24 149
Wijziging van enkele onderwijswetten in verband met het opnemen van een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende functies in het onderwijs

nr. 12
AMENDEMENTEN VAN HET LID VAN DER HOEVEN

Ontvangen 19 maart 1996

De ondergetekende stelt de volgende amendementen voor:

I

In artikel I, onderdeel A, wordt in artikel 15, tweede lid, na de eerste volzin een volzin ingevoegd, die luidt:

Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers.

II

In artikel II, onderdeel A, wordt in artikel 23, tweede lid, na de eerste volzin een volzin ingevoegd, die luidt:

Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers.

III

In artikel III, onderdeel A, wordt in artikel 32c, tweede lid, na de eerste volzin een volzin ingevoegd, die luidt:

Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers.

IV

In artikel IV wordt in artikel 4.1.1a, tweede lid, na de eerste volzin een volzin ingevoegd, die luidt:

Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze Minister gepubliceerde cijfers.

V

In artikel VI, onderdeel B, wordt in artikel 4.2, vierde lid, na de eerste volzin een volzin ingevoegd, die luidt:

Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het personeel op het gebied van onderwijs en onderzoek dat werkzaam is in het door de instelling verzorgde onderwijs en onderzoek, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers.

Toelichting

Deze amendementen geven een uitwerking van het begrip «evenredige vertegenwoordiging». Uit de brief van de regering die de gevolgen voor het wetsvoorstel van de zaak Kalanke-Hanzestad Bremen beschrijft (stuk nr. 10) blijkt, dat bij evenredige vertegenwoordiging niet meer van de 50%-norm moet worden uitgegaan. De genoemde brief neemt bij het aangeven van de betekenis van het begrip «evenredige vertegenwoordiging» als vertrekpunt het aandeel van vrouwelijke docenten in de verschillende onderwijssectoren. Omdat doorgaans de leidinggevenden worden geworven uit het onderwijsgevende personeelsbestand, is hiermee het potentieel aan vrouwen voor leidinggevende functies gegeven.

Anders dan de regering is ondergetekende van mening dat deze opvatting over het begrip «evenredige vertegenwoordiging» in het wetsvoorstel dient te worden opgenomen.

Van der Hoeven

Naar boven