24 240
Voorstel van wet van de leden Van Heemst, O. P. G. Vos en De Koning tot wijziging van de Wet op de naburige rechten in verband met de rechten van omroeporganisaties

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 30 oktober 1995

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit initiatiefvoorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakt opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het initiatiefvoorstel van wet genoegzaam voorbereid.

I ALGEMEEN

De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming gereageerd op het onderhavige initiatiefvoorstel van wet. Zij zijn met de indieners van mening dat er geen rechtvaardiging is te bedenken voor het zelfstandige openbaarmakingsrecht van omroeporganisaties. Het is daarom een goede zaak dat de Wet op de naburige rechten (WNR) ter zake in overeenstemming wordt gebracht met het Verdrag van Rome, de desbetreffende EG-richtlijn en de wetgeving in de ons omringende landen. Deze leden hebben echter nog enkele vragen.

Kunnen de indieners nog eens nader verduidelijken welke rechten van omroeporganisaties worden beperkt en welke rechten behouden blijven? Zij verzoeken de indieners bij de beantwoording van deze vraag concrete voorbeelden te noemen. Zien de indieners nog een taak weggelegd voor de incasso-organisatie (SIROR) van de omroeporganisaties?

De leden van de PvdA-fractie willen vervolgens de aandacht vragen voor wat tegenwoordig wel wordt genoemd de wildgroei van het auteursrecht. Zo hebben ondermeer de Woonzorg Federatie en de Nederlandse Raad van de Detailhandel hun verontrusting geuit over het toenemende aantal rechten en rechthebbenden en de daaruit voortvloeiende extra financiële lasten. Zouden de indieners een overzicht kunnen geven van alle auteursrechtorganisaties waarmee een willekeurig verzorgingstehuis of winkelbedrijf kan worden geconfronteerd? Welke auteursrechthebbenden worden door genoemde organisaties vertegenwoordigd? Deze leden stellen vast dat in het voorliggende initiatiefvoorstel van wet door de indieners de reikwijdte van de rechten van andere auteursrechthebbenden buiten beschouwing wordt gelaten. Wat is daarvoor de reden geweest?

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van onderhavig initiatiefvoorstel van wet. Op zich onderschrijven zij de sympathieke gedachte achter het initiatiefvoorstel, geen onnodige belemmeringen op te werpen tegen het wijdverbreide gebruik om in een horeca-gelegenheid onder het genot van een al dan niet alcoholische consumptie te kijken naar bijvoorbeeld een voetbalwedstrijd, die op dat moment wordt uitgezonden.

Zij herinneren de initiatiefnemers echter aan het gegeven dat de vraag of de Nederlandse wetgever bij de bescherming van de rechthebbende in het onderhavige geval stringenter moet zijn dan conform het minimum van het Verdrag van Rome of de richtlijn noodzakelijk is, expliciet aan de orde is geweest bij de behandeling van de Wet op de naburige rechten. De leden van de CDA-fractie hebben destijds de vraag aan de orde gesteld of voor de openbaarmaking van een televisie-uitzending in een voor het publiek toegankelijke ruimte toestemming zou moeten zijn van de omroeporganisatie die de uitzending verzorgt. De Kamer heeft zich destijds laten overtuigen door de regering, dat het in het Verdrag voorziene beschermingsniveau een minimum is, waarbij de landen die partij zijn bij het Verdrag de vrijheid hebben om een hoger niveau van bescherming te introduceren. Tevens vond de Kamer het argument overtuigend dat het vertonen van bijvoorbeeld de uitzending van een voetbalwedstrijd door bijvoorbeeld een café-houder, een exploitatie inhoudt van een uitzending, die veelal met aanzienlijke kosten (voor techniek, arbeid en toestemming van de organisatie van het evenement) gerealiseerd kon worden. Daarbij heeft de uitzending van bijvoorbeeld een belangrijke voetbalwedstrijd een omzetverhogend effect voor het betrokken café.

De indieners leggen in de memorie van toelichting (MvT) een relatie tussen het betalen van een vergoeding op grond van de naburige rechten en het gegeven dat er profijt getrokken wordt van het vertonen van omroepprogramma's, door het principe van naburige rechten toe te willen passen op openbare ruimten waar entreegeld wordt geheven. Gelet op de argumentatie van de regering bij de behandeling van het wetsvoorstel zouden deze leden gaarne een nadere toelichting van de initiatiefnemers willen verkrijgen op het verschil tussen profijt door entreegeld en het profijt door het omzetverhogende effect.

Overigens zouden de leden van de CDA-fractie in verband met het voorkomen van overbodige regelgeving van de indieners gaarne willen vernemen, waar zich in Nederland voor het publiek toegankelijke plaatsen bevinden, en waar tegen betaling van entreegeld, programma's van omroeporganisaties worden openbaargemaakt.

In verband met het gegeven dat de behandeling van de Wet op de Naburige rechten nog niet zo lang geleden heeft plaatsgevonden zouden deze leden tevens willen vernemen welke nieuwe omstandigheden zich hebben voorgedaan, die nu tot een wijziging van de Wet op de naburige rechten aanleiding zou moeten geven. In dit verband herinneren de leden van de CDA-fractie de indieners aan de plenaire behandeling van de Wet op de Naburige rechten, waarbij de regering aangaf dat er afspraken gemaakt zouden worden tussen de NOS en de overkoepelende branche-organisaties, waardoor de leden van de D66-fractie in het café, zowel van een biertje als van een voetbaluitzending zou kunnen blijven genieten.

Een volgende vraag die naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie beantwoording behoeft, betreft de eventuele consequenties van het door initiatiefnemers beoogde, voor de toekomstige ontwikkeling van pay-t.v. Deze leden menen dat de initiatiefnemers in hun enthousiasme voorbijgaan aan de consequenties van hun voorstel in relatie tot de nieuwe media-ontwikkelingen.

Tenslotte willen deze leden een reactie verkrijgen op de mogelijke ontwikkeling van procedures om via een beroep op het auteursrecht een vergoeding te verkrijgen voor het gebruik van radio- en/of televisie-uitzendingen, ter verhoging van de aantrekkelijkheid van de horeca-gelegenheid ingeval er een einde zou komen aan de regeling via de naburige rechten. Deze leden verwijzen hiervoor naar de situatie in Frankrijk waar zich deze tendens ontwikkeld aangezien er daar geen mogelijkheid bestaat op basis van naburige rechten een vergoeding overeen te komen.

De leden van de D66-fractie hebben met grote belangstelling kennis genomen van de met het initiatiefvoorstel van wet beoogde wijziging van de Wet op de naburige rechten. Deze leden zien in het feit dat de Raad van State aanleiding zag een «blanco» advies uit te brengen steun voor de juridische keuzes die in het initiatiefvoorstel van wet zijn gemaakt. Deze omstandigheid heeft voor deze leden bijgedragen aan hun instemming met het voorliggende initiatiefvoorstel van wet. Zij steunen dan ook de voorliggende wijziging en sluiten zich aan bij het principiële uitgangspunt van de initiatiefnemers dat het openbaarmakingsrecht c.q. het naburige recht van omroeporganisaties beperkt blijft tot die openbare gelegenheden waar entreegeld wordt geheven. Deze leden steunen de visie van de initiatiefnemers, dat het Verdrag van Rome inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties en de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1992 zodanig opgevat dienen te worden, dat het uitsluitende recht van omroeporganisaties zich beperkt tot uitzendingen op plaatsen die tegen betaling van een toegangsprijs voor het publiek toegankelijk zijn. Deze zienswijze impliceert volgens de leden van de D66-fractie dat heffing van naburig recht van omroeporganisaties slechts van tamelijk beperkte omvang zal zijn. Na het voorgaande zien deze leden nog wèl aanleiding om enkele opmerkingen te maken en vragen te stellen.

Onder het openbaar maken van programma's dient volgens de initiatiefnemers te worden verstaan, registraties van evenementen door omroeporganisaties, oftewel de door hen verzorgde live radio- en televisieuitzendingen. Zouden de initiatiefnemers een nadere typering kunnen geven van een «live-uitzending»? Dient hieronder registraties van (sport-)evenementen in enge zin te worden verstaan of dient het begrip breder te worden uitgelegd, en daarmee betrekking hebben op elke door een omroeporganisatie verzorgde programma-uitzending?

Het Verdrag van Rome ziet in artikel 13, sub d, slechts op het overbrengen van televisieuitzendingen, terwijl het voorliggende initiatiefvoorstel van wet ziet op het openbaar maken van programma's in het algemeen. Is in het initiatiefvoorstel van wet bedoeld op dit punt verder te gaan dan datgene wat in het Verdrag is neergelegd?

Hoewel deze leden de principiële juistheid van de voorgestelde beperking van het naburig recht van omroeporganisaties onverlet willen laten, stellen zij er wèl prijs op te vernemen of de initiatiefnemers kans hebben gezien de visie van de rechthebbenden c.q. de omroeporganisaties in dezen te vernemen. Zo ja, in welk opzicht wijkt hun standpunt af van het principiële uitgangspunt van de initiatiefnemers?

De Stichting Incasso en Repartitie Omroeprechten heeft bij de leden van de D66-fractie bezwaar gemaakt tegen het voorliggende initiatiefvoorstel van wet. Deze organisatie meent onder meer dat het Verdrag van Rome moet worden gezien in het licht van de tijd dat een omroeporganisatie werd gezien als algemene nutsinstelling. De SIROR meent dan ook dat het voorliggende initiatiefvoorstel van wet te weinig rekening houdt met het zogenoemde «profijtbeginsel». In de visie van deze stichting trekken horeca-instellingen profijt van de openbaarmakingen van omroeporganisaties en zouden als gevolg daarvan naburig recht dienen te betalen. Zouden de initiatiefnemers nader in kunnen gaan op deze bezwaren van de SIROR?

De leden van de RPF-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende initiatiefvoorstel van wet. Mede in het licht van de wetgeving in de ons omringende landen lijkt er voldoende reden te zijn om de Wet op de naburige rechten als voorgesteld te wijzigen. Deze leden vragen de indieners echter wel of het niet relevant is om in te gaan op de verschillen tussen de situatie van 1992 en de huidige situatie. Het medialandschap is door de komst van verschillende commerciële omroepen, zowel in Nederland als in andere Europese landen drastisch gewijzigd. Wat betekent het dat publieke en commerciële omroepen tegen elkaar moeten opbieden om de uitzendrechten van voetbalwedstrijden te bemachtigen? Tot slot vragen de leden van de RPF-fractie of de indieners kunnen aangeven wat de reacties zijn van respectievelijk de publieke en de commerciële omroepen? Zijn deze omroepen zèlf van oordeel dat hun belangen al dan niet worden geschaad?

De leden van de SGP-fractie hebben met enige verbazing van het initiatiefvoorstel van wet kennis genomen. Deze verbazing spruit voort uit het feit dat de Wet op de naburige rechten, na ampele behandeling in het parlement, eerst op 1 juli 1993 in werking is getreden. Zij vragen of de in de MvT genoemde kwestie van het al of niet betalen van een vergoeding voor het vertonen van sportwedstrijden op televisie in een café de enige aanleiding tot indiening van het voorstel vormt. Hebben de indieners zich een beeld gevormd van het mogelijke bredere effect van de door hen voorgestelde wijziging en, zo ja, willen zij van die (mogelijke) effecten een overzicht geven?

Deze leden informeren verder naar de feiten die een aanwijzing bevatten dat de wetgever het door de indieners blijkbaar als ongewenst beschouwde effect niet heeft voorzien. In datzelfde verband stellen zij de vraag op welke feiten zij de in de MvT voorkomende stelling baseren dat het onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de regering bij de vaststelling van de WNR geen rekening heeft gehouden met de (toen) aankomende richtlijn nr. 92/100/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1992, betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van de intellectuele eigendom.

In de MvT wordt een kort overzicht gegeven van de wettelijke regeling van de onderwerpelijke kwestie in Duitsland, Engeland, Frankrijk en België. De leden van de SGP-fractie stellen de vraag of de indieners kunnen vermelden, voor elk van genoemde landen afzonderlijk, in welk jaar de bedoelde regeling in de wet is opgenomen.

In de MvT zetten de indieners uiteen op grond van welke argumenten zij de drie hoofdredenen die voor de Nederlandse regering aanleiding zijn geweest de nadere voorwaarde van entreegelden niet in de WNR op te nemen niet overtuigend achten. Zo wordt in dat verband ondermeer genoemd, de concurrentie op de televisiemarkt en de zeer omvangrijke reclame-inkomsten. Deze leden stellen de vraag of, en zo ja, op welke wijze, het ontstaan van commerciële omroepen, naast staatsgefinancierde omroepen, debet is aan kritiek van de indieners op de bestaande wettelijke regeling. Welke andere feiten of omstandigheden hebben de indieners tot de conclusie gebracht dat de welbewuste keuze van de wetgever van 1993 reeds toen een onjuiste of ongewenste was?

De indieners maken in de MvT melding van het bestaan van de Stichting Incasso en repartitie Omroeprechten (SIROR), zonder deze organisatie nader te identificeren. Deze leden willen graag nadere informatie ontvangen over aard, doelstelling en activiteiten van deze stichting, alsmede over de vraag hoe deze zich verhouden tot doelstellingen van de WNR. In dat verband willen zij tevens graag vernemen hoe de doelstellingen en activiteiten van deze stichting zich verhouden tot die van de Stichting ter exploitatie van naburige rechten (SENA). Zij vragen wat de verklaring is voor het feit dat de SENA zich blijkens haar jaarverslag 1993–1995 uitsluitend bezig heeft gehouden met muziekgebruik. Wat is de achterliggende reden (oorzaak) dat de landelijke publieke omroepen noch de regionale en lokale omroepen participeren in de SENA? Op welke wijze is thans voorzien in de uitvoering van de WNR wat betreft beeldprodukties? Achten de indieners het mogelijk dat als gevolg van hun voorstel de uitvoering van de WNR, zoals deze tot op dit moment plaatsvindt door de SENA, wordt bemoeilijkt danwel gefrustreerd? Zo nee, waarom niet?

De leden van de GPV-fractie hebben kennis genomen van het onderhavige initiatiefvoorstel van wet. Deze leden zijn anders dan de indieners niet geheel overtuigd van de wenselijkheid van het voorstel tot wijziging van de Wet op de naburige rechten. Deze wet is immers recentelijk nog gewijzigd en het onderwerp waarop het initiatiefvoorstel van wet betrekking heeft is toen aan de orde geweest. Deze leden menen dat wetswijziging in beginsel alleen is aangewezen indien zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen die wijziging van de wetgeving noodzakelijk maken. Uit dien hoofde willen zij het initiatiefvoorstel van wet dan ook beoordelen.

Deze leden zijn vooral geïnteresseerd in de vraag in hoeverre het juridisch mogelijk is het begrip openbaar maken voor omroeporganisaties een beperktere strekking te geven dan voor de overige rechthebbenden: uitvoerend kunstenaars en fonogramproducenten. Het antwoord op deze vraag is van belang omdat dit één van de belangrijkste argumenten is voor de voorgestelde wetswijziging. Hoe beoordelen de indieners van het voorstel het door hen gemaakte onderscheid tussen openbaar maken door omroeporganisaties en andere naburige rechthebbenden en auteurs-rechthebbenden in het licht van het Radio café arrest van 6 mei 1938 (NJ 1938, 635)? Indien die meer beperkte strekking van het begrip openbaar maken door omroeporganisaties niet kan worden aangetoond, ligt dan niet een bijdrageregeling, analoog aan die van de BUMA-heffing en de SENA-heffing, voor de hand, zo vragen deze leden?

De leden van de GPV-fractie plaatsen vraagtekens bij de gestelde voorwaarde dat omroeporganisaties alleen recht hebben op een vergoeding indien de openbaarmaking van een programma plaatsvindt in een publieke ruimte die enkel toegankelijk is na betaling van entreegeld. Anders dan de indieners van het initiatiefvoorstel van wet zijn deze leden van mening dat de heffing van entreegelden makkelijk kan worden ontdoken, juist omdat een ondernemer niet graag entreegeld zal willen heffen. Wat is dan nog de toegevoegde waarde van deze voorwaarde, zo vragen deze leden? En hoe valt te controleren in welke gevallen wel en in welke gevallen niet entreegelden worden geheven? Betekent de voorgestelde wetswijziging in de praktijk niet dat omroeporganisaties in het geheel geen aanspraak op een vergoeding kunnen doen laten gelden?

De leden van de GPV-fractie vragen wat de hoogte is van de SIROR-bijdrage die door ondernemingen moeten worden betaald voor het openbaar maken van omroepprogramma's. Moeten ook bijdragen worden betaald voor het openbaar maken van programma's van buitenlandse omroeporganisaties? Voorts zijn deze leden geïnteresseerd in het antwoord op de vraag in hoeverre de thans geldende regelgeving Nederlandse ondernemers ten opzichte van hun buitenlandse collega's in een nadeliger positie plaatst.

Deze leden vragen welke activiteiten na aanvaarding van dit initiatiefvoorstel van wet nog de toestemming behoeven van de omroeporganisaties.

De voorzitter van de commissie,

V. A. M. van der Burg

De griffier voor dit verslag,

Van Luyk


XNoot
1

Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (Groep Nijpels), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD).

Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Boogaard (Groep Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), Leerkes (U55+).

Naar boven