24 067
Verdrag inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia; Banjul, 16 juli 1993

nr. 186
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 25 januari 1995

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 27 januari 1995.

De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens één van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 26 februari 1995.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, en artikel 5, eerste lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State gehoord, heb ik de eer U hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 16 juli 1993 te Banjul tot stand gekomen verdrag inzake technische samenwerking tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Gambia (Trb. 1993, 126 en 1995, 3).1

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt alleen voor Nederland gevraagd.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. van Mierlo

TOELICHTENDE NOTA

Met een jaarlijkse gemiddelde bijdrage van 2,5 miljoen gulden aan projecthulp is Nederland een kleine donor in Gambia. Om een te grote versnippering van de geringe hulpmiddelen te voorkomen wordt gestreefd naar concentratie van de activiteiten in één sector. Hierbij is gekozen voor de primaire gezondheidszorg aangezien Nederland over de noodzakelijke expertise op dit gebied beschikt. Daarnaast is de Nederlandse samenwerking met Gambia in hoofdzaak gericht op het verhogen van de voedselzekerheid; speciale aandacht wordt besteed aan de positie van de vrouw.

Op het terrein van de plattelandsontwikkeling zijn de Nederlandse inspanningen beperkt tot een putten- en tuinenproject en de introductie van aangepaste technologie ter beperking van oogstverliezen.

Voorts heeft Nederland deelgenomen aan een overkoepelend project van de Wereldbank, dat tot doel heeft de primaire gezondheidszorg in Gambia op nationale schaal te verbeteren. Nederland heeft in dat verband bijgedragen aan de opleiding van verplegend personeel. In een gezamenlijke financiering met de Wereldbank heeft Nederland bijgedragen aan de beschikbaarheid van essentiële medicijnen. Verder draagt Nederland financieel bij aan het African Centre for Democracy and Human Rights Studies (ACDHRS), welk centrum in 1990 is opgericht ter ondersteuning van de African Commission on Human and People Rights van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid. Ook zijn gelden beschikbaar gesteld voor de voorbereiding van een algemene volkstelling die in 1993 zal plaatsvinden. Tenslotte verleent Nederland incidenteel betalingsbalanssteun.

Het voorliggende verdrag heeft tot doel een juridisch en bestuurlijk kader te scheppen voor de technische samenwerking tussen Nederland en Gambia, waardoor de uitvoering van goedgekeurde projecten zal worden gestroomlijnd en aan de uitgezonden deskundigen de gewenste bescherming geboden kan worden. Het Nederlandse, dat wil zeggen door Nederland ingezette personeel, dat uitsluitend uit deskundigen bestaat, kan overigens een andere nationaliteit dan de Nederlandse hebben. Het zal van de omstandigheden van een specifieke geval afhangen, of een bepaling ook van toepassing is op personen met de Gambiaanse nationaliteit. De suppletie-deskundigen genoemd in artikel VI, eerste lid, van het verdrag hebben in tegenstelling tot de andere deskundigen een arbeidsovereenkomst met een onderneming of organisatie in Gambia. Daarnaast ontvangen zij uit de OS-fondsen een suppletie op hun locale salaris.

Overeenkomstig artikel I, tweede lid, van het verdrag, worden ter uitvoering ervan administratieve akkoorden gesloten waarin de afzonderlijke projecten worden geregeld. Deze verdragen behoeven ingevolge artikel 7, onderdeel b, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen niet de goedkeuring van de Staten-Generaal, behoudens het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van die Rijkswet.

Het verdrag zal uit zijn aard, wat het Koninkrijk betreft, alleen voor Nederland gelden. Het wordt vanaf de datum van ondertekening voorlopig toegepast in verband met de lopende projecten.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,

J. P. Pronk

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. van Mierlo


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven