24 225
Veiligheidsbeleid 1995–1998

nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 16 mei 1997

In het Algemeen Overleg van 20 maart jl. hebben wij gesproken over de brief van het kabinet inzake Toezicht (T.K. 1996–1997, 24 225, nr. 9). Ik heb u in dat kader toegezegd dat de minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid en ik, mede namens onze ambtgenote van Justitie, met de politievakorganisaties en de korpsbeheerders overleg zouden voeren over de mogelijkheden om binnen de politie-organisatie toezichthouders aan te stellen in het kader van de regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen.

Hierbij is betrokken het feit dat per 1 juli a.s. voor de hiervoor genoemde regeling een detacheringsverbod van kracht wordt, op grond waarvan het niet langer zal zijn toegestaan dat toezichthouders gedetacheerd worden bij de politie-organisatie.

Op 8 respectievelijk 10 april jl. heeft het overleg met de politievakorganisaties resp. de korpsbeheerders plaatsgehad, waarbij ook Staatssecretaris Kohnstamm aanwezig was. Mede namens minister Sorgdrager, minister Melkert en staatssecretaris Kohnstamm doe ik u hierbij verslag van het overleg en de conclusies die ik daaraan verbind. Daarbij neem ik mede in aanmerking de afspraken die het kabinet in het kader van het grote stedenbeleid heeft gemaakt over het Integraal Veiligheidsbeleid: op basis van het 40 000-banenplan zullen door gemeenten forse aantallen toezichthouders worden aangesteld mede ter bevordering van een goede invulling van de regietaak van de gemeente in het Integraal veiligheidsbeleid.

Kort samengevat komen de in de onderscheiden besprekingen ingenomen standpunten op het volgende neer:

1. De voorzitters van de politievakorganisaties zien onder zeer stringente voorwaarden wel mogelijkheden voor toezichthoudende functies op het laagste schaalniveau. Deze voorwaarden houden in dat:

– het dient te gaan om functies met de zgn. B-status, d.w.z. zonder opsporingsbevoegdheid;

– de doorstroming naar andere c.q. hogere functies gegarandeerd moet zijn;

– samenhangend met de vorige voorwaarde: de eisen inzake integriteit en kwaliteit zoals die thans bij de politie-organisatie gelden, onverkort van kracht blijven;

– er geen sprake mag zijn van verdringing.

2. Ook van de zijde van de korpsen is aangegeven dat men mogelijkheden ziet voor functies in de laagste loonschaal in de toezichthoudende sfeer. Voor deze functies zouden dan de navolgende voorwaarden moeten gelden:

– toezichthouders zijn alleen denkbaar in functies zonder opsporingsbevoegdheid;

– de mogelijkheid tot het stellen van selectiecriteria dient te bestaan;

– er mag geen sprake zijn van verdringing.

Gegeven deze voorwaarden, en uitgaande van het detacheringsverbod per 1-7-1997, ben ik nagegaan welke bijdrage de politie-organisatie kan leveren aan de realisering van de doelstelling van de 40 000-banenregeling op het terrein van openbare veiligheid en toezicht: werkgelegenheid in het onderste segment van de arbeidsmarkt t.b.v. de veiligheid van burgers. Daarbij heb ik de thans geldende voorwaarden van de 40 000-banenregeling tot uitgangspunt genomen. In dit verband zijn met name van belang:

– arbeidsplaatsen dienen tot stand gebracht te worden in omschreven sectoren, waaronder de sector openbare veiligheid en toezicht;

– de gemaximaliseerde beloning conform de subsidievoorwaarden van de regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen;

– de doelgroep bestaat uit langdurig werklozen;

– beoogd wordt het creëren van structurele, nieuwe werkgelegenheid;

– er mag geen sprake zijn van verdringing en verstoring van concurrentieverhoudingen.

Uitgaande van de politietaak zal de toezichthoudende functie binnen de politie-organisatie een beperktere moeten zijn dan het functieprofiel, zoals dat op dit moment door veel gemeenten wordt gehanteerd en dat ontleend is aan het Functieprofiel van Stadswacht Nederland. Zo vallen het zogenoemde gastheerschap en activiteiten die op beheer gericht zijn niet binnen de huidige politietaak. Voorts leidt de gemaximaliseerde beloning in de 40 000-banenregeling tot een beperking ten opzichte van de huidige taakstelling van de gemeentelijke toezichthouders. Voor een toezichthouder in schaal 1 zie ik een tweetal mogelijke taken: de preventieve taak waarbij het gaat om het nadrukkelijk aanwezig zijn (en dus niet waarschuwend optreden) en de signalerende taak: het vormen van een extra oog en oor voor de politie-organisatie.

Naast deze toezichthoudende functies zie ik ook mogelijkheden voor andersoortige functies binnen de politie-organisatie op basis van genoemde regeling. Met name denk ik daarbij aan assistent-functies in de sfeer van: assistent-bijrijder wegsleepdienst, assistent-medewerker verkeerscamera's, het assisteren bij het opzetten van een fuik bij alcoholcontrole en bewaarder voor gestolen/gevonden fietsen. Ook zouden korpsen wellicht nieuwe functies kunnen creëren zoals bijvoorbeeld het ophalen en naar huis begeleiden van bejaarden die aangifte van een misdrijf willen doen.

Het ligt in mijn voornemen om op korte termijn:

– in overleg te treden met de politievakorganisaties om hun opvattingen te vernemen over de hiervoor voorgestelde lijn;

– de korpsen te verzoeken na te gaan op welke wijze zij dergelijke functies kunnen samenstellen voor de desbetreffende doelgroep en vervolgens de gemeente(n) te verzoeken subsidie beschikbaar te stellen;

– de korpsen te verzoeken na te gaan welke doorstroommogelijkheden gerealiseerd kunnen worden t.b.v. toezichthouders in dienst van de gemeenten en ten behoeven van de nieuw te creëren functies binnnen de politie-organisatie;

– de korpsen te informeren over de consequenties van de inwerktreding van het detacheringsverbod per 1-7-1997: aan gemeenten en politiekorpsen na inwerkingtreding van het detacheringsverbod een overgangstermijn van een half jaar, derhalve tot 1 januari 1998, te bieden waarin zij invulling kunnen gaan geven aan de nieuwe wijze van samenwerken, danwel de overheveling van werknemers.

Indien uw Kamer, zoals de heer Korthals tijdens de regeling van werkzaamheden op 13 mei 1997 suggereerde, voordien van gedachten wil wisselen over de nu voorgestelde aanpak, verneem ik dat graag.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Naar boven