wat in de afgelopen jaren goed heeft gewerkt, zich zal kunnen versterken. Ook is er voldoende ruimte om nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Zij waardeerde het om voorafgaand aan de cultuurnota aan de hand van deze notitie te kunnen spreken over uitgangspunten, nieuwe ideeën en bescheiden idealen. Tegen die achtergrond juichte zij het toe dat de notitie geen opsomming is van voorwaarden en subsidiecriteria. Wel bepleitte zij concretisering hiervan in de adviesaanvrage aan de Raad voor Cultuur. Ook kan daarin verder worden uitgewerkt wat de notitie schrijft over terreinen als kunsteducatie, bibliotheken, internationalisering, werking en sturing van fondsen en papierconservering. Ontvangt ook de Kamer de adviesaanvrage?

Om rust te behouden op het financiële front en instellingen ruimte te bieden om zich te concentreren op artistieke en inhoudelijke taken, bepleitte mevrouw Lambrechts voortzetting van de vierjarige plansystematiek. Zij vroeg een verduidelijking van het voorstel tot flexibilisering van het cultuurbudget. Iets dergelijks sprak haar wel aan als het bedoeld is om calamiteiten te kunnen opvangen, maar niet als het bedoeld is om tussentijds ruimte te creëren voor nieuw beleid. Voor dat laatste zijn er naast de extra middelen nog andere mogelijkheden. Overwogen zou kunnen worden om nieuwe instellingen niet direct volledig te laten meedraaien in de vierjarige plansystematiek, maar hun functioneren na verloop van twee jaar eerst te evalueren. Ook kunnen de fondsen een deel van hun budget achter de hand houden om op nieuwe activiteiten in te gaan. Verder kan de staatssecretaris ook zelf middelen achter de hand houden voor dit doel. Bovendien kan worden gepoogd om (indachtig de in Amsterdam functionerende participatiegedachte) met hetzelfde geld meer te doen. Er kan ook veel worden bereikt via het instrument van de garantstelling. Kan over dit soort ideeën niet eens apart worden gesproken?

Mevrouw Lambrechts vond het verkeerd om de discussie te beperken tot de vraag of blijvend geïnvesteerd moet worden in aanbod en produktie, of dat het accent moet worden verlegd naar investeringen in vraag en distributie. Hiermee wordt een schijntegenstelling gecreëerd. Eigenlijk zou het zo moeten zijn dat de overheid de gezelschappen (het aanbod) financiert. Die moeten op hun beurt dan zorgen voor de afzet. In die opzet kan het aan hen worden overgelaten of zij daarvoor al dan niet één of meer aparte ondersteuningsinstellingen in stand willen houden. Van die behoefte ging zij uit. Ook kunnen gezelschappen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor de spreiding van de afzet. Het verheugde haar dat de staatssecretaris in dezen niet aansluit bij de toonzetting van het rapport-Berenschot. Is het programmeringsfonds bedoeld om alleen risico's dekken van artistiek zo hoogstaande uitvoeringen dat ze slechts lege zalen trekken of gaat het ook om risico's die worden genomen bij het aantrekken van grote (spektakel)stukken waarvoor hoge uitkoopsommen worden berekend? Het liefst zou zij beide stimuleren. Een instrument als de garantstelling kan hierbij zeer goed van pas komen om al te risicomijdend gedrag te voorkomen. Niet te gemakkelijk moet worden toegegeven aan de tanende reislust van wat grotere gezelschappen. Het kan aan gezelschappen worden overgelaten om al dan niet te reizen, maar dan moet wel duidelijk zijn dat gezelschappen die niet reizen, bepaalde kosten niet behoeven te maken en dus ook met minder subsidie toe kunnen. Gezelschappen die nog wel willen reizen, zouden daarvoor een wat royalere compensatie kunnen krijgen.

Verfrissend vond mevrouw Lambrechts het dat de aloude tegenstelling tussen de Randstad en de regio door de notitie wordt opgeheven. Deze wordt eenvoudigweg ingeruild voor de eigen culturele en artistieke ontwikkeling van grotere en kleinere steden. Dit kan veel ellende bij de discussie over de cultuurnota besparen. Bovendien is het een erkenning van de eigen artistieke ontwikkeling van de steden buiten de Randstad. Convenanten zijn de eerste stap op weg naar een gelijkwaardige relatie tussen Rijk, provincie en gemeenten, maar zullen een degelijke financiële vertaling moeten krijgen, willen zij geen papieren tijgers blijven.

Verfrissend vond mevrouw Lambrechts het ook dat de notitie voor het eerst vraagtekens zet bij het functioneren van smaakmonopoliserende adviescommissies en ervoor durft te pleiten om burgers een stem te geven bij de totstandkoming van werken en gebouwen waar zij jarenlang tegenaan zullen moeten kijken en die zij voor een deel ook mede financieren. Op dit punt kan onderscheid worden gemaakt tussen soorten publieke ruimten. Zo kan bewoners vergaande inspraak worden gegeven in de inrichting van zoiets als het pleintje voor het bejaardentehuis. Gaat het echter om zoiets als een stadhuis, dan kan bewoners de keuze worden gegeven uit een beperkt aantal ontwerpen. Dat hiermee in sommige steden minder goede ervaringen zijn opgedaan, moet een stimulans zijn om het volgende keren beter te willen doen. Van zo'n opzet verwachtte zij meer dan van toevoeging van een aantal «gewone burgers» aan adviescommissies van deskundigen. Die zullen door de deskundigen al snel worden ingepakt.

Terecht besteedt de notitie veel aandacht aan kunsteducatie, zo constateerde mevrouw Lambrechts. In dit verband miste zij in de notitie enkele instrumenten om doelstellingen op dit gebied te halen. Zo had meer aandacht moeten worden besteed aan de amateurkunst. Omdat steeds meer professionals in hun vrije tijd betrokken zijn bij de amateurkunst, vervagen de grenzen tussen amateurkunst en professionele kunst steeds meer. Ook had de notitie meer aandacht moeten besteden aan de scholen, die in het algemeen niet beschikken over voldoende middelen om met enige regelmaat musea en tentoonstellingen te bezoeken. Door museumbezoek voor scholen gratis te maken, kan dit probleem worden weggenomen. Voor zover zij wist, is dat thans alleen in Amsterdam mogelijk. Ook de media kunnen een grote rol spelen in de kunsteducatie, bijvoorbeeld door jeugdtheaterprodukties op video op te nemen en de banden ter beschikking te stellen aan scholen. Verder bepleitte zij grotere aandacht voor de bibliotheek als de eerstaangewezen instelling voor leesbevordering. Er moet een stimuleringsbeleid komen om de bibliotheek haar plaats laten behouden in de informatievoorziening via de traditionele en de nieuwe media. Daarnaast pleitte zij nog voor inschakeling van kunstenaars op scholen. Welke mogelijkheden biedt de WIK in dezen? In het omgevingsonderwijs kan aandacht worden besteed aan kunst en cultuur. Een aparte notitie over kunsteducatie moet snel verschijnen.

Dat de notitie grote aandacht heeft voor de rol die cultuur kan spelen bij het bevorderen van een interculturele samenleving juichte mevrouw Lambrechts toe. Bestaande subsidiemechanismen blijken goede ondersteuning van allochtone kunstuitingen echter nogal eens te belemmeren. Zo zijn wereldschrijvers altijd afhankelijk van vertalers. Die moeten dan ook worden gesubsidieerd. Zij riep instellingen op, aan te geven welke belemmeringen zij ondervinden en hoe die weggenomen kunnen worden. Dat het internationale cultuurbeleid er vooral op gericht zal zijn om op Nederlandse bodem ontmoetingen met andere culturen te organiseren, sprak haar (mede uit financiële overwegingen) aan, maar toch vroeg zij ook aandacht voor de stationering van meer culturele attachés in het buitenland. Zijn daarover afspraken te maken met de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken?

Dat het kabinet kiest voor een financiële impuls voor de monumentenzorg vond mevrouw Lambrechts zeer waardevol. Zij ging ervan uit dat over de besteding ervan nog nader wordt gesproken.

Mevrouw Lambrechts was het ermee eens dat in het kader van het HOOP nader gesproken zal worden over het kunstvakonderwijs. Voorafgaand hieraan gaf zij al wel te kennen dat de optie voor specialisatie recht doet aan de positie die de diverse instellingen innemen in de culturele infrastructuur.

De heer Schutte (GPV) waardeerde het eveneens om vooruitlopend op het verschijnen van de cultuurnota te kunnen spreken over uitgangspunten voor een cultuurbeleid. Met de uitspraak in de tweede alinea van de aanbiedingsbrief bij de notitie, dat de uitkomsten van de bespreking van deze notitie o.a. de politiek tot richtsnoer zouden moeten zijn, kon hij zich niet verenigen, gezien de eigen verantwoordelijkheid van de Kamer in dezen. Schetst de notitie eigenlijk niet meer hoofdlijnen dan uitgangspunten voor een cultuurbeleid? Als het echt zou gaan om uitgangspunten, dan had toch een wat andere benadering moeten worden gekozen in de inleiding, zeker als het gaat om de definitie van het begrip cultuur. De in de notitie gehanteerde definitie van cultuur (die niet normatief is en de mens centraal stelt) stelde hij in het perspectief van de door hem tijdens de recente begrotingsbehandeling gehanteerde bredere definitie, waarin dynamische en doelgerichte elementen als bouwen en ontwikkelen centraal staan. Cultuur als zodanig kan niet los worden gezien van levensbeschouwelijke uitgangspunten. Ook de rol van de overheid ten opzichte van cultuur vond hij vrij passief. Vrijheid moet inderdaad worden gehandhaafd, maar daar zullen toch grenzen aan moeten worden gesteld. Bij het trekken van die grenzen dient de overheid criteria en normen te hanteren. Daar komt bij dat de burger het begrip vrijheid veel ruimer zal interpreteren dan de overheid. Is er wel echt sprake van objectivering als in de inleiding van de notitie wordt geschreven dat de overheid tot taak heeft om cultuuruitingen die door bevoegden van grote waarde worden geacht, te behouden, te ontwikkelen en toegankelijk te doen zijn? Is zo'n objectivering wel mogelijk, want zelfs de keuze wie al dan niet bevoegd is, is al niet geheel objectief. Verder vond hij dat aan het begrip cultuur welhaast een religieuze lading wordt gegeven door het te betitelen als ruggegraat.

Met het voorstel tot flexibilisering van het cultuurbudget was de heer Schutte vooralsnog niet ongelukkig, gezien de nadelen die aan andere opties op dit gebied kleven. Ook wordt terecht aandacht gevraagd voor marktwerking. Dat vergt wel dat de overheid attent blijft, zeker als het mogelijk wordt dat instellingen al dan niet gesubsidieerde functies in zich verenigen. Samenwerking tussen gesubsidieerde en ongesubsidieerde sectoren mag niet bedoeld zijn om de overheid in staat te stellen terug te treden, maar moet gericht zijn op verbreding van het draagvlak voor cultuur. Hij waarschuwde ervoor dat convenanten niet mogen leiden tot het fenomeen koppelsubsidies. Ziet de staatssecretaris het sluiten van convenanten met sectoren en belangengroeperingen als een incidentele mogelijkheid om uit problemen te komen, of wil hij dit instrument structureel toepassen? Decentralisatie van het cultuurbeleid verkleint de mogelijkheden om de ontwikkeling van cultuur in de regio te bevorderen. Welke instrumenten heeft de staatssecretaris nog? Ook kleinere steden moeten kunnen fungeren als stedelijk centrum. Dat mag niet beperkt worden tot de vier of de vijftien steden die betrokken zijn bij het grote-stedenbeleid.

Het was de heer Schutte opgevallen dat in de uiteenzetting over de hoofdlijn «De taal en de talen» ook aandacht werd gevraagd voor het gebruik van het Nederlands in het economisch leven. Waarop wordt concreet gedoeld? Nederlanders kunnen nog veel leren van hun midden-Europese mede-burgers op het gebied van de waardering voor de eigen cultuur en taal. Hoe wordt de extra aandacht voor de betrekkingen met landen van Midden- en Oost-Europa, met Zuid-Afrika, Suriname en Indonesië gefinancierd?

Ook de heer Schutte miste in de notitie aandacht voor het bibliotheekwerk. Uit de notitie had hij verder begrepen dat de inspraak van de bevolking in verband met beeldende kunst zich vooral richt op kunstwerken die in of bij openbare gebouwen worden geplaatst en niet op het gebouw in kwestie. Ten slotte gaf ook hij aan nieuwsgierig te zijn naar de middelen die beschikbaar komen voor monumentenzorg. Hij vreesde echter dat daarover pas duidelijkheid zal worden verkregen na het verschijnen van de Najaarsnota.

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris onderstreepte dat de hoofdlijnennotitie bedoeld is om een gestructureerde voorbereiding van de cultuurnota mogelijk te maken en om te voorkomen dat aan het eind van de procedure (net als bij de vorige cultuurnota) nog op het laatste moment fundamentele wijzigingen moeten worden aangebracht. Discussie over deze verkennend bedoelde notitie committeert de Kamer derhalve in het geheel niet. De notitie kan niet worden beschouwd als de adviesaanvrage aan de Raad voor Cultuur. Die wordt naar verwachting medio januari 1996 geschreven en zal gebaseerd zijn op aanvragen van instellingen en op hetgeen in deze eerste discussie met de Kamer naar voren komt. Van de opmerkingen in dit debat zal derhalve terdege nota worden genomen. De adviesaanvrage wordt aan de Kamer toegezonden, niet zozeer om daarover een nieuw debat uit te lokken, maar om de Kamer in de gelegenheid te stellen, eventuele misverstanden te signaleren. In mei 1996 wordt het advies van de Raad voor Cultuur verwacht. Ook dan is de Kamer nog in de gelegenheid om opmerkingen te maken, waarmee rekening kan worden gehouden bij de opstelling van de cultuurnota die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd. Tegen deze achtergrond is er bewust voor gekozen om de notitie niet te concreet te maken en te proberen dwarsverbanden tussen sectoren te leggen. De nadruk is daarbij vooral gelegd op punten waarin een ander beleidsaccent zal worden aangebracht. Zo wordt niet meer gesproken van multicultureel, maar van intercultureel. Participatie blijft belangrijk, maar daarin wordt meer nadruk gelegd op cultuureducatie, hetgeen een extra accent legt op de jeugd. Hoewel de notitie vooral was bedoeld om het debat met de Kamer op gang te brengen, deed het hem genoegen dat er ook al vele reacties uit het veld op zijn gekomen. Dat vergroot de kans om de komende cultuurnota een zo breed mogelijk draagvlak te geven. De titel «Pantser of ruggegraat» is aan de notitie meegegeven om tot uitdrukking te brengen dat wie cultuur als pantser beschouwt, zichzelf verhindert om te ontwikkelen, terwijl degene die cultuur beschouwt als ruggegraat, beweeglijk blijft. Deze opstelling komt onder andere tot uitdrukking in het streven naar evenwicht tussen de markt en een alerte overheid, die dan overigens weer anderen moet stimuleren om voor haar alert te zijn.

De staatssecretaris releveerde dat het Regeerakkoord weliswaar 60 mln. extra voor cultuur beschikbaar stelde, maar tevens zodanige kortingen op subsidies voorschreef dat uiteindelijk een negatief resultaat van 50 mln. resteerde. Daarbij kwam dat in de ramingen van het vorige kabinet nog een negatief bedrag van 27 mln. was opgenomen. In de pogingen om uit dit financiële probleem te komen, spelen de BTW-convenanten een belangrijke rol. Zij strekken ertoe om in bepaalde sectoren van de kunstwereld een BTW-verlaging door te voeren en tegelijkertijd met betrokken partijen «op vrijwillige basis» een afspraak te maken over een gedeeltelijke teruggave van dit voordeel ten behoeve van de stimulering van de cultuur. Vooral op het terrein van de podiumkunsten neemt het sluiten van een dergelijk convenant veel tijd. Dankzij de amendementen-Van Zuijlen c.s. is er thans vrij grote zekerheid dat het er komt. Op korte termijn zal over deze kwestie een afrondend gesprek worden gevoerd met de VNG. Met de VCSD en haar leden is reeds overeenstemming bereikt. Alles overziende had hij er vertrouwen in dat met deze financiële operatie het gestelde doel kan worden gehaald.

De staatssecretaris vond het wat zwaar om ten aanzien van het overleg over de BTW-operatie en het overleg met provincies en gemeenten te spreken over «convenanten». Liever sprak hij over een afspraak met een groot aantal partners teneinde gezamenlijk op één doel uit te komen. Natuurlijke aandrang om voor alles en nog wat convenanten te sluiten had hij niet, maar mocht dit de praktijk nodig blijken, dan wenste hij het ook niet uit de weg te gaan. In de afspraken met IPO en VNG kunnen slechts algemene beleidslijnen worden neergelegd. Bij de fijnregeling ervan zullen naast de provincie vooral ook de wat grotere steden betrokken zijn. Zij beschikken namelijk veelal over eigen gezelschappen en accommodaties en hebben ook hun eigen problematiek. Dit betekent echter zeker niet dat zonder meer wordt aangesloten bij het grote-stedenbeleid. Ook kleinere steden doen wel degelijk mee.

De Najaarsnota zal uitsluitsel geven over het voor monumentenzorg beschikbaar komende bedrag. Daarop wilde de staatssecretaris niet vooruit lopen. Wel gaf hij aan dat gedurende de afgelopen maanden in uitstekend overleg met het ministerie van Financiën het Strategisch Plan Monumentenzorg verder is uitgewerkt. Daarbij is mede gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat er in een tijd van ongeveer vijftien jaar circa 4 mld. achterstand op monumentenzorg moet worden ingehaald. Aan de hand van dit plan kan direct worden aangegeven hoe extra budget voor monumentenzorg kan worden besteed. Eventueel kan hierover nader met de Kamer van gedachten worden gewisseld.

Uit de opmerkingen van de commissie leidde de staatssecretaris af dat er begrip is voor de wens tot flexibilisering van het cultuurbudget. Omdat ingevolge de opzet van de vierjarige planning budgetten voor instellingen voor de gehele periode worden vastgelegd, worden de fondsen automatisch tot sluitpost als zich de noodzaak tot ombuigingen binnen het cultuurbudget voordoet. Zo'n situatie zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan als het kabinet zich onverhoopt gedwongen zag om te bezuinigen in de cultuursector of als de Kamer bijvoorbeeld zou aandringen om een stad als Rotterdam voor te dragen als culturele hoofdstad van Europa. Om in te kunnen spelen op dit soort, zich op korte termijn voordoende ontwikkelingen, moet in het cultuurbudget een zekere ruimte worden gecreëerd. Reservering in een aparte pot heeft als nadeel dat het al snel een grabbelton wordt, wat weer noodzaakt om er een beschermende (advies)structuur aan te koppelen. Het in de brief van 16 november bedoelde systeem zal voor instellingen tot gevolg hebben dat zij voor het eerstvolgende jaar een vaste budgettoezegging krijgen, maar dat zij er rekening mee moeten houden dat het voor de jaren erna wellicht iets minder wordt. Zo nodig zal zo'n korting grondig worden gemotiveerd. In de adviesaanvrage zal een en ander nader worden uitgewerkt.

De 20 mln. voor de musea is in zekere zin inderdaad bedoeld voor het inhalen van achterstallig onderhoud van de Rijksgebouwendienst. Het geld is voor een groot deel nodig ter bestrijding van de eerste inrichtingskosten die samenhangen met nieuw- en verbouw van musea en archieven. Dit soort kosten drukte voor 1991 op de begroting van de Rijksgebouwendienst. Thans wordt men geconfronteerd met de rekening van plannen die in die periode «in de steigers» zijn gezet. Door deze rekeningen nu te vereffenen, is er straks meer beleidsruimte voor de cultuurnota. Over het Deltaplan Cultuurbehoud wilde de staatssecretaris graag apart met de Kamer debatteren.

De staatssecretaris herbevestigde zijn steun voor de motie-Van Zuijlen, maar herinnerde eraan dat voor uitvoering ervan een slagvaardige omroep en het voorhanden zijn van goede plannen onontbeerlijk is. Van dat soort plannen nam hij gaarne kennis. Hij was bereid om hierop nader in te gaan in de adviesaanvrage.

Hoewel de aandacht die eraan wordt besteed, wellicht anders doet vermoeden, is slechts ongeveer 2% van het totale cultuurbudget afkomstig uit sponsoring. In november 1994 heeft een groot aantal partijen een gedragscode voor cultuursponsoring ondertekend, die onderdeel is van de rijks-subsidievoorwaarden en op de naleving waarvan wordt gecontroleerd.

In de cultuurnota zal worden aangegeven hoe tegemoet wordt gekomen aan opmerkingen van de Rekenkamer over het verzuim om in het kader van de publieke verantwoordingsplicht van de fondsen criteria op te stellen voor toetsing en evaluatie van beleidsuitgangspunten. Dat de fondsen tot nu toe te veel een smaakmonopolie opleggen, bestreed de staatssecretaris. Dat wordt primair door de markt gedaan. Het fonds volgt in dezen niet de markt, maar fungeert juist als correctie daarop. De «tot oordelen bevoegden» van de fondsen hebben tot taak om kwaliteit te beoordelen die door de markt niet op waarde wordt geschat. Op hen rust de zware verantwoordelijkheid om te voorkomen dat kwalitatief waardevolle zaken die niet door de markt wordt herkend, totaal buiten de boot vallen. Om te voorkomen dat zij na verloop van tijd in eenzijdigheid vervallen, onderwerpen de fondsen zichzelf aan voortdurend zelfonderzoek. Geheel los hiervan staat de constatering dat vooral ten aanzien van kunstwerken (beelden, gebouwen) in de publieke ruimte, naast het oordeel van deskundigen ook dat van de gewone burgers van belang is. Het is de moeite waard om te onderzoeken hoe hieraan het best inhoud kan worden gegeven, want tenslotte moeten de betrokken burgers er dagelijks tegenaan kijken. Zo zou bij de bouw van bijvoorbeeld een stadhuis aan burgers kunnen worden gevraagd om zich uit te spreken over de beste twee plannen die uit de beoordeling door een deskundige jury naar voren zijn gekomen.

De staatssecretaris zag niets in de in het rapport-Berenschot geschetste stimulering van het reizen van gezelschappen. Dit middel is alleen te gebruiken voor gesubsidieerd aanbod. Daarom gaf hij voorshands voorkeur aan het opzetten van een programmeringsfonds waaruit risico's kunnen worden gedekt van optredens van gezelschappen buiten hun gebruikelijke speelgebied. Ook de VCSD is voor zo'n fonds. Zij wil er zelfs aan bijdragen. Via zo'n vorm van co-financiering kunnen in middencategorie-zalen door het hele land kwaliteitsprodukties worden gespeeld die aantrekkelijk zijn voor het publiek. De Kamer wordt nader schriftelijk geïnformeerd over de diverse uitwerkingsmogelijkheden van zo'n fonds. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan premiëring van tournees van producenten of samenwerkingsprojecten van schouwburgen. Over de uitwerking wordt overlegd met de VCSD en met het veld van de podiumkunsten. In de adviesaanvrage wordt erop teruggekomen. Daarin wordt ook ingegaan op mogelijkheden om opvoering van Nederlandse klassieke toneelstukken of vertolking van Nederlandse composities te stimuleren. In dezen vond hij aparte premiëring eigenlijk wat gênant, maar als uiterste middel was hij bereid om het in overweging te nemen. Vooralsnog wenste hij echter de nadruk te leggen op overleg met gezelschappen.

Hoewel het niet als zodanig in de notitie is aangegeven, is er wel degelijk aandacht voor het bibliotheekwerk en de architectuur. De wijze waarop zij in de notitie aan de orde komen is puur een gevolg van de keuze om haar niet sectorsgewijs in te delen. Wel zag de staatssecretaris goede redenen om een apart hoofdstukje te wijden aan de amateurkunst.

Voor schoolbezoek aan musea geldt in het algemeen een gereduceerd groepstarief. Hoewel hij erop wees dat de musea hierover autonoom kunnen beslissen, was de staatssecretaris toch bereid om (o.a. in het overleg met IPO en VNG) te bezien of in het kader van cultuureducatie gratis schoolbezoek aan musea mogelijk is. Overigens vormen de kosten niet het enige knelpunt. Op basis van binnenkort verwachte resultaten van een onderzoek naar de relatie tussen onderwijs en musea zullen voorstellen worden gedaan in de notitie over cultuureducatie. Deze notitie sluit aan op hetgeen vooral op gemeentelijk niveau reeds gebeurt om de samenhang tussen cultuur en educatie te versterken. Ook zal aan dit alles aandacht worden besteed in de cultuurnota.

De in de hoofdlijn «Intercultureel» aangegeven beleidsdoelen kunnen niet alleen worden bereikt via min of meer gevestigde organisaties van etnische minderheden. In dit kader moet er zeker ook aandacht zijn voor het individu, dat vanuit zijn sterk gewortelde eigen culturele achtergrond poogt om via de cultuur van de nieuwe omgeving nieuwe zingeving te vinden. Daartoe zullen reeds lopende experimenten, zoals interculturele podia en het uitgeven van werk van jonge buitenlandse schrijvers, worden ondersteund. Bij dit laatste zal ook worden gekeken naar gesignaleerde problemen bij het vertalen van dit werk. Ook de deskundigheid van musea moet in deze richting worden vergroot. Speciale presentaties zijn mooi, maar eigenlijk moet het interculturele aspect ook meer tot uiting komen in de permanente exposities. Musea kunnen ook worden gebruikt voor intercultureel onderwijs. Voor de functie die bibliotheken in dit verband hebben bij de leesbevordering zal speciale aandacht worden gevraagd van de desbetreffende stichting. Ook wordt aandacht besteed aan de rol die de media in dezen kunnen spelen.

De staatssecretaris liet de heer Beinema de keuze om twee van de drie voorbehouden uit de laatste zin van de door de hem bedoelde passage op pag. 20 van de notitie te schrappen. Deze voorzichtigheid was namelijk vooral ingegeven door het feit dat ten tijde van het schrijven van de notitie de herijkingsnota nog niet was afgerond. Hij onderschreef dat het buitenlands beleid zou worden versterkt als overal hetzelfde beeld van Nederland naar buiten werd gebracht. Aan vestiging van cultureel attachés wordt slechts gedacht als zij een volledige taak kunnen hebben op cultuurgebied. Dan gaat het om cultuur in de betekenis van kunst, erfgoed, van iets dat een eigen intrinsieke waarde heeft en niet om cultuur als een afgeleide van iets anders. Zo gezien leent New York zich uitstekend voor vestiging van een cultureel attaché. Over een beperkt aantal andere plaatsen in de wereld die zich voor zoiets lenen, wordt thans overlegd met het ministerie van Buitenlandse Zaken. Met instemming nam hij kennis van de breed gedeelde opvatting dat het Institut Néerlandais te Parijs gehandhaafd moet blijven. Hij onderkende de noodzaak om als zodanig in de Europese hoofdstad Brussel geaccrediteerd te zijn, maar of dit gestalte moet krijgen in de vorm van een Holland Huis wilde hij nog nader onderzoeken. Voor de buitenlandse bekendheid van Nederland is het van groot belang om buitenlanders die in Nederland op bezoek zijn, kennis te laten maken met Nederlandse cultuuruitingen. Zo had het van nationaal belang kunnen zijn als Rotterdam culturele hoofdstad van Europa was geworden. Overigens wees hij er in dit verband op, er niet voor te zijn om zoiets alleen uit de cultuurbegroting te financieren. Een stad als Rotterdam presenteert zich dan namelijk op meer terreinen dan alleen het culturele. Al vanaf 1988 wordt, mede in dienst van de instandhouding van het cultureel erfgoed, meer en meer samengewerkt met het ministerie van EZ op het terrein van het cultuurtoerisme. De cultuurnota zal hier nader op ingaan. Extra aandacht voor landen van Midden- en Oost-Europa, Zuid-Afrika, voor Suriname en Indonesië wordt in het kader van de herijking gefinancierd uit o.a. de begroting van OCW, het Matra-fonds en de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking.

In de adviesaanvrage zal zeker meer aandacht worden besteed aan de sector literatuur en in verband daarmee ook aan de problemen van hoorspel- en scenarioschrijvers. Nagegaan zal ook worden in hoeverre bibliotheken overgaan tot het heffen van contributie voor jongerenabonnementen. Om de Taalunie zo optimaal mogelijk te laten functioneren moet voorshands de aandacht meer uitgaan naar uitbreiding van de activiteiten in dat kader dan naar uitbreiding van het toch al zeer flexibele Cultuurverdrag. Gebruik van het Nederlands in het economisch verkeer kan niet worden voorgeschreven. Wel kan het bedrijfsleven gevraagd in haar functioneren ook gebruik te maken van het Nederlands. Een bedrijfspresentatie hoeft niet per se in het Engels te worden gegeven, maar kan ook tweetalig worden opgezet.

Spreiding van specialismen in het kunstvakonderwijs wordt mede bezien in het kader van het stedenbeleid, maar is zeker geen doel op zichzelf. Op grond van andere overwegingen kan het ook juist goed zijn om opleidingen in het kunstvakonderwijs dichter naar elkaar toe te brengen. Reductie van de capaciteit in het kunstvakonderwijs is al voor een groot deel gerealiseerd. Omdat moet worden geconstateerd dat in sommige sectoren nog niet het juiste evenwicht is bereikt tussen reductie van de capaciteit, vergroting van de markt en het pakket aan flankerende maatregelen, wordt thans vooral aandacht gegeven aan de ontwikkeling van een goed markt- en inkomensbeleid voor kunstenaars. Pas als dat er is, kan goed worden beoordeeld in welke sectoren van het kunstvakonderwijs eventueel verdergaande ingrepen nodig zijn. Recent door de Stichting podiumkunstwerk en het Voorzieningsfonds voor kunstenaars gepresenteerde plannen voor een flankerend beleid in het kader van de WIK kunnen worden betrokken bij de voor 1996 voorziene behandeling van het desbetreffende wetsontwerp. Naar het zich laat aanzien kan de WIK uiterlijk per 1 januari 1997 van kracht worden. In de tussentijd moet worden voorkomen dat kunstenaars de dupe worden van eventuele gaten in de regelgeving. Daarover zijn gemeenten inmiddels geïnformeerd.

De staatssecretaris was het ermee eens dat bij de toepassing van nieuwe technieken in de kunst gewaakt moet worden voor het klakkeloos volgen van modieuze «hypes». Wel moet worden erkend dat dit soort technieken een ontwikkeling op gang kunnen brengen die voor de cultuurpolitiek van groot belang kan zijn. Aan de hand van binnenkort te verwachten rapportage van de commissie-Rathenau en een notitie over het publieke domein kan nader worden gesproken over de rol van de overheid ten opzichte van media. De Cultuur-Raad heeft slechts in een eerste discussieronde gesproken over mogelijke oprichting van een EU-filmfonds. Over de precieze opzet kan nog nader worden gesproken.

Een vaste boekenprijs voor het hele Nederlandse taalgebied wordt nagestreefd. Een complicatie daarbij is de opzet van de Belgische besluitvormingsprocedures. Op Europees niveau is inmiddels enige vordering gemaakt in deze zaak. De Commissie heeft recent namelijk aangekondigd de kwestie in studie te willen nemen. Het Bedrijfsfonds voor de pers heeft een advies uitgebracht over het prijsbeleid. Daarin wordt geconcludeerd dat de prijzenregelingen een bijdrage leveren aan de pluriformiteit van de dagbladpers. Het fonds adviseert om ontheffing te verlenen voor de regelingen die betrekking hebben op de lezersmarkt. Het wijst er daarnaast op dat de regelingen voor de advertentiemarkt flexibel zijn en dus leiden tot een sterk gedifferentieerd prijsbeleid. Op grond van samen met de minister van Economische Zaken gevoerde gesprekken met de NVJ en de NDP zullen de ministeries van EZ en van OCW (die in dit dossier zowel ambtelijk als politiek buitengewoon zorgvuldig samenwerken) conform de wettelijke procedures die gelden voor dit soort ontheffingsverzoeken, advies vragen aan de commissie Economische Mededinging. Naar verwachting zal begin 1996 een beslissing over het ontheffingsverzoek worden genomen. De staatssecretaris stond positief tegenover de wens om het redactiestatuut een wettelijke basis te geven. Hierop zal worden teruggekomen in een begin 1996 aan de ministerraad te presenteren voorstel betreffende perswetgeving.

In 1993 is een verkennende studie uitgevoerd naar de betekenis van cultuur voor de economie. Een vervolgonderzoek naar de economische betekenis van musea wordt begin 1996 afgerond. Aan de hand van de resultaten daarvan (waarover de Kamer wordt geïnformeerd) wordt besloten hoe en in welke andere cultuursectoren dit onderzoek zal worden voortgezet.

Onderzoek onder de gesubsidieerde instellingen geeft aan dat toepassing van de arbeidstijdenwetgeving niet tot bijzondere problemen leidt. Hoe dit uitpakt bij de vrije produkties, zal worden nagegaan. Naar de staatssecretaris had begrepen, gaat het er vooral om excessieve werktijden van theatertechnici tot aanvaardbare proporties terug te brengen.

De voorzitter van de commissie,

M. M. H. Kamp

De griffier van de commissie,

Roovers


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Beinema (CDA), Van der Vlies (SGP), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks, Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA), Van Vliet (D66) en Bremmer (CDA).

Plv. leden: Reitsma (CDA), Schutte (GPV), Klein Molekamp (VVD), Valk (PvdA), Poppe (SP), Duivesteijn (PvdA), Ten Hoopen (CDA), Lilipaly (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Bakker (D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Van der Ploeg (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Passtoors (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Verhagen (CDA) en Lansink (CDA).

Naar boven