24 067
Verdrag inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia; Banjul, 16 juli 1993

nr. 186a
A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 4 oktober 1993 en het nader rapport d.d. 9 november 1993, aangeboden aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 26 augustus 1993, no.93.006799, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een Verdrag inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia; Banjul, 16 juli 1993, met toelichtende nota.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 26 augustus 1993, nr. 93.006799, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 4 oktober 1993, nr. W02.93.0565, bied ik U hierbij aan.

1. In de toelichtende nota, derde volle alinea, is vermeld dat met «Netherlands personnel» bedoeld is het door Nederland ingezette personeel, dat een andere dan de Nederlandse nationaliteit kan hebben. Daargelaten dat naar het oordeel van de Raad van State de keuze voor de term «Netherlands personnel» in dat geval geen gelukkige is, ware in de toelichtende nota uitdrukkelijk aan te geven of die andere dan de Nederlandse nationaliteit ook de Gambiaanse nationaliteit kan zijn. Uit de bewoording van sommige bepalingen, bijvoorbeeld artikel II, eerste lid, onder d, («first arrival») onder g, («repatriation») en onder 1, («entry visas») blijkt dat deze niet zien op personen van de Gambiaanse nationaliteit, maar voor andere bepalingen is dat niet het geval. Dezelfde vraag doet zich voor met betrekking tot de strekking van artikel V, eerste lid, van het verdrag. De toelichting ware aan te vullen.

1. In de toelichting is aangegeven of onder «Netherlands personnel» ook personen met de Gambiaanse nationaliteit kunnen worden begrepen.

2. In het verdrag, bijvoorbeeld in artikel II, eerste lid, onder b en h, lijken de begrippen «Netherlands personnel» en «expert(s)» als synoniemen te worden gebruikt. De Raad vraagt zich in dit verband af of hieruit afgeleid dient te worden dat het «Netherlands personnel» in de zin van dit verdrag uitsluitend uit deskundigen bestaat. Hierop ware in de toelichtende nota in te gaan.

3. Het verdient aanbeveling toe te lichten hoe de categorie «the topping-up experts made available by the Netherlands» (artikel VI, eerste lid, eerste zin, van het verdrag) zich verhoudt tot de «experts» waarvan elders in het verdrag sprake is.

2. en 3. De begrippen «experts» en «topping-up experts» zijn in de toelichting verduidelijkt.

De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State,

W. Scholten

Ik moge U verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. van Mierlo

Naar boven