24 054
Nationaal ruimtelijk beleid

nr. 23
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 oktober 1995

Zoals ik U tijdens het nota-overleg van 3 april 1995 (24 054, nr. 16) heb toegezegd, bied ik U hierbij, mede namens mijn collega's van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, een notitie aan over het rijksbeleid ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving.

Het instandhouden en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving acht ik een belangrijke maatschappelijke en culturele opgave. De kwaliteit en identiteit van de fysieke ruimte waar mensen en organisaties in functioneren, zijn van groot belang voor hun maatschappelijk welbevinden. Burgers en organisaties koesteren immers tal van uiteenlopende wensen en behoeften ten aanzien van de kwaliteit van hun leefomgeving.

Deze wensen zijn soms onderling tegenstrijdig en de mogelijkheden van de fysieke ruimte om tegemoet te komen aan behoeften zijn niet ongelimiteerd. De kwaliteit van de ruimtelijke omgeving wordt, door de overheid, grofweg beïnvloed door:

a. de nationale keuzes in de ruimtelijke ordening en de daarvan afgeleide ruimtelijke keuzes op provinciaal en gemeentelijk nivo;

b. de inrichtings- en bouwactiviteiten door met name de lokale overheden.

De rol van het rijk wordt ingevuld door de vormgeving van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur en vastgelegd in het vigerende ruimtelijke ordeningsbeleid (zoals onder meer neergelegd in de PKB-VINEX en het SGR). Verder geeft het rijk in zijn positie als wetgever en financier vorm en inhoud aan tal van instrumenten op het gebied van verwerving, inrichting en beheer, zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied. Vervolgens hanteert het rijk flankerend stimuleringsbeleid, vooral met behulp van gerichte en op maat gesneden impulsen.

Gemeenten en provincies zijn primair verantwoordelijk voor het realiseren van ruimtelijke kwaliteit, waarbij het gaat om de best mogelijke wederkerige aanpassing van maatschappelijke wensen en beschikbare ruimte.

Ten aanzien van de actualisering van het vigerende ruimtelijke ordeningsbeleid voor de middellange termijn heb ik toegezegd U in het voorjaar van 1996 te informeren over mijn visie op de verstedelijkingsvoorstellen van de provincies en regio's, waarbij ik ook de resultaten van de Groene Hart Gesprekken zal betrekken. In een afzonderlijke notitie zal ik U tevens mijn visie geven op de in de afgelopen maanden gepresenteerde sectorale ruimtelijke nota's en de relatie die deze hebben met het ruimtelijk beleid.

Voor de totstandkoming van de ruimtelijke visie voor de lange termijn (de Vijfde Nota) beginnen wij in 1996 met de voorbereidende werkzaamheden. De resultaten daarvan zullen worden neergelegd in de Verkenning Ruimtelijke Perspectieven in 1997. Deze Verkenning zal als basis dienen voor een brede discussie over de Ruimtelijke Inrichting van Nederland in de eerste helft van de 21e eeuw.

In bijgaande notitie informeer ik U over lopende en nieuwe activiteiten in het kader van het flankerend beleid voor de ruimtelijke kwaliteit. Bij het bepalen van mijn prioriteiten heb ik twee principes gehanteerd. Ten eerste zal sprake moeten zijn van een voorbeeldig opdrachtgeverschap voor die activiteiten waarvoor het rijk zelf de uitvoeringsverantwoordelijkheid draagt. Ten tweede moeten optimale stimulansen worden geboden om te werken aan een hoge ruimtelijke kwaliteit voor die activiteiten waarvoor anderen de uitvoeringsverantwoordelijkheid dragen.

Ten behoeve van het streven naar ruimtelijke kwaliteit zal ik mij inzetten voor de voortzetting, verbreding en versterking van het algemene architectuurbeleid onder meer door:

– Continuering van de financiële betrokkenheid voor de periode 1997–2000 bij het Stimuleringsfonds voor de Architectuur, Architectuur Lokaal en het Berlage Instituut. De definitieve besluitvorming omtrent hoogte en verdeling van de bijdragen zal medio 1996 plaatsvinden in het kader van de Cultuurnota op basis van de door de instellingen ingediende beleidsplannen.

– De versterking van het Platform Architectuurbeleid (VROM, OCW, LNV) door uitbreiding met vertegenwoordiging van het Ministerie van V&W voor een betere verankering en samenhang van het beleid binnen de rijksoverheid ten aanzien van architectuur, stedebouw en landschapsarchitectuur. Het platform zal een stimulerende rol moeten vervullen in het verder verankeren van het verantwoordelijkheidsbesef voor de vormgevingskwaliteit bij de deelnemende ministeries.

Nieuwe activiteiten die ik vanaf 1996 wil inzetten zijn:

– het na interdepartementaal overleg instellen van tijdelijke platforms ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige ruimtelijke vormgeving van die grote infrastructurele, bouw- en groenprojecten waarvoor het rijk verantwoordelijk is en zelf bij de uitvoering betrokken is. Deelname van de RPD, de Rijksbouwmeester, OCW/RDMZ, V&W en LNV staat mij daarbij voor ogen. Het eerst verantwoordelijke ministerie zal van een dergelijk adviserend platform de trekker zijn;

– het organiseren van de inbreng van diverse publieke en private partijen bij de fundamentele herbezinning op de uitgangspunten van het ruimtelijk beleid, die zal uitmonden in de Verkenning Ruimtelijke Perspectieven in 1997. Hierbij zullen onder andere opdrachten worden verstrekt aan externe onderzoekers en ontwerpers in verschillende fasen van het beleidsproces. In dit proces wordt bijzondere aandacht besteed aan de perspectieven voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Randstad en de relatie van de Randstad met andere grootstedelijke regio's in Noordwest Europa;

– het uitvoeren van een terreinverkenning naar de stedebouwkunde ten behoeve van verbreding en verdieping van (het bereik van) de stedebouwkundige discipline, vergelijkbaar met de uitgevoerde terreinverkenning naar de landschapsarchitectuur;

– het opzetten van een stimuleringsprogramma voor ontwerpstudies en innovatieve onderzoeken en plannen onder het thema «intensief en meervoudig ruimtegebruik».

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

M. de Boer

NOTITIE OVER HET BELEID VOOR RUIMTELIJKE KWALITEIT

De ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving heeft een belangrijke invloed op de kwaliteit van ons bestaan. Een hoge ruimtelijke kwaliteit geeft identiteit en karakter aan plekken, is van groot belang voor het welbevinden van burgers en komt tegemoet aan de behoefte aan rust en veiligheid, sociale contacten, culturele verscheidenheid en herkenbaarheid. Een schone en duurzame leefomgeving, waardevolle natuur en landschappen en minder verspilling zijn gewenst. Voor bedrijven is ruimtelijke kwaliteit in de vorm van een goed vestigingsklimaat en een aantrekkelijk imago van de omgeving evenzeer voorwaarde voor optimaal functioneren. Burgers en organisaties koesteren tal van uiteenlopende wensen en behoeften ten aanzien van deze leefomgeving en ontlenen er identiteit en zingeving aan. Die wensen zijn soms onderling tegenstrijdig en de mogelijkheden van de fysieke ruimte om tegemoet te komen aan behoeften zijn niet ongelimiteerd. Het instandhouden en verbeteren van de ruimtelijke, landschappelijke en stedebouwkundige kwaliteit van onze leefomgeving is daarmee een belangrijke maatschappelijke en culturele opgave.

Overheden, burgers, bedrijven en instellingen hebben ieder vanuit hun eigen opvattingen en belangen invloed op de kwaliteit van de leefomgeving. Naast belanghebbende zijn ze ook actor in het proces van totstandkoming van ruimtelijke kwaliteit. In dit proces zijn gemeenten en provincies primair verantwoordelijk voor het realiseren van ruimtelijke kwaliteit, vaak in samenwerking met diverse marktpartijen. Op lokaal niveau zijn daarvoor instrumenten beschikbaar. Het rijk vervult in dit proces een ondersteunende rol op afstand. De rijksoverheid heeft hierin een tweeledige taak. Enerzijds door het scheppen van gunstige randvoorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen door middel van het reguliere ruimtelijke ordeningsbeleid, door het vormgeven van de ruimtelijke hoofdstructuur van ons land en door als wetgever en financier vorm en inhoud aan tal van instrumenten op het gebied van verwerving, inrichting en beheer te geven. Anderzijds in het faciliteren en stimuleren van andere actoren tot samenwerking en innovatie bij het zoeken naar ruimtelijke oplossingen voor diverse maatschappelijke behoeften. Bij een toenemende mondigheid van individuen en organisaties past een vorm van communicatieve planning waar ruime aandacht is voor het werken «van buiten naar binnen». De rijksoverheid wil ook leren van ideeën en oplossingen van anderen. Het streven naar ruimtelijke kwaliteit is daarmee niet het streven naar een vastomlijnd eindresultaat, maar vooral gericht op het organiseren, motiveren en wederzijds stimuleren van alle betrokken partijen in een open proces.

In de bijlage van deze notitie worden de activiteiten kort beschreven die door het rijk, of vanwege het rijk door anderen, worden ondernomen in het kader van het stimuleren van de totstandkoming van ruimtelijke kwaliteit.

De volgende zaken worden versterkt en/of verbreed voortgezet:

– Voortzetting van de financiële betrokkenheid bij het Stimuleringsfonds voor Architectuur voor de periode 1997–2000.

In een korte periode van twee jaar heeft het Stimuleringsfonds voor Architectuur zich een plek weten te verwerven. Het Fonds heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het architectuur-debat in Nederland. De stimulerende maatregelen ten aanzien van de bouw- en planningspraktijk zijn in die periode minder uit de verf gekomen. De financiële betrokkenheid wordt voorgezet met dien verstande dat in het beleidsplan van het Fonds een herkenbare accentverschuiving naar de bouw- en planningspraktijk wordt opgenomen waarbij:

– het lokaal architectuurbeleid (architectuur, stedebouw en landschapsarchitectuur) wordt gestimuleerd,

– er aandacht is voor de kwaliteit van het (professionele) opdrachtgeverschap, en

– voortzetting plaatsvindt van het vakinhoudelijke debat over kleine en grote bouwstromen in het kader van de komende bouw- en ontwerpopgave.

– Voortzetting van de financiële betrokkenheid bij Architectuur Lokaal voor de periode 1997–2000.

De lokale overheden spelen bij het streven naar ruimtelijke kwaliteit een cruciale rol. Door het scheppen van voorwaarden op planologisch gebied (ruimtelijke ordenings- en grondbeleid) en met behulp van flankerend beleid in de vorm van planbegeleiding en welstandstoezicht kunnen de lokale overheden de kwaliteit in belangrijke mate bepalen en het geformuleerde ruimtelijke kwaliteitsbeleid in de praktijk handhaven. Lokale overheden kunnen bij de formulering van gemeentelijk architectuurbeleid gebruik maken van de diensten van Architectuur Lokaal.

– Voortzetting van de financiële betrokkenheid bij het Berlage Instituut.

Het Berlage instituut zal verder worden ondersteund in zijn ontwikkeling tot een centrale voorziening voor de ontwerpvakgemeenschap (architecten, landschapsarchitecten en stedebouwkundigen) en waar mogelijk worden benut als studiecentrum en discussieplatform. Daarbij zullen ook de andere ontwerp-opleidingen worden betrokken.

Naast het opleidingsprogramma kan het instituut een rol gaan spelen bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke en functionele scenario's (nieuwe woningtypen, bouwen in hoge dichtheden en dergelijke). Ook kan het worden ingeschakeld voor specifieke locatiegebonden studieopdrachten, zoals die onder meer bij de grote bouwlocaties en infrastructurele werken aan de orde zijn. Bovendien zijn er mogelijkheden om het Berlage instituut te betrekken bij de eigen opgaven van het rijk waar het het versterken van de contacten tussen de departementale beleidmakers en de ontwerpende disciplines stedebouw en landschapsarchitectuur betreft.

– De versterking van het Platform Architectuurbeleid (VROM, OCW, LNV) door uitbreiding met vertegenwoordiging van het Ministerie van V&W voor een betere verankering en samenhang van het beleid binnen de rijksoverheid ten aanzien van stedebouw, landschapsarchitectuur en architectuur.

De beleidsontwikkeling ten aanzien van architectuur, stedebouw en landschapsarchitectuur heeft een verankering in het vigerende Platform voor Architectuurbeleid (VROM, LNV, OCW) dat de bewindslieden adviseert over het architectuurbeleid. Dit platform onder voorzitterschap van de Rijksbouwmeester is ingesteld als uitvloeisel van de nota Architectuurbeleid. Het bestaat nu uit de vertegenwoordigers van OCW, VROM, en LNV. Een spoedige uitbreiding met vertegenwoordiging van V&W betekent een versterking van het platform en een verbetering van de mogelijkheden om tot interdepartementale beleidsontwikkeling op dit vlak te komen.

Het platform zal een stimulerende rol moeten vervullen in het verankeren van het verantwoordelijkheidsbesef voor de vormgevingskwaliteit bij de deelnemende ministeries. Zij zal daartoe met nadere voorstellen komen.

De volgende zaken zullen vanaf 1996 nieuw worden ingezet.

– Het na interdepartementaal overleg instellen van tijdelijke platforms ten behoeve van een kwalitatief hoogwaardige ruimtelijke vormgeving van die grote infrastructurele, bouw- en groenprojecten waarvoor het rijk verantwoordelijk is en zelf bij de uitvoering betrokken is. Deelname van de RPD, de Rijksbouwmeester, OCW/RDMZ, V&W en LNV staat mij daarbij voor ogen. Het eerst verantwoordelijke ministerie zal van een dergelijk adviserend platform de trekker zijn.

De zorg voor een duurzame, een goed te gebruiken en een aantrekkelijk vormgegeven ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland stelt het rijk voor een bijzondere verantwoordelijkheid. De Randstad met daarin de mainports, de achterlandverbindingen en het Groene Hart nemen daarbij een bijzondere positie in. De wijze waarop de inpassing van nieuwe, grootschalige infrastructuur (zoals de verbindingen voor hoge snelheidslijnen en snelwegen), bouwprojecten, maar ook grootschalige veranderingen van grondgebruik en beheer in de Ecologische Hoofdstructuur en Strategische Groenprojecten (SGR) plaatsvindt is van groot belang voor de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Een kwalitatief hoogwaardige inpassing is een complexe opgave en vereist een gezamenlijke inspanning. Ook de inpassing van cultuurhistorische waarden in nieuwe ontwikkelingen – mede ter implementatie van het verdrag van Malta – vormt een belangrijk vraagstuk. Vanaf het begin van de idee- en planvorming zullen de departementen moeten samenwerken om uiteindelijk van kwalitatief goede ingrepen te kunnen spreken. Recent is een interdepartementaal platform voor de planning en inpassing van snelwegen in het leven geroepen.

Dit platform kan als voorbeeld dienen voor de wijze waarop gezamenlijk met inpassings- en vormgevingsvraagstukken bij grote ruimtelijke ingrepen kan worden omgegaan.

– Het organiseren van de inbreng van diverse publieke en private partijen bij de fundamentele herbezinning op de uitgangspunten van het ruimtelijk beleid, die zal uitmonden in de Verkenning Ruimtelijke Perspectieven in 1997. Hierbij zullen onder andere opdrachten worden verstrekt aan externe onderzoekers en ontwerpers in verschillende fasen van het beleidsproces. In dit proces wordt bijzondere aandacht besteed aan de perspectieven voor de ruimtelijke ontwikkeling van de Randstad en de relatie van de Randstad met andere grootstedelijke regio's in Noordwest Europa.

In 1996 zal een start gemaakt worden met een fundamentele bezinning op de uitgangspunten van het ruimtelijk beleid ten behoeve van de Verkenning Ruimtelijke Perspectieven. Bij deze bezinning zal betrokkenheid worden georganiseerd van een veelheid aan partijen, binnen en buiten de overheid. In dit proces zullen de sociaalculturele en sociaal-economische uitgangspunten die ten grondslag hebben gelegen aan de Vierde Nota (Extra) kritisch tegen het licht worden gehouden en zal gewerkt worden aan uiteenlopende toekomstbeelden van ontwerpers, onderzoekers en burgers. Initiatieven die vernieuwende (ontwerp-)activiteiten genereren, zoals bijvoorbeeld die van de Stichting Ontwerpen voor Nederland en de Randstaddebatten van het NAi, kunnen daarbij worden betrokken. Bij deze herbezinning zal gebruik worden gemaakt van de uitkomsten van het interdepartementale projekt «Visie op omgevingsbeleid» en de RPC-advisering dienaangaande.

Op dit moment wordt gedacht aan de volgende vraagstellingen:

– De vraag of behoeften op het gebied van wonen, van bedrijfshuisvesting, van mobiliteit, zoals die op de markt tot uitdrukking komen, altijd moeten worden gevolgd. Of dat met een zorgvuldig ruimtegebruik een zodanig algemeen belang is gemoeid dat beperking onontkoombaar is. Ten behoeve van deze discussie moet ook zichtbaar worden gemaakt wat er gebeurt als aan die wensen wel onverkort voldaan wordt, waarbij overigens technologische oplossingen serieus bekeken moeten worden.

– Het verband tussen economische groei uit mainports, onze distributiefunctie en onze landbouwsector enerzijds en de milieubelasting anderzijds. Wil economische groei mogelijk blijven, dan moeten energieverbruik en milieubelasting daar niet gelijk mee opgaan. In de discussie kan worden gewerkt met verschillende scenario's voor de positie van Nederland in Noordwest-Europa, inclusief de sociaal-economische consequenties.

– De verhouding Randstad-overig Nederland. Moeten de uitschuiftendensen van bedrijvigheid worden gevolgd, met bijbehorende overloop van het wonen? Is de ruimtelijke capaciteit en de milieu-draagkracht van met name Brabant en Gelderland daartegen opgewassen? Kan het Noorden misschien een veel grotere rol spelen? Of moet juist worden ingezet op een veel sterkere concentratie in de Randstad? Zowel een scenario gebaseerd op ontwikkeling van de corridors richting Duitsland en België, als een scenario gericht op een echte metropolitane ontwikkeling in de Randstad zou in dit verband moeten worden verkend.

– Het uitvoeren van een terreinverkenning naar de stedebouwkunde ten behoeve van verbreding en verdieping van (het bereik van) de stedebouwkundige discipline, vergelijkbaar met de uitgevoerde terreinverkenning naar de landschapsarchitectuur.

Door het rijk is op basis van de nota Architectuurbeleid vooral aandacht geschonken aan architectuur. Recent is ook de landschapsarchitectuur daarbij betrokken op basis van het rapport «Het Cultuurlandschap». Voor de stedebouw is een dergelijke culturele verkenning nog niet voorhanden. Het gaat daarbij om een korte studie, mede in samenspraak met de Bond van Nederlands Stedebouwkundigen (BNS), naar de ontwikkeling van de stedebouw en de wijze waarop door de overheid gunstige condities daarvoor kunnen worden geschapen. Hierbij zullen ook de uitkomsten van het al afgeronde internationaal vergelijkende onderzoek naar het architectuur- en stedebouwonderwijs worden meegenomen.

– Het opzetten van een stimuleringsprogramma voor ontwerpstudies en innovatieve onderzoeken en plannen onder het thema «intensief en meervoudig ruimtegebruik».

Vanuit het oogpunt van zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte en vergroting van het draagvlak van voorzieningen moet intensief ruimtegebruik verder worden gestimuleerd, zowel voor woningen en bedrijven als voor infrastructuur. Verdichting in bestaand stedelijk gebied is daarbij inbegrepen. Nieuwe vormen van gestapeld bouwen met ruime woningen moeten worden verkend. Combinaties van wonen en andere voorzieningen (winkels, kantoren, sport en recreatie) vragen ook het nodige onderzoek. Verrassende woningontwerpen moeten worden ontwikkeld die bewoners niet alleen een dak boven hun hoofd bieden, maar ook een duurzaam woongenot. Daarbij kan onder meer aan aanpasbare woningplattegronden worden gedacht. Gedifferentieerd bouwen en vergroting van de woonmilieudifferentiatie kunnen de kwaliteit van het wonen verder versterken.

Veel aandacht verdient de kwaliteit van de groene ruimte in de stad. Bescherming en vooral versterking van de recreatieve, ecologische en culturele waarde van het bestaande groen («upgrading») en voort ontwikkeling van compacte groene ontwerpen met een hoge kwaliteit en capaciteit voor meervoudig ruimtegebruik. Veel aandacht is daarbij nodig voor de waardering en wensen van de gebruikers. Niet alleen door te kijken wat de waardering is voor nu bekende woningen, bedrijfslocaties en woon-werkmilieus, maar juist te onderzoeken hoe de waardering is van nog nieuw te ontwikkelen milieus.

Het is gewenst om verschillende actoren te stimuleren op uitvoering gerichte voorbeelden uit werken die passen binnen de beleidskaders van het rijk. Het bouwen in hoge dichtheden en het respecteren van ecologische waarden hoort daarbij. Ook kan daarbij gedacht worden aan het entameren van innovatieve experimenten die waardevolle lessen kunnen opleveren voor het bestaande rijksbeleid.

BIJLAGE I

BEKNOPTE OMSCHRIJVING VAN DE LOPENDE ACTIVITEITEN PER DOELGROEP

a. Beleidmakers van andere overheden

VROM Voorbeeldplannen Vierde nota

Het project is gestart in 1989 en is in mei 1995 met een eindmanifestatie afgerond. Doel is het verbeteren van de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving door middel van het stimuleren en faciliteren van vernieuwende ideeën op lokaal en regionaal niveau voor verdere uitwerking tot Voorbeeldplan Vierde nota, en daaraan landelijke bekendheid geven. Vijf thema's zijn verkend: Kringlopen ruimtelijk vormgeven; Openbare Ruimte; Planning Landelijk Gebied; Naoorlogse Woonwijken en Werklocaties & Mobiliteit. Als werkwijze is een prijsvraag-achtige opzet gehanteerd. Het project heeft bijna 600 ideeën gegenereerd, waarvan 52 zijn uitgewerkt tot Voorbeeldplan. Hieraan is brede bekendheid gegeven met behulp van brochures, publikaties in vakbladen, presentaties, symposia, cursussen, etc.

VROM Handreikingen gemeentelijk kwaliteitsbeleid

Binnen het kader van «kwaliteitsbevordering op afstand» past het aanreiken van hulpmiddelen die – vrijblijvend – als leidraad kunnen worden gebruikt door de bij de planontwikkeling betrokken partijen (zoals ontwikkelingskaders, voorbeeldstudies, handleidingen, kwaliteitswijzers e.d.). Voorbeelden hiervan zijn een handleiding met prototypen voor het ontwerp van wervende woonmilieus in VINEX-locaties, een «kwaliteitswijzer woonomgeving» gericht op het tot stand komen van een goede gebruikskwaliteit van de woonomgeving en een handboek met ontwerpprincipes voor de ontwikkeling van uit milieu-oogpunt duurzame stedebouwkundige plannen. Bij de uitwerking van deze instrumenten worden waar mogelijk belanghebbende partijen actief betrokken. Daarmee wordt het draagvlak voor het gebruik en de toepassing van de ontwikkelde instrumenten vergroot.

VROM Kwaliteit op Locatie

Dit VROM-brede project is eind 1994 van start gegaan en loopt door tot 1997. V&W, het NIROV, de SEV, Architectuur Lokaal en Novem werken hieraan mee. Doel is het stimuleren van de uitvoerende partijen om een hoge ruimtelijke kwaliteit op de Vinexlocaties te realiseren. Zowel inhoudelijke aspecten als de proceskant krijgen daarbij aandacht. Er zijn zes «synergielocaties» gekozen (CIBOGA-terrein in Groningen, Houten Zuid, de Sprong over de Waal van Nijmegen, de lokatie Assendelft Noord van de gemeente Zaanstad, de Stedenband Twente waarin de gemeenten Enschede, Hengelo en Almelo samenwerken en de locatie Eindhoven-Meerhoven). De daarbij opgedane kennis wordt breed verspreid. Inmiddels kent het project een periodieke bestuurdersconferentie, een Vinex-ontwerpersoverleg (Machinekamer) en een overleg met marktpartijen. Er wordt voorzien in een adequate behandeling van de signalen die terug komen richting VROM.

De samenwerkende inspecties van VROM maar ook de regionale Directies van V&W hebben een expliciete rol in dit project.

VROM Project Duurzaam Bouwen

Doel van dit project is duurzaam bouwen binnen een periode van twee tot drie jaar van het nivo van experiment naar de grote bouwstroom te krijgen.

De aanpak is er op gericht duurzaamheidsaspecten een sterkere en op termijn vaste positie te geven in de besluitvorming over de inrichting en het gebruik van de gebouwde omgeving. Het gaat om de besluitvorming op drie schaalniveaus: stedebouw, gebouw en materialen. Er zijn drie hoofdkeuzen gedaan: samenwerking met de markt, een rol voor de rijksoverheid als stimulator en bewaker van de voortgang en een selectiviteit in het handelen. Deze selectie van speerpunten is langs vier sporen uitgewerkt:

– harmoniseren: meer duidelijkheid en eenheid in het definiëren van duurzaam bouwen,

– realiseren: daadwerkelijke toepassing van duurzaam bouwen,

– consolideren: hechte verankering van duurzaam bouwen; en

– prepareren: investeren in de ontwikkeling van nieuwe inzichten, kennis en innovaties.

OCW + VROM Beeldkwaliteitplannen

Het beeldkwaliteitplan is een op locatie en situatie afgestemd referentiekader voor de toekomstige architectonische en stedebouwkundige vormgeving. De grondslag voor de ontwikkeling van een beeldkwaliteitplan wordt gevormd door een inventarisatie, analyse en evaluatie van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande gebouwde omgeving. Mede dank zij de stimulerende maatregelen van het rijk (beschikbaar stellen handleiding, mogelijkheid verkrijgen van een financiële bijdrage in ontwikkelingskosten via het Stimuleringsfonds voor Architectuur) hebben tal van gemeenten inmiddels beeldkwaliteitplannen ontwikkeld. Het instrument wordt inmiddels volop ingezet ten behoeve van vooral het ontwerp van nieuwe woongebieden. Recent is opdracht verleend voor een evaluatie van het gebruik en de effecten van het beeldkwaliteitplan.

OCW + VROM Aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten

Ruimtelijke kwaliteit heeft alles te maken met de herkenbaarheid en identiteit van de leefomgeving. Aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten op basis van de monumentenwet vormt een belangrijke ondersteuning van lokaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het gaat daarbij om doelbewust en zorgvuldig omgaan met en creatief inspelen op de aanwezige cultuurwaarden.

Tevens zal gezocht worden naar mogelijkheden om het instrument van aanwijzing uit de monumentenwet te benutten als een stimulans in het omgaan met ruimtelijke ingrepen en cultuurhistorische waarden van grotere gebieden.

LNV Stimulering Landschapsbeleidsplannen en Landschapstruktuurplannen

Ter stimulering van deze plannen trekt LNV jaarlijks fl. 600 000,00 uit. Met dit geld bemiddelt en stimuleert het Landelijk overlegorgaan Natuur en Landschap de totstandkoming van deze plannen bij gemeenten. Voorwaarde is dat wordt uitbesteed aan erkende particuliere bureaus en dat max. 50% door het rijk wordt betaald. Tot de doelstellingen van deze plannen behoort de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap.

In de afgelopen jaren is op deze wijze bijna eenderde van het landelijk gebied van Nederland belegd met deze plannen. Door middel van deze regeling is de deskundigheid en expertise van particuliere bureaus toegenomen en is de aandacht voor het landschap op lokaal politiek niveau toegenomen. Thans wordt dit instrument herijkt.

LNV Visie Stadslandschappen: discussietrajekt en Balans

In april van dit jaar is de Visie Stadslandschappen uitgebracht. Deze discussienota is aan diverse groeperingen voorgelegd en is onderwerp van bespreking in een groot aantal studiebijeenkomsten.

De nota bevat een zestal strategieën die kunnen bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het verstedelijkte gebied in Nederland. Begin 1996 zullen de bevindingen naar aanleiding van deze discussie aan de 2e Kamer worden aangeboden. Hierbij staat centraal de rol van het rijk als beheerder en ontwikkelaar van instrumenten op het gebied van voorlichting en educatie, verwerving, inrichting en beheer en het onderzoek.

LNV en VROM Plattelandsvernieuwing

Deze activiteit beoogt de ruimtelijke, ecologische en economische kwaliteit van landelijke gebieden te verhogen. Het gaat hierbij om het draagvlak en de realiseringskansen voor het beleid voor het landelijk gebied te versterken. Met de provincies wordt gezocht naar een meer flexibele toepassing van rijksinstrumenten op het gebied van natuur, milieu, landbouw en recreatie in een slagvaardige gebiedsgerichte aanpak. Voor 1996 zullen enkele proefprojecten financiëel worden ondersteund.

LNV Inrichting landelijk gebied

In het kader van de herijking van het landinrichtingsinstrumentarium wordt nagegaan hoe de bijdrage van landinrichting aan plattelandsvernieuwing en de stad-land problematiek kan worden versterkt. Binnen in voorbereiding en in uitvoering zijnde landinrichtingsprojekten (ca. 1 miljoen ha.) is de aandacht voor vormgeving door publicaties, scholing en kwaliteitsverhoging van de uitvoering de laatste jaren sterk gestimuleerd.

LNV Gemeentelijke Natuurprijs

Ter bevordering van de ecologische waarden van steden en dorpen wordt eens per jaar de gemeentelijke natuurprijs uitgereikt. Zij bestaat uit een bijdragen van fl. 50 000,00 bij de realisatie van het winnende plan en wordt uitgekeerd aan de gemeente.

LNV Toegepaste Landschapsstudies.

Bij de Landbouwuniversiteit Wageningen, Het Staring Centrum en Instituut voor Bos en Natuuronderzoek, vormt de landschapsarchitectuur, de cultuurhistorie en de landschapsbeleving een vast onderdeel in de onderzoeksprogrammering. Voorts wordt bestaande kennis beter toepasbaar gemaakt voor beleid en planvorming bij de informatie kenniscentra van LNV. Een voorbeeld daarvan is de studiereeks «Bouwen aan een levend landschap» van IKC Natuurbeheer.

b. Opdrachtgevers uit (semi-)overheid en markt

VROM Rijksprijs voor Bouwen en Wonen «de Bronzen Bever»

De Rijksprijs voor Bouwen en Wonen de Bronzen Bever is een prijs voor opdrachtgevers van toonaangevende projecten in de utiliteitsbouw, woningbouw en ruimtelijke ordening. De prijs wordt uitgereikt wegens voorbeeldig opdrachtgeverschap. Hij is inmiddels vijf maal uitgereikt: utiliteitsbouw (1990, 1993), woningbouw (1991, 1994) en ruimtelijke ordening (1992). In 1995 zal de prijs weer uitgaan naar een opdrachtgever op het terrein van de ruimtelijke ordening. Inzendingen zijn dit jaar gevraagd voor het thema water. De prijs bestaat uit een bedrag van hfl. 50 000,00 en een bronzen plaquette.

OCW+VROM Verbetering opdrachtgeversschap

De komende periode zal aan het opdrachtgeverschap als culturele missie veel aandacht gegeven worden, zowel gericht op de overheid als op de marktpartijen. Het gaat behalve om de bouwsector ook om de landinrichting en de infrastructuur. In samenwerking tussen de beroepsverenigingen BNA, BNS, BNI en NVTL is een stimuleringsprogramma voor incidentele opdrachtgevers opgezet, dat beoogt kennis, deskundigheid en kwaliteitsbewustzijn bij de niet-professionele opdrachtgevers te vergroten.

c. Intermediaire instellingen en kaders

VROM Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting

De door VROM/DGVH financieel ondersteunde Stichting Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) besteedt in haar voorstudies, experimenten en kennisoverdracht o.m. aandacht aan de duurzaamheid, levensloopbestendigheid en veiligheid van woning en woonomgeving. In dit kader zijn o.m. praktisch toepasbare hulpmiddelen vervaardigd (checklisten, eisenpakketten, werkwijzers + het consumentenkeurmerk «Seniorenlabel»).

De activiteiten van de SEV in het kader van het VROM-project «Kwaliteit op Locatie» zijn toegespitst op het gericht stimuleren van de grootschalige praktijktoepassing van de kennis, inzichten en ervaringen die in SEV-experimenten zijn opgedaan. Daarnaast is de SEV actief met de integrale aanpassing van de kwaliteit van de bestaande woonomgeving (+ wijkvoorzieningen + woningen) t.b.v. van ouderen, met buurtbeheer(bedrijven) en met voorraadbeheer in de eigen-woningsector (financieringsvormen + onderhoudsdiensten t.b.v. eigenaar-bewoners; verbeteren functioneren Verenigingen van Eigenaren).

VROM Platform Architectuur Lokaal

De sleutel tot een zorgvuldige vormgeving van onze dagelijkse leefomgeving ligt bij gemeenten en provincies. Zij zijn degenen die ruimtelijke beleidsplannen maken en bouwvergunningen verlenen. Zij zijn bovendien als opdrachtgever of als toezichthouder bij zeer veel bouwprojecten direct of indirect betrokken, zoals op het gebied van de stadsuitbreiding, de utiliteitsbouw en de woningbouw. De oprichting van het Platform Architectuur Lokaal heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het entameren en ondersteunen van gemeentelijk en provinciaal beleid. In de eerste plaats door middel van het nog steeds groeiende netwerk van instellingen en deskundigen, in de tweede plaats door de projecten die door Architectuur Lokaal – veelal in samenwerking met derden – worden georganiseerd. In dit verband kan de publikatie «Niet Grijs!» genoemd worden; een handboek voor gemeentelijk architectuurbeleid.

Het ligt in de bedoeling het architectuurbeleid van lokale overheden verder te stimuleren en ondersteunen, ook met het oog op het beheer van de gebouwde cultuur (monumentenzorg).

OCW+VROM Stimuleringsfonds voor Architectuur

Het SfA is in 1993 door OCW samen met VROM opgericht met als doel het bevorderen van de ontwikkeling van de architectuur in de ruimste zin van het woord en het scheppen van voorwaarden voor de realisatie van projecten met een hoge architectonische kwaliteit in Nederland. Teneinde dit doel te verwezenlijken beschikt het SFA in de periode 1993–1996 over een budget ten behoeve van de incidentele subsidiëring op het gebied van manifestaties, publikaties, tijdschriften, lokaal architectuurbeleid, beeldkwaliteitsplannen, deskundigheidsbevordering van opdrachtgevers, voorbeeldplannen, architectuurwedstrijden, audio-visuele produkties, studies en onderzoek.

Naast uitvoeren van de subsidieregeling stelt het SFA zelf belangrijke onderwerpen aan de orde door het initiëren van manifestaties en/of publikaties (bijv. de publikatie De «Periferie Centraal» en het congres Orde & Chaos in de stadsontwikkeling).

In het beleidsplan heeft het SFA aan drie thema's prioriteit gegeven: – revitalisering van de stedebouwkundige discipline, – interventies in historische omgevingen, – de integratie van milieu-uitgangspunten in de bouwpraktijk. Een evaluatie heeft inmiddels plaatsgevonden van de werking van het SfA met het oog op de komende beleidsperiode (1997–2000). De uitkomsten daarvan zullen benut worden bij het opstellen van de Cultuurnota.

OCW Nederlands Architectuur instituut

Het NAi heeft tot doel het bijeen brengen, behouden en toegankelijk maken van collecties, archieven, bibliotheek en documentatie op het gebied van de Nederlandse architectuur en stedebouw en het bevorderen van de kennis van en belangstelling voor de culturele aspecten van de gebouwde omgeving en daarmee het stimuleren van de ontwerpende vakgemeenschap.

Het Nai tracht deze doelstelling te verwezenlijken door middel van: – collecties en archieven, bibliotheek en studiezaal, tentoonstellingen, auditorium, studiecentrum, het tijdschrift Archis, uitgeverij, bijzondere projecten, w.o. bijvoorbeeld de Randstad-debatten.

Het nieuwe gebouw van het NAi in Rotterdam vormt een belangrijk landelijk steunpunt voor de bundeling van kennis, studie en de uitwisseling van gedachten op het gebied van architectuur en stedebouw. De landschaps- en interieurarchitectuur hebben tot nu toe naar verhouding weinig aandacht gekregen. De afdeling Bijzondere Projecten van het NAi, organiseert in samenwerking met anderen congressen, cursussen en andere manifestaties, die gericht kunnen zijn op (segmenten van) de vakgemeenschap en op het brede publiek.

d. Vakgemeenschap

VROM Eo Wijersprijsvraag

De Eo Wijersstichting is in 1985 opgericht ter bevordering van het ruimtelijk ontwerpen op bovenlokaal schaalniveau. De stichting organiseert eens in de drie jaar een ontwerpersprijsvraag. Deze prijsvragen zijn niet direct op uitvoering gericht. Van iedere prijsvraag wordt een plananalyse uitgevoerd. Ook wordt een – door het land reizende – tentoonstelling gemaakt en worden er studiedagen over de resultaten georganiseerd. Recent (1995) is een internationale prijsvraag gehouden over vormgeving van de stedelijke randen van het Groen Hart.

VROM VINEX-Machinekamer Kwaliteit op Locatie

Dit onderdeel van het project Kwaliteit op Locatie richt zich op de ontwerpers en projectleiders van de VINEX-locaties. Aan de hand van een aantal – mede met de deelnemers bepaalde – ontwerpthema's worden de ontwerpen voor de VINEX-locaties besproken en wordt kennis uitgewisseld. Daarbij wordt gebruikt gemaakt van externe deskundigen die de plannen becommentariëren vanuit hun kennis over bepaalde thema's.

Het – informele – overleg is eind 1994 gestart en heeft inmiddels tot zeven bijeenkomsten geleid. Het NIROV begeleidt de organisatie.

VROM Woonmilieustudies

Als handreiking naar de vakgemeenschap worden regelmatig studies uitgebracht van woonmilieus die mogelijk kansrijk zijn om te worden ingezet voor de realisering van de bouwopgave. Zowel door de RPD en DGVH zelf als in samenwerking. De afgelopen jaren zijn studies gemaakt en breed verspreid over: het «Stadshuizenmilieu» voorafgegaan door een analyse van de wijk het Statenkwartier in Den Haag, nieuwe varianten op het reeds bestaande «Tuinstadmilieu», een analyse van buurten als het Benoordenhout in Den Haag, analyses van Prinsenland in Rotterdam, Nieuw Sloten in Amsterdam en Kattenbroek in Amersfoort. Als onderdeel van het project Stedelijke Milieudifferentiatie is een catalogus gemaakt van acht mogelijk kansrijke woon- en werkmilieus.

VROM+OCW STAWON-initiatief «Ontwerpen voor Nederland»

De werkgroep STAWON van de BNA heeft – na de manifestatie «Ontwerpend aan Holland» van de BouwRai 1994 – het initiatief genomen voor het project «Ontwerpen voor Nederland». Doel is om op de BouwRai van 1996 een presentatie te geven over de ontwerpresultaten voor een aantal grootschalige gebieden die op de wat langere termijn onder verstedelijkingsdruk komen te staan (de Haarlemmermeer, de Noord-Oostflank van het stadsgewest Amersfoort en het gebied tussen Rotterdam en Den Haag). De ministeries VROM en OCW hebben een startsubsidie gegeven en zijn betrokken bij het project.

Verwacht wordt dat de ontwerpresultaten de nodige expertise zullen opleveren voor de eigen opgaven van zowel de regio's als het rijk.

VROM Architectenregister

De Minister van VROM is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de instroom van architecten en stedebouwkundigen in het Architectenregister. De Ministers van LNV en OCW zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de instroom van tuin- en landschapsarchitecten, resp. de interieurarchitecten. De criteria voor inschrijving in het register zijn vastgelegd in de zgn. Nadere Regeling inrichting opleiding architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect. Volgens deze regeling dienen de eindtermen van het onderwijs aan te sluiten op de begintermen van de beroepspraktijk, welke zijn vastgelegd in de Nadere Regeling. Binnenkort zal Stichting Bureau Architectenregister een onderzoek starten naar de aansluiting van de eindtermen van het architectuuronderwijs aan de beide Technische Universiteiten en de Academies van Bouwkunst op de begintermen van de beroepspraktijk. Aan de Stichting Bureau Architectenregister is door de Minister van VROM gevraagd de kwaliteit van het Register te bewaken en de conclusies van het internationaal vergelijkende onderzoek naar het architectuur- en stedebouwonderwijs in beschouwing te nemen (zie hieronder).

OCW+VROM Post-initieel onderwijs

Aan de voorbereiding van een post-initiële beroepsopleiding architectuur en stedebouw is inmiddels enige jaren gewerkt. Doel van de opleiding is het verbeteren van de beroepsuitoefening van architecten en stedebouwkundigen die de initiële opleiding aan de faculteiten van Bouwkunde in Delft en Eindhoven hebben afgerond. De post-initiële opleiding zal twee jaren duren en bestaat uit een praktische component en een beperkte theoretische component. De opleiding is bedoeld voor ca. 100 studenten per jaar, waarvan 75 architecten en 25 stedebouwkundigen. Over de financiering van de beroepsopleiding bestaat in principe overeenstemming. De beroepsorganisaties BNA en BNS nemen het overgrote deel voor hun rekening. Daarnaast worden bijdragen geleverd door de Technische Universiteiten van Delft en Eindhoven, OCW (startsubsidie) en VROM. De feitelijke start is rond de jaarwisseling van 1995/96 voorzien. De plaats van vestiging is nog niet definitief vastgesteld.

VROM Internationale vergelijking initieel-architectuuronderwijs

Een onlangs afgerond internationaal vergelijkend onderzoek heeft uitgewezen dat het initiële architectuur- en stedebouwonderwijs aan de Technische Universiteiten van Delft en Eindhoven de vergelijking met dat in een vijftal andere Europese landen goed kan doorstaan. Vooral de nauwe relatie tussen architectuur, stedebouw en aanverwante vakgebieden steekt gunstig af.

De onderzoekers van het Institute of Advanced Architectural Studies te York (GB) constateerden echter ook enkele zwakke plekken in het Nederlandse onderwijs. Een wezenlijke tekortkoming achtten zij het ontbreken van een verplichte praktijkstage in het universitaire onderwijs.

Voor wat betreft de stedebouwkundige opleidingen aan de beide technische universiteiten waren de onderzoekers van mening dat dit te technisch van aard is. Het stedebouwonderwijs ruimt te weinig plaats in voor complementaire disciplines. Ook vonden de onderzoekers dat de nadruk te veel ligt op de opleiding van ontwerpers en niet op die van ruimtelijke managers en uitvoerders.

Daarnaast zal de Minister het onderzoek aanbieden aan de Europese Commissie met het verzoek een dergelijk onderzoek periodiek, b.v. één keer per drie à vijf jaar te herhalen.

Dit kan van groot belang zijn voor de verdere ontwikkeling van het architectuuronderwijs in Europees verband (EU-Architectenlijn).

OCW + VROM Berlage Instituut

Het Berlage instituut is in 1990 door OCW opgericht met als doel het verzorgen van een internationale post-academische top-opleiding voor architecten, stedebouwkundigen en landschapsarchitecten. Aan het instituut studeren ca. 32 deelnemers uit binnen- en buitenland.

Thans vindt een herbezinning plaats op de positie van het instituut met het oog op de veranderende onderwijsinfrastructuur en op het toekomstige profiel van het instituut.

e. Individuele burgers

OCW Omgevingseducatie

Een verantwoorde ontwikkeling en een zorgvuldig beheer van de dagelijkse leefomgeving kunnen niet buiten een brede publieke belangstelling en waardering voor de gebouwde omgeving. In het kader van het beleid op het gebied van omgevingseducatie worden projecten gesubsidieerd die tot doel hebben volwassenen en kinderen te informeren over en te betrekken bij kwaliteitsaspecten van architectuur en stedebouw. In dat verband kunnen onder meer worden genoemd de lokale architectuurinstellingen, cursussen, lesprojecten e.d.. Waar dat zinvol en mogelijk is, wordt gestreefd naar samenwerking met andere betrokken partijen, i.c. de lokale overheden, de onderwijsinstellingen, Architectuur Lokaal, het NAi en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.

Op dit moment wordt bij wijze van pilot-project een drietal lokale architectuurcentra opgericht met financiële steun van OCW en EZ, met als doel de publieke belangstelling, de kennisoverdracht en het architectuurtoerisme te bevorderen.

Naar boven