nr. 186
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 25 januari 1995
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 27 januari 1995.
De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal
wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door
ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de
Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 26 februari 1995.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste
lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State
gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen
het op 16 juli 1993 te Banjul tot stand gekomen verdrag inzake technische
samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia
(Trb. 1993, 126 en 1995, 3).1
Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
TOELICHTENDE NOTA
Met een jaarlijkse gemiddelde bijdrage van 2,5 miljoen gulden aan projecthulp
is Nederland een kleine donor in Gambia. Om een te grote versnippering van
de geringe hulpmiddelen te voorkomen wordt gestreefd naar concentratie van
de activiteiten in één sector. Hierbij is gekozen voor de primaire
gezondheidszorg aangezien Nederland over de noodzakelijke expertise op dit
gebied beschikt. Daarnaast is de Nederlandse samenwerking met Gambia in hoofdzaak
gericht op het verhogen van de voedselzekerheid; speciale aandacht wordt besteed
aan de positie van de vrouw.
Op het terrein van de plattelandsontwikkeling zijn de Nederlandse inspanningen
beperkt tot een putten- en tuinenproject en de introductie van aangepaste
technologie ter beperking van oogstverliezen.
Voorts heeft Nederland deelgenomen aan een overkoepelend project van de
Wereldbank, dat tot doel heeft de primaire gezondheidszorg in Gambia op nationale
schaal te verbeteren. Nederland heeft in dat verband bijgedragen aan de opleiding
van verplegend personeel. In een gezamenlijke financiering met de Wereldbank
heeft Nederland bijgedragen aan de beschikbaarheid van essentiële medicijnen.
Verder draagt Nederland financieel bij aan het African Centre for Democracy
and Human Rights Studies (ACDHRS), welk centrum in 1990 is opgericht ter ondersteuning
van de African Commission on Human and People Rights van de Organisatie van
Afrikaanse Eenheid. Ook zijn gelden beschikbaar gesteld voor de voorbereiding
van een algemene volkstelling die in 1993 zal plaatsvinden. Tenslotte verleent
Nederland incidenteel betalingsbalanssteun.
Het voorliggende verdrag heeft tot doel een juridisch en bestuurlijk kader
te scheppen voor de technische samenwerking tussen Nederland en Gambia, waardoor
de uitvoering van goedgekeurde projecten zal worden gestroomlijnd en aan de
uitgezonden deskundigen de gewenste bescherming geboden kan worden. Het Nederlandse,
dat wil zeggen door Nederland ingezette personeel, dat uitsluitend uit deskundigen
bestaat, kan overigens een andere nationaliteit dan de Nederlandse hebben.
Het zal van de omstandigheden van een specifieke geval afhangen, of een bepaling
ook van toepassing is op personen met de Gambiaanse nationaliteit. De suppletie-deskundigen
genoemd in artikel VI, eerste lid, van het verdrag hebben in tegenstelling
tot de andere deskundigen een arbeidsovereenkomst met een onderneming of organisatie
in Gambia. Daarnaast ontvangen zij uit de OS-fondsen een suppletie op hun
locale salaris.
Overeenkomstig artikel I, tweede lid, van het verdrag, worden ter uitvoering
ervan administratieve akkoorden gesloten waarin de afzonderlijke projecten
worden geregeld. Deze verdragen behoeven ingevolge artikel 7, onderdeel b,
van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen niet de goedkeuring
van de Staten-Generaal, behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van
die Rijkswet.
Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor
Nederland gelden. Het wordt vanaf de datum van ondertekening voorlopig toegepast
in verband met de lopende projecten.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
J. P. Pronk
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo