23 987
Uitbreiding van de Europese Unie

nr. 105
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 8 december 2009

De vaste commissie voor Europese Zaken1 en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken2 hebben op 11 november 2009 overleg gevoerd met minister Verhagen van Buitenlandse Zaken en staatssecretaris Timmermans van Buitenlandse Zaken over:

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 oktober 2009 inzake het uitbreidingspakket van de Europese Commissie 2009–2010 (23 987, nr. 103);

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 2 november 2009 houdende de kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket van de Europese Commissie 2000–2010 (23 987, nr. 104);

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 24 april 2009 inzake het verzoek van de Raad aan de Commissie om het schrijven van een advies voor het EU-lidmaatschap van Montenegro (21 501-02, nr. 897);

– de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 6 juli 2008 houdende een overzicht en een appreciatie van de recente ontwikkelingen op het gebied van EU-uitbreiding (23 987, nr. 96).

Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Waalkens

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,

Ormel

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Nijssen

Voorzitter: Waalkens Griffier: Nijssen

Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Boekestijn, Van Bommel, Ormel, Van der Staaij, Waalkens, Wiegman-van Meppelen Scheppink,

en minister Verhagen en staatssecretaris Timmermans, die vergezeld zijn van enkele ambtenaren van hun ministerie.

De voorzitter: Ik heet de minister, de staatssecretaris en de hen vergezellende ambtenaren van harte welkom. Wij hebben twee uur de tijd voor dit AO en er is een uitgebreide agenda. Ik wil een spreektijd van zes minuten per fractie inplannen. Dan kunnen wij ook een tweede termijn houden.

De heer Ormel (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie is van mening dat uitbreiding van de EU waarover wij vandaag spreken met Europese landen die voldoen aan de criteria zoals vastgesteld in Kopenhagen, op zich een goede zaak is. De uitdagingen die op ons land afkomen, zoals energieschaarste, georganiseerde misdaad en instabiliteit aan de grenzen van de Unie – wij kennen het rijtje – kunnen niet beter tegemoet worden getreden dan door het toe laten treden van landen die aantoonbaar denken en handelen vanuit Europese waarden en normen. De Europese Unie is echter niet gebaseerd op richtlijnen en op administratieve beschikkingen, maar op waarden. Deze waarden zijn voor ons van groot belang. Ze zijn niet exclusief christelijk, maar wel geworteld in de joods-christelijke traditie. Grondslag en doel zijn de bescherming van de menselijke waardigheid en het algemeen welzijn van de hele Europese samenleving. De CDA-fractie is het eens met het kabinetsstandpunt dat aan alle gestelde toetredingscriteria strikt dient te worden vastgehouden. Een aantal lidstaten oordeelt dat regionale of zelfs geopolitieke belangen enige souplesse in de toetredingscriteria zouden kunnen rechtvaardigen. Wij zien deze belangen wel, maar wij vinden dat de regering terecht volledig vasthoudt aan het volledig voldoen aan de gestelde criteria. Afspraak is afspraak. Waarom lijkt het alsof soms alleen Nederland de gemaakte afspraken bewaakt?

Wij begrijpen zonder meer de zorg van velen dat de invloed van Nederland in een uitdijende EU zou kunnen verwateren. Krijgt de Europese Unie niet steeds meer te vertellen? Wordt de invloed van Nederland niet steeds kleiner? Een visie op de toekomstige werking van de Unie, het subsidiariteitsprincipe en de soevereiniteit van Nederland is onlosmakelijk verbonden aan steun, vooral publieke steun, voor eventuele toetreding van nieuwe lidstaten. Voor de CDA-fractie is de Europese Unie een samenwerkingsverband van soevereine lidstaten waarvan de burgers tevens de burgers van de Unie zijn. Wij hebben dat al eerder per motie duidelijk gemaakt. Door het Verdrag van Lissabon treden veranderingen op die gunstig kunnen zijn voor het subsidiariteitsprincipe en de democratische controle. Hier ligt een grote verantwoordelijkheid voor de regering en voor ons parlement. Als wij er niet in slagen om de besluitvormingsprocessen in de Europese Unie transparant, democratisch gecontroleerd en subsidiair te laten zijn, zal er onvoldoende draagvlak zijn voor uitbreiding van de Unie. Zo simpel is het. Wat dat betreft staat ook in het Verdrag van Lissabon de absorptiecapaciteit. Dat is eigenlijk een nog niet nader uitgewerkt begrip dat te pas, maar ook te onpas gebruikt kan worden. Wij verzoeken de regering om te overwegen om aan de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV) advies te vragen over de absorptiecapaciteit van de Europese Unie vanuit het Nederlandse perspectief.

Ik wil nog een paar opmerkingen maken over een aantal landen. Ik ga niet alle landen noemen omdat wij daarover in diverse Razebs al uitgebreid hebben gesproken. Als eerste kandidaat-lidstaat Kroatië. Wij zijn van mening dat de onderhandelingen op hoofdstuk 23 geopend kunnen worden zodra Kroatië, naar het oordeel van hoofdaanklager Brammertz, weer goed en volledig samenwerkt met het Joegoslavië-tribunaal. Wij nemen aan dat dit spoedig het geval zal zijn en wij beginnen bezorgd te worden als dit te lang gaat duren. Dat zou namelijk laten zien dat Kroatië de Europese waarden onvoldoende heeft overgenomen. Wij zijn wel zeer verheugd dat er een einde is gekomen aan het grensconflict met Slovenië.

Dan kom ik op Turkije. Het land is al decennia kandidaat-lid en nog steeds verlopen de vanuit het Europese waardenperspectief noodzakelijk geachte fundamentele wijzigingen niet voorspoedig. Natuurlijk is nu het Ankara Protocol actueel. De CDA-fractie is van mening dat zowel Turkije als Cyprus zich constructief moeten opstellen. De acht bevroren onderhandelingshoofdstukken kunnen niet ontdooid worden zo lang dat Ankara Protocol is losgetrokken. Daarnaast zijn wij van mening dat Turkije meer moet doen aan het verinnerlijken van de Europese waarden zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van religie, vrouwenrechten, aanpak van corruptie en een efficiënte rechterlijke macht. Wat dat betreft stellen ontwikkelingen in de Turkse samenleving ons niet helemaal gerust. Wij vragen ook aan de minister wat hij vindt van recente koerswendingen in de Turkse buitenlandse politiek. De toenadering tot Armenië beschouwen wij als een goede stap, maar het verdrag moet nog wel geratificeerd worden door het Turkse parlement. De opening richting Iran kan positief zijn als Turkije Iran kan bewegen tot volledige openheid over het nucleaire programma en het de belabberde mensenrechtensituatie in Iran nadrukkelijk ter sprake brengt. Doet Turkije dat ook? De veranderende houding ten aanzien van Israël beschouwen wij als zorgelijk. De CDA-fractie hoopt dat Turkije op korte termijn de gezamenlijke oefeningen van Turkse en Israëlische legereenheden hervat en ophoudt met negatieve beïnvloeding van de bevolking via soapseries op tv.

Dan kom ik op Servië. De CDA-fractie is van mening dat er sprake is van een duidelijke vooruitgang in de samenwerking van Servië met het Joegoslavië-tribunaal. Althans, als wij hoofdaanklager Brammertz napraten. Servië moet volledig meewerken met het Joegoslavië-tribunaal. Tegelijkertijd weten wij dat de hoofdaanklager van het Joegoslavië-tribunaal dat nooit zal zeggen. Hoe apprecieert de minister de vooruitgang in Servië? De CDA-fractie is van mening dat Servië natuurlijk moet meewerken met het Joegoslavië-tribunaal. Als wij het vergelijken met Kroatië, zegt de hoofdaanklager dat Servië het zelfs beter doet dan Kroatië. Wij moeten ervoor oppassen dat wij in de toekomst nieuwe Mladiæs creëren en wij moeten ons ook niet laten gijzelen door deze mijnheer. Wij denken dat het tijd wordt voor wat meer samenwerking met Servië. Waarom talmt de Commissie met de verruiming van de markttoegang voor Servische producten?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank het kabinet voor de uitgebreide appreciatie. Ik wil vooral mijn tijd benutten om in te gaan op punten waarbij wij vragen of opmerkingen hebben over de kabinetsvisie. Voor het overige – het overgrote deel dus – delen wij de visie van het kabinet.

Het is goed dat er wordt ingezet op regionale samenwerking als het gaat om de Balkan. Het is te gemakkelijk om alle problemen terug te verwijzen naar de landen zelf als zijnde bilaterale problemen. Ook zijn problemen niet zomaar over één kam te scheren. Grensproblemen tussen Kroatië en Slovenië zijn anders dan de problemen tussen Macedonië en Griekenland. Vooral deze laatste problemen zouden zo maar kunnen escaleren met negatieve gevolgen voor een groter deel van de regio dan alleen die twee landen. Zij hebben bijvoorbeeld ook effect op het nationalisme in Bulgarije en allerlei ontwikkelingen in Albanië. Is het daarom niet beter als de Europese Unie een actievere rol speelt op dit punt? Moet in het algemeen horizontale samenwerking, tussen landen dus, niet veel meer hand in hand gaan met samenwerking tussen de Europese Unie en de kandidaat-toetredingslanden? In het toetredingsdocument wordt eigenlijk alleen een samenwerking tussen het betreffende land en de Europese Unie genoemd.

Dan kom ik op de visa. De ChristenUnie-fractie is wat bang dat er nu een soort tweedeling lijkt te ontstaan. Met name moslims kunnen nog niet vrij reizen. Op zich is dit verklaarbaar omdat Albanië en Kosovo nog geen vrijstelling hebben. De angel zit hem met name in Bosnië-Herzegovina. Daar kunnen Serviërs waarschijnlijk een Servisch paspoort krijgen. Kroaten hebben vaak al een Kroatisch paspoort. De derde groep, de moslims, valt buiten de boot. Is hier aandacht voor?

Toetreding betekent een grote opgave voor de landen om te hervormen op tal van punten. Niet alles hoeft echter naar West-Europees model te worden vormgegeven. Wij kennen ook zoiets als subsidiariteit en respect voor eigen cultuur en identiteit. Ik denk haast dat zoiets als familierecht ook een onderwerp is waarover landen veelal zelf zouden moeten gaan. Inmenging op deze punten gaat dan al snel over een grens. Pleidooien van bijvoorbeeld Nederlandse ambassadeurs om homohuwelijken toe te staan, zijn daarvan wat ons betreft een goed voorbeeld. Dat lijkt ons niet nodig. De betreffende landen kunnen daarin zelf hun weg vinden.

Uit de kabinetsappreciatie blijkt dat het kabinet oog heeft voor de problematiek rond de Roma. Mijn waardering daarvoor. Het blijft echter nog te veel bij benoemen en het laten liggen van de problemen bij de lidstaten zelf. Daarom zou ik vandaag een aantal suggesties willen doen. Een betere coördinatie van het overleg tussen Europese landen en de Roma lijkt ons goed. Een Romaplatform lijkt ons hiervoor goed bruikbaar. De coördinatie zou bij moeten dragen aan het vinden van best practises. Dit lijkt ons belangrijk omdat hier een grote schaarste aan is door een tekort aan evaluaties van Romaprojecten. Het lijkt ons ook goed om de situatie van de Roma te koppelen aan de geldende sociale rechten in de Europese Unie. Daarvoor zou een benchmark goed gebruikt kunnen worden. Voor toetredende lidstaten zou verbetering van de positie van Roma onderdeel kunnen uitmaken van het toetredingsproces. Dat kan door gebruik te maken van de net genoemde benchmark en daarnaast zou meer nadruk gelegd kunnen worden op Roma-inclusiviteit in projecten die worden opgestart.

Tot slot heb ik enkele opmerkingen over afzonderlijke landen. Turkije heeft zeer weinig bereikt het afgelopen jaar. Het kabinet deelt deze mening ook. Turkije is aan zet, wordt gezegd. Mijn fractie kan opnieuw niet anders concluderen dan dat het verstandiger zou zijn om helderheid te bieden en toetreding niet langer het doel te laten zijn. Ook vandaag herhaal ik mijn oproep: volg de Duitse lijn. Biedt een geprivilegieerd partnerschap aan. Dat lijkt ons voor beide het beste.

Het kabinet is positief over de toenadering tot Armenië. Is het echter niet beter om gezien de ervaring en de aarzelingen met een positieve beoordeling over de toenadering tot Armenië, te wachten tot Turkije daadwerkelijk de intenties heeft uitgevoerd, de protocollen heeft geratificeerd en de grenzen heeft geopend? Vandaag wil ik ook de Armeense genocide noemen. De ChristenUnie-fractie vindt het vreemd dat in de Nederlandse appreciatie geen woord is gewijd aan de ongewijzigde houding van Turkije inzake de Armeense genocide. Daags voor het tekenen van het protocol ontkende Erdogan die nog in Frankrijk.

Ik heb een vraag over het minderhedenbeleid in Montenegro. Hoe staat het met de status van vooral de Serviërs in Montenegro? Er wonen daar al jaren veel gevluchte Serviërs uit bijvoorbeeld Kosovo en Bosnië. Zij kunnen geen staatsburgerschap krijgen en worden nog steeds slechts als vluchtelingen gezien. Serviërs worden hierin met name gediscrimineerd. Heeft de Europese Unie hier aandacht voor?

Dan kom ik op Kroatië. Is samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal voor Kroatië net zo’n hard punt als in gesprekken met Servië? Met andere woorden: als er niet volledig wordt samengewerkt, dan geen toetreding? Ook zou ik graag nog een vergelijking willen trekken met Roemenië en Bulgarije. Die dringt zich namelijk sterk op als wordt gezegd dat hervormingen niet alleen op papier, maar ook in de praktijk serieus moeten worden genomen en dat controlemechanismen op Europese fondsen geoptimaliseerd moeten worden. Ik heb al eerder aangegeven dat de uitdaging met name ligt in werkelijke hervormingen die verder gaan dan papier. Hoe wordt dit verwerkt in het toetredingsproces? Hoe wordt dit gemonitord?

Ik vind het moedig dat de heer Ormel zijn vragen over Servië opwerpt. Dat was ik eigenlijk ook van plan vandaag, mede in het licht van mijn vorige vraag over Kroatië. De ChristenUnie-fractie heeft het kabinet altijd gesteund in een heel straffe en heldere lijn, maar ik zou er vandaag wel een waarschuwing bij willen voegen. Dit mag uiteindelijk geen kwestie worden waarin Nederland geen gezichtsverlies mag lijden in dit traject. Af en toe is koppigheid goed, maar die moet wel bijdragen aan een goed resultaat. Zijn er mogelijkheden om meer stimulerend te werken als wij die goede resultaten ook met Servië willen bereiken?

In Bosnië-Herzegovina is sprake van een erg ingewikkelde situatie. Er zijn vooral problemen tussen de Servische republiek en de Bosnische federatie. Dat creëert een heel ingewikkeld en moeilijk te regeren situatie met allerlei landsvertegenwoordigingen, verschillende presidenten, parlementen et cetera. Volgens de ChristenUnie-fractie moet er meer duidelijkheid worden verschaft over de fundamenten, want dit kan zo natuurlijk niet doorgaan. Hoe moet deze republiek verder gaan? Het land blijft anders afhankelijk van het Westen en zal nooit echt onafhankelijk kunnen worden, zowel politiek als economisch. Graag krijg ik een reactie van het kabinet op dit punt.

De heer Boekestijn (VVD): Voorzitter. De voortgangsrapportages van de Europese Commissie aangaande de westelijke Balkan en Turkije zijn zonder uitzondering kritisch, maar de conclusies die de Commissie trekt, zijn niet altijd consequent. De VVD-fractie verbindt haar eigen conclusies aan de rapporten en zal de Nederlandse regering aanspreken op haar verantwoordelijkheid kritisch en waakzaam te blijven conform het afgesprokene in het Verdrag van Lissabon. De Commissie is al enige jaren niet consequent en doet daarmee afbreuk aan de geloofwaardigheid van de Unie. De neiging de rode loper uit te rollen, is kennelijk onuitroeibaar en dus moeten wij helaas weer op de rem gaan staan. Ik heb een aantal opmerkingen en vragen over Turkije, Kroatië, Macedonië, Bosnië-Herzegovina, Servië en Kosovo.

Het standpunt van mijn fractie inzake Turkije is bekend. Ik heb één vraag aan zowel de minister als de staatssecretaris. Welke consequenties verbindt het kabinet eraan als aan het einde van het jaar blijkt dat Turkije zich niet aan het Ankara Protocol houdt? Dan hebben wij het dus over het openstellen van de Turkse lucht- en zeehavens voor Grieks-Cypriotisch transport. De heer Ormel zei terecht dat Cyprus ook een aantal verplichtingen heeft die het moet nakomen. Welke consequenties verbindt het kabinet eraan als dit niet goed gaat?

De heer Ormel (CDA): De heer Boekestijn gaat ervan uit dat het standpunt van de VVD-fractie over Turkije bekend is. Dat is inderdaad zeer bekend. Uw voorganger, de vorige buitenlandwoordvoerder van uw fractie, is uit de fractie gesmeten vanwege dat standpunt. Is dat standpunt nog onverkort hetzelfde?

De heer Boekestijn (VVD): Ik meen mij te herinneren dat iemand uit de fractie is gegaan om een eigen partij op te richten. Hij is in zaken gegaan. Hij doet goede zaken op de electorale markt tegenwoordig. Ik heb te maken met het standpunt van mijn eigen fractie. Dat is nog steeds hetzelfde. Dat wil zeggen: als dat Ankara Protocol niet wordt opgevolgd, vinden wij dat de bestaande onderhandelingen moeten worden afgebroken.

De heer Ormel (CDA): Daarvoor sprak u over het standpunt van de VVD-fractie inzake het lidmaatschap van Turkije. Het Ankara Protocol is een onderdeel, de opmaat naar de besprekingen over het lidmaatschap. Uw voorganger is uit de partij gezet omdat hij vond dat Turkije geen lid zou kunnen worden. U zegt dat het standpunt van de VVD hetzelfde is. Dat wil dus zeggen dat de VVD vindt dat Turkije lid kan worden.

De heer Boekestijn (VVD): Als Turkije niet voldoet aan het Ankara Protocol vinden wij het niet meer zinvol om met Turkije in gesprek te zijn over een mogelijke toetreding. Als Turkije zijn gedrag zou veranderen, wordt alles natuurlijk weer anders.

De vorderingen met betrekking tot Kroatië zijn reëel, maar het noemen van een toetredingsdatum achten wij niet reëel. De Commissie constateert dat er goede vorderingen in de verschillende onderhandelingshoofdstukken zijn gemaakt en dat het land daarmee de finishlijn in zicht heeft. Dat zegt uitbreidingscommissaris Olli Rehn dus. Daar had hij het bij moeten laten, maar door het gebruik van het woord «finishlijn» begaat de Commissie exact dezelfde fout als vorig jaar waarna de voortgang direct stagneerde. Volgens de VVD-fractie is Kroatië de enige kandidaat-lidstaat die enige kans maakt om ergens in de komende jaren lid te worden. Door echter een datum te noemen, handelt de Commissie tegen de afspraak en tegen het Verdrag van Lissabon in. Voorts wekt het bevreemding dat de Commissie wel kritisch is over de medewerking van Kroatië aan het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag vanwege enkele documenten die zoek zouden zijn, maar in het geval van Servië geen bezwaar meer ziet ondanks de voortgaande zoektocht naar de grootste misdadiger Mladiæ. Wederom is dat totaal inconsequent. Bovendien moet de Commissie zich houden aan de feiten en aan de afspraak het oordeel over te laten aan aanklager Brammertz en de lidstaten.

De kandidaat-lidstaat Macedonië verdient de aandacht van de Commissie. De VVD-fractie is verheugd dat de Commissie heeft vastgesteld dat Macedonië goede vooruitgang heeft geboekt en de politieke stabiliteit lijkt te zijn teruggekeerd. Macedonië heeft sinds de toekenning van het kandidaat-lidmaatschap inderdaad sommige voorbeeldige hervormingen laten zien zoals grootschalige invoering van biometrische paspoorten, vervanging van militaire grenswachten door civiele en het incorporeren van de Albanese minderheid. Desondanks kon het niet eens rekenen op een gesprek met de Commissie. Het zou Olli Rehn sieren als hij hier eens al zijn aandacht naar uit zou laten gaan en dat zou de binnenlandse stabiliteit in Macedonië zeer ten goede komen. De naamgevingskwestie met Griekenland is een zaak waarover met de nieuwe Griekse regering zaken lijken te doen. De VVD-fractie is dus hoopvol over Macedonië, al is ook hier een eventueel lidmaatschap nog zeker tien jaar niet aan de orde.

Minister Verhagen: U noemt een datum!

De heer Boekestijn (VVD): Ik bedoel ... Tien jaar is meer dan een mensenleven, toch? In de politiek is een week al heel lang.

Het grootste zorgenkind in de regio is Bosnië-Herzegovina. Het kan niet op eigen benen staan. De situatie in Bosnië is zeer zorgwekkend, constateert de Europese Commissie. Ook de VVD-fractie is van mening dat zo lang het zorgenkind niet op eigen benen kan staan zelfs een aanvraag voor een lidmaatschap moet worden vermeden. Uitbreidingscommissaris Rehn noemt Bosnië terecht een quasiprotectoraat. De VVD-fractie blijft bereid te kijken naar de blijvende inzet van Nederlandse militairen – ALTHEA – die noodzakelijk is voor het bijeenhouden van deze staat. Wij willen echter spoedig, liefst voor het verlopen van het EU-Amerikaanse ultimatum van 20 oktober, vooruitgang kunnen waarnemen in de wijze waarop de politieke leiders van de Bosnische moslims, de Kroaten en de Serven samenwerken.

Dan kom ik op Servië en Kosovo. De Commissie schiet zich in de voet door eigen inconsequent optreden. Ten aanzien van Servië is de Commissie bijna lovend en spreekt ze zich uit voor het ratificeren van de samenwerkingsovereenkomst. Kosovo wordt echter al zwaar bekritiseerd amper anderhalf jaar na stichting van de staat, die overigens door vijf EU-landen– Spanje, Roemenië, Griekenland, Cyprus en Slowakije – nog niet is erkend. De VVD-fractie vindt dat een land dat niet wordt erkend door alle EU-lidstaten, waar de helft van de bevolking werkloos is, wel een mobiele telefoon heeft, maar slechts voor een derde is aangesloten op de waterleiding, zich geen illusies over een EU-lidmaatschap hoeft te maken. Dat juist dit land vrij reizen en visumliberalisatie in het vooruitzicht wordt gesteld door de Commissie is het gevolg van de inconsequente wijze waarop men Servië op dit vlak de afgelopen jaren heeft voorgetrokken. Dit is precies waarvoor wij hebben gewaarschuwd. Het is een slechte zaak dat het voortrekken van de een leidt tot een ongewenste stap voor de ander. De Commissie is volledig de regie kwijt en de lidstaten zullen de prijs daarvoor betalen. De werkloosheid onder de Kosovaarse jongeren is ruim 70%, de maffia heeft er vrij spel en er zijn criminele banden met Albanië. Ten slotte hebben wij geen goed woord over voor het oordeel van Rehn dat Servië voldoende samenwerkt met het Joegoslavië-tribunaal. Dat oordeel is niet aan hem en het is feitelijk onjuist. Mladiæ loopt nog vrij rond en dus kan er niet worden geratificeerd. Punt. De Commissie lapt weer alle regels aan haar laars. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister en de staatssecretaris.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Er zijn veel mooie woorden gesproken in verband met de herdenking van de val van de Berlijnse Muur twintig jaar geleden. Die mooie woorden waren terecht. Het was een zegen dat er na lange tijd weer mogelijkheden kwamen om de tweedeling tussen Oost- en West-Europa op te heffen. De landen uit Midden- en Oost-Europa zijn daarmee echter na veertig jaar communisme niet ineens democratische rechtsstaten geworden. Daarvoor horen wij nog te veel over acceptatie van corruptie, georganiseerde criminaliteit, het bestaan van politieke druk op de media, moeizame interne staatsrechtelijke verhoudingen en een niet onafhankelijke rechterlijke macht. Dat geldt in diverse van de twaalf lidstaten die in de afgelopen jaren zijn toegetreden, maar zeker ook in de landen die nu kandidaat-lid zijn of dat willen worden. Als je terugkijkt zie je voor bijvoorbeeld Roemenië en Bulgarije dat er verbeteringen in het systeem zijn doorgevoerd, maar dat tegelijkertijd bij de toetreding heel veel hervormingsprocessen gestagneerd zijn. In Roemenië zijn de president en het parlement in een strijd verwikkeld die niet echt getuigt van constitutioneel verantwoord handelen. In het licht van de ervaringen uit de afgelopen tijd is het dus des te belangrijker dat Europa er streng op toeziet dat bij toetreding aan alle Kopenhagen-criteria in woord en daad wordt voldaan. Essentiële voorwaarden moeten worden nagekomen en natuurlijk moeten die voorwaarden ook niet verdergaan dan nodig is. Er moet wel ruimte blijven voor diversiteit waar dat heel goed kan en mag. Mevrouw Wiegman noemde zo-even al het voorbeeld van het homohuwelijk. Om dat al dan niet toe te staan, ligt in de ruimte van de nationale lidstaten. Daarin moet geen Europese norm worden opgedrongen.

De heer Van Bommel (SP): Nu dit punt voor een tweede keer wordt gemaakt, wil ik toch de principiële vraag stellen of Nederland moet bevorderen dat verbintenissen die in Nederland worden aangegaan, ook in het buitenland, in ieder geval in de landen dichtbij ons, rechtskracht hebben. Deelt de heer Van der Staaij die algemene opvatting?

De heer Van der Staaij (SGP): Als daar principiële bezwaren tegen bestaan, vind ik niet dat landen moeten worden geprest om die te erkennen. Ik vind dat dit de ruimte is van de lidstaten.

De heer Van Bommel (SP): Vanzelfsprekend is dat de ruimte, zeker de juridische ruimte, van landen. Daar zou ik niet in willen treden. Mevrouw Wiegman roerde echter aan dat Nederlandse vertegenwoordigers in Europa ijverden voor die erkenning. Het is toch het goed recht van Nederland om te vragen of verbintenissen die in Nederland rechtskracht hebben in het buitenland worden erkend? Ik heb het over vragen, niet over onder druk zetten. Daar zijn trouwens ook geen instrumenten voor.

De heer Van der Staaij (SGP): Dat is wat anders. Ik zal zeggen waar het mij om gaat en wat volgens mij mevrouw Wiegman ook bedoelde. Ik heb bijvoorbeeld uit Albanië geluiden gehoord dat vanuit Europese landen wordt gezegd dat zij daar eigenlijk wel het homohuwelijk moeten regelen in hun wetgeving, want dat hoort bij de Europese standaard. Dat zal niet in de officiële brieven staan, maar toch. Als de Europese standaard op allerlei terreinen in die landen ook moet gelden en als men daar moet vinden wat wij hier in meerderheid vinden, ben ik het daarmee niet eens.

De heer Van Bommel (SP): Daarover kunnen wij het snel eens zijn. Het homohuwelijk zit niet in het acquit, niet in de Kopenhagen-criteria en niet in andere voorwaarden die voor toetreding gelden.

De heer Van der Staaij (SGP): Exact. Dat is dus wel een helder voorbeeld van het punt dat ik hiermee wilde maken.

De institutionele hervormingen die ook met het Verdrag van Lissabon tot stand zijn gebracht, kunnen het voor nieuwe leden makkelijker maken om toe te treden, maar dat mag natuurlijk niet tot een makkelijker accepteren leiden. Bij eventuele toetreding van nieuwe landen moet zeer kritisch bekeken worden of de verbeteringen om te voldoen aan het acquit ook daadwerkelijk in de politieke en bestuurlijke cultuur zijn doorgedrongen. Dit verschilt niet van wat de regering betoogt. Ik kan me vinden in de kritisch-realistische benadering die in de kabinetsbrief wordt gekozen. Wij moeten lidstaten dus niet te makkelijk het voordeel van de twijfel gunnen of een steuntje in de rug geven door concrete data te noemen terwijl er twijfel is. Wij delen de visie van de regering dat voor toetreding de steun van alle lidstaten nodig is en dat niet te gemakkelijk verwachtingen moeten worden gewekt.

Bij elk van de nieuw toetredende landen of potentiële kandidaten zien wij de problematiek van de corruptie en de georganiseerde criminaliteit sterk terugkomen. De succesvolle strijd hiertegen moet een buitengewoon belangrijk criterium zijn voor toetreding. Wij steunen daarom de terughoudende benadering van de regering ten aanzien van concrete streefdata voor Kroatië. Laat dit land eerst maar bewijzen dat het daadwerkelijk de strijd tegen corruptie en de georganiseerde criminaliteit stevig voert. Hetzelfde geldt voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in het algemeen. Vergroting van de interne markt betekent al te gemakkelijk ook een vergroting van de interne markt voor criminaliteit. Er moet dus een actieve inzet zijn om te voorkomen dat open grenzen ook open criminele ruimten tot gevolg kunnen hebben.

Tot slot heb ik enkele opmerkingen over de landen. Over Turkije hebben wij in het verleden heel wat discussie gevoerd. De positie van de SGP is daarin al een «mensenleven» constant, om in de termen van de heer Boekestijn te spreken. Wij zijn geen voorstander van de toetreding van Turkije. Wij zouden eerder de oplossing zoeken in een specifiek partnerschap. Het trage hervormingsproces waarmee wij nu geconfronteerd worden, versterkt die visie alleen maar. Wat is de Duitse positie op dit moment, ook na de verkiezingen? Over de Armeense kwestie meldt het kabinet positieve berichten. Is dat niet al te positief? Is er op dit punt werkelijk iets veranderd? Is de grens ook feitelijk geopend of worden toch weer allerlei voorwaarden gesteld die niet in de akkoorden staan? Het betreft op z’n hoogst goede voornemens. Daarom is een voorzichtige houding gewenst en voor een evenwichtige visie zou de regering op z’n minst ook de visie van de Armeense regering over de uitvoering van de akkoorden moeten vernemen. Wij missen in de Nederlandse visie het punt van de erkenning van de Armeense genocide. Bij de discussie over de amendering van artikel 301 van de Turkse strafwet schrijft de regering dat het niet meer systematisch wordt aangewend voor de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Dat is nogal algemeen geformuleerd. Hoe zit het op dit punt?

Sinds de verkiezingen in juni van dit jaar is de hele oppositie van Albanië nog niet in het parlement geweest, als ik goed geïnformeerd ben. De parlementariërs die wel willen komen, worden onder sterke druk gezet om dat niet te doen. Tegen die achtergrond vinden wij dat voorzichtigheid is geboden bij een al te toeschietelijke benadering van dit land. De verkiezingen zijn weliswaar beter verlopen dan in eerdere jaren, maar het democratisch proces is bepaald nog niet op orde.

Vanwege de conflicten in de westelijke Balkan is de kans groot dat toetreding van het ene land een belemmering kan zijn voor de toetreding van andere landen. De Commissie stelt dat bilaterale kwesties door de staten zelf moeten worden opgelost en de voortgang van de toetreding niet mogen hinderen. Hoe wordt in het toetredingsproces rekening gehouden met die nog al eens dringende en zeer spanningsvolle relaties tussen de verschillende landen?

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter. De recente lidmaatschapsaanvragen van Albanië, Montenegro en IJsland bevestigen de aantrekkingskracht van de Europese Unie als bron van welvaart en stabiliteit. Dat is een citaat van Olli Rehn. De ervaring heeft geleerd dat de verwachtingen rond het lidmaatschap van de Europese Unie maken dat veel staten die er niet zo goed voorstaan van de EU en hun lidmaatschap daarvan ontzettend veel heil verwachten. Tegelijkertijd heeft de Europese Unie geleerd dat een te snelle uitbreiding en vooral de wens daartoe, maakt dat wij bij dat proces van toetreding onze eigen criteria, onze eigen spelregels, soms niet goed hanteren en niet echt serieus nemen. Ik wil het kabinet ertoe oproepen om in het enthousiasme dat er bij nieuwe staten of aanvragers bestaat voor de EU, dat vooral in het achterhoofd te houden. Het EU-lidmaatschap mag dan vanwege de crisis een grote aantrekkingskracht hebben, maar wij moeten tegenover deze landen ook eerlijk zijn dat er EU-lidstaten zijn die in grote problemen verkeren en dat zelfs als zij lid zouden worden dat EU-lidmaatschap er op korte termijn echt niet toe zal leiden dat alle problemen zijn opgelost of dat er alleen maar zegeningen te ontvangen zijn. Sterker nog, waarschijnlijk dwingt dat deze staten tot extra bezuinigingen zoals wij dat ook bij andere toetreders hebben gezien. Dit moet in bijvoorbeeld Kroatië voor de scheepswerven verwacht worden.

Het is belangrijk dat er in de EU overeenstemming bestaat over doel, richting en tempo van de uitbreiding. Die overeenstemming is er niet. Als wij bijvoorbeeld kijken naar de belangrijke discussie over Turkije – iets wat steeds boven de markt hangt – zien wij dat grote landen in Europa daarover verschillende opvattingen hebben. Engeland, Frankrijk en Duitsland verschillen daarover van mening. De Britten gaan er als vanzelfsprekend vanuit dat het wel aan de orde zal zijn en de Fransen en de Duitsers zeggen eigenlijk dat het niet aan de orde kan zijn. Wat zegt dit nu over dat hele uitbreidingsproces en op de visie op uitbreiding zoals die Europees heerst? Graag krijg ik hierop een reactie van het kabinet.

Het kabinet stelt terecht dat het lidmaatschap moet voortvloeien uit reeds aanwezige economische en politieke ontwikkelingen. Wij zien echter bij andere lidstaten dat het lidmaatschap nogal eens gezien wordt als een middel om te komen tot veranderingen in die landen. Wij zien het lidmaatschap als iets dat volgt op die veranderingen en niet als iets wat als een middel wordt gebruikt om in die landen veranderingen af te dwingen. Deelt het kabinet die opvatting? Het is de wens van mijn fractie om te komen tot meer duidelijkheid op dit punt: tempo, doel en richting van de uitbreiding.

Terecht wijst het kabinet erop – de premier heeft dat afgelopen donderdag nog gedaan in een openbaar debat – dat er naast het lidmaatschap ook andere samenwerkingsverbanden met de Europese Unie zijn. Genoemd zijn natuurlijk de Mediterrane Unie en het Oostelijk Partnerschap. Dat zijn uitstekende vormen om te komen tot samenwerking met de Europese Unie zonder dat er sprake is van lidmaatschap of het perspectief daarop. Ik wil dat blijven benadrukken omdat het soms lijkt alsof de weg voor de een langer is dan voor de ander, maar dat uiteindelijk altijd dat lidmaatschap bereikt moet worden. Dat is absoluut niet per se het uitgangspunt.

Dan heb ik nog enkele opmerkingen over specifieke landen. Ik begin met de Balkan. Het kabinet wijst er terecht op dat er soms strikt bilaterale kwesties zijn die onterecht door lidstaten worden uitgevochten over de band van het uitbreidingsproces. Is er zicht op welke bilaterale kwesties in de Balkan spelen die mogelijk tot dit ongewenste gedrag leiden? Met betrekking tot Kroatië wordt er een aantal genoemd. Is dat geen reden om juist te zeggen dat die bilaterale kwesties eerst opgelost moeten worden voordat wij met dat proces van toetreding verder gaan? Anders importeert de Europese Unie die problemen en daar zitten wij niet op te wachten. In het verleden hebben wij daar slechte ervaringen mee opgedaan en wij hebben al problemen genoeg. Ik heb de instemming van mijn fractie om het door de Commissie genoemde jaar 2010 voor de afronding van de onderhandelingen met Kroatië af te wijzen. Het noemen van die data is niet goed. Dat worden allemaal autonome processen waarbij je dan uiteindelijk komt tot momenten van toetreding die misschien wel helemaal niet geschikt zijn, maar waar alleen aan wordt vastgehouden omdat je het eerder zo hebt gezegd. Niet doen, dat is niet verstandig. Kroatië heeft problemen in de omgang met het verleden, met oorlogsmisdadigers en met corruptie. Het kabinet noemt de boodschap van de Europese Commissie zelf tegenstrijdig. Daar hoor ik graag meer over. De problemen rond Kroatië zijn evident.

Servië zal voor het einde van het jaar een lidmaatschapsaanvraag indienen. Dat blijkt althans uit berichten van vorige week. Moeten wij niet bij voorbaat duidelijk maken dat dit op de korte termijn geen kansrijke aanvraag is? Er is geen akkoord voor het ratificeren van de Stabiliteitsen Associatieovereenkomst (SAO) met Servië vanwege de nog niet volledige samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal. Dat is echt een hobbel die Nederland terecht heel serieus neemt. Dan moet je landen daar volstrekte helderheid over verschaffen, ook al sta je daarin langdurig alleen.

Het kabinet schetst een zeer zorgwekkend beeld van Bosnië-Herzegovina. De etnische verdeeldheid blijft daar maar voortbestaan. Bosnische Serviërs zien zelfs geen levensvatbaar perspectief voor dat land. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er op dat vlak sprake is van achteruitgang en spanning met de aangrenzende landen. Graag krijg ik een reactie op dit punt. Ook vraag ik aandacht voor het aspect van visumliberalisatie. Wij hebben ons daartegen steeds verzet. Klopt het dat nu dit doorgang vindt vooral de moslims in Herzegovina als enige in het land voor de EU visa moeten aanvragen omdat de rest met dubbele paspoorten kan profiteren van visumliberalisaties in aangrenzende landen? Versterkt dat niet de verdeeldheid?

Kosovo is een bron van instabiliteit. De Europese Commissie is bereid om mee te werken aan visumliberalisatie en economische samenwerking. Toch ligt daar een probleem vanwege het feit dat de staat niet erkend is door vijf lidstaten van de EU. Hoe moeten wij dan verder op dat pad?

Van Macedonië wordt terecht een positiever beeld gegeven. Er wordt voorgesteld de onderhandelingen te starten. Kan de minister al iets zeggen over de voortgang daarvan?

Ik sluit af met Turkije, Cyprus en het Ankara Protocol. Dat is van groot belang. Het wordt duidelijk dat Cyprus uiteindelijk ook het breekpunt kan zijn voor Turkije. Het Ankara Protocol is een serieus te nemen en al jaren slepende kwestie. Het kan toch niet zo zijn dat wij maar blijven accepteren dat schepen en vliegtuigen uit Cyprus in Turkije geen toegang krijgen? Als een lid van de EU niet wordt erkend, zal op een zeker moment de deur moeten worden dichtgetrokken. Dat geldt ook voor de relatie met Armenië. Weliswaar is er een opening geboden. Hoe serieus die is, zal in de praktijk nog moeten blijken. De kwestie van de Armeense genocide is genoemd. Ik sluit me daarbij aan. Ook de kwestie van het openen van de grenzen nadat het land de regio Nagorno-Karabach heeft teruggegeven aan Azerbeidzjan wordt daarbij in het achterhoofd gehouden. Dat zijn allemaal dubbele signalen die door Turkije worden afgegeven. Ook de oriëntatie in de andere richting wil ik noemen. Het lijkt wel alsof Turkije alle kaarten tegen de borst houdt of in ieder geval op verschillende paarden probeert te wedden.

Voorzitter: Van Bommel

De heer Waalkens (PvdA): Voorzitter. Het hele uitbreidingsproces is een taai proces. Ik vind dat de heer Van der Staaij terecht de val van de Muur memoreerde en alles wat daar aan activiteiten uit is voortgevloeid. Ik denk dat dit als een historisch moment is gemarkeerd. De uitbreiding heeft Europa ook sterker gemaakt, maar het is een zeer taai proces. Onder het Verdrag van Lissabon zijn niet alleen de Kopenhagen-criteria benoemd, maar zeker ook de absorptiecapaciteit. Collega Ormel vroeg om de AIV eens te laten bestuderen wat deze titel betekent voor Nederland. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op dit verzoek, want het is een niet gebruikt criterium en dat kan natuurlijk een multi-interpretabele rol spelen in de verdere beoordeling van de uitbreiding. De criteria zijn natuurlijk gebaseerd op de uitgangspunten «streng en rechtvaardig» en «afspraak is afspraak». Ik denk dat wij dat goed in ons achterhoofd moeten laten meewegen in de beoordeling van de aanvragen die er zijn en de lopende processen.

De uitbreiding en het toetsen van de criteria houden de lidstaten zelf ook een spiegel voor waarbij de lidstaten ongeloofwaardig overkomen. Lidstaten die zelf niet voldoen aan de criteria oordelen mede over de criteria van de aanvrager. Ik vind dat toch wel een probleem en wij hebben daarover al eerder gesproken, ook over de vrijheid van pers en media in lidstaten, met name in één lidstaat. Hoe gaan wij dat plaatsen ten opzichte van de criteria die wij opleggen aan de kandidaat-lidstaten of in dat hele uitbreidingsproces?

Met betrekking tot de motie-Ten Broeke hebben wij vanochtend een brief gekregen over de visumverstrekking aan studenten. Ik denk dat een van de lessen uit het hele uitbreidingstraject en uit de val van de Muur is dat jonge mensen graag hun kennis opdoen in landen waar de kennis te vergaren is buiten hun eigen universiteit. Ik ben erkentelijk voor de manier waarop die verruiming van visa een plek heeft gekregen in het hele proces. Ik denk dat het van belang is dat jonge mensen kunnen reizen en hun studie voor een deel kunnen afronden in Europa.

Ook ik heb een aantal opmerkingen over specifieke landen. Turkije en het Ankara Protocol zijn eerder genoemd. Ik heb begrepen dat er nu gesprekken lopen tussen Turkije en Cyprus die mogelijkerwijs een oplossing kunnen gaan bieden voor de steen die in onze schoen zit: het over en weer openstellen van de havens en het luchtruim. Ik beoordeel de signalen over Armenië positief, maar ik steun ook de kritische kanttekeningen die daarbij gemaakt zijn. Je kunt natuurlijk wel afspraken maken, maar het verdrag moet nog geratificeerd worden door het parlement en het is van groot belang dat in dat hele proces van het wegnemen van spanningen de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien, worden nagekomen. Dat wordt in de beoordeling van Turkije in dat hele traject meegewogen. Het Ankara Protocol loopt af en moet tot een oplossing gebracht worden zodat die steen uit onze schoen weg is. Die steen wordt overigens ook in Turkije gevoeld en zeker ook op Cyprus.

Wat betreft de aanvraag van IJsland is het specifiek voor Nederland van belang dat er goede afspraken gemaakt worden, mede met het oog op de deposito-afspraken. Dit moet gebeuren voordat wij, in aansluiting op uitbreiding aan de zuid- en oostkant, ook in het noorden uitbreiden. Alles op basis van de uitgangspunten zoals die zijn vastgelegd in het Verdrag van Lissabon en volgens de principes «streng en rechtvaardig» en «afspraak is afspraak». De absorptiecapaciteit zal met IJsland niet het grootste probleem zijn, maar er zijn natuurlijk nog wel specifiek voor Nederland enkele zaken op te lossen.

Ik was aangenaam verrast door de opmerkingen van collega Ormel over Servië. Mevrouw Wiegman sloot zich daar ook bij aan. Wij hebben heel centraal in het opstellen van de SAO met Servië de eerste stap gezet. Daarbij hebben wij de politieke conditie gesteld dat wij signalen moeten krijgen dat er volledig wordt samengewerkt. Brammertz bepaalt natuurlijk niet welke politieke besluiten wij nemen, maar wel welke stappen wij kunnen zetten. Als je het hele veld overziet, zou ik zeggen: beoordeel Servië positief. Dat willen wij graag doen en dat willen wij staven met uitspraken van Brammertz. Wij moeten ervoor zorgen dat de positieve ontwikkelingen niet worden weggeduwd door de negatieve sentimenten die je oproept als je je isoleert. Je moet ook oog hebben voor de mogelijkheden en mogelijkerwijs voor de onmogelijkheden die worden opgeworpen. De duidelijke vooruitgang zou een volgende stap kunnen zijn in een wat bredere samenwerking met Servië en Europa. Nederland zou daarin natuurlijk een stap kunnen zetten. Niet de trossen los of volledig de SAO ratificeren en in werking laten treden, maar wel een positieve beoordeling van de ontwikkelingen in Servië. Dat is natuurlijk ook gelinkt aan Kroatië. Wat wij bij de een als blokkade oproepen, moeten wij beschouwen in de ontwikkelingen van de westelijke Balkan.

Ik wil afsluiten met onze opvatting over uitbreiding. De val van de Muur en het losknippen van het IJzeren Gordijn heeft enorme perspectieven gegeven voor jonge mensen. Daar kun je gepassioneerd naar kijken. Natuurlijk is niet alles op orde en wij willen Europa sterker maken. Dat kan door het delen van waarden die wij hebben in Europa op basis van een rechtvaardig beleid. Vrede en stabiliteit kunnen wij niet for granted aannemen. Wij moeten daarvoor dagelijks op de barricaden staan; om voor jonge mensen en de gemeenschappen in de ons omringende landen de ontwikkelingen aan de positieve kant te beïnvloeden en de negatieve sentimenten zo veel mogelijk weg te drukken.

De heer Ormel (CDA): Dank voor uw steun om voorzichtig voor Servië de zaken te heroverwegen. In de brief staat dat de regering vindt dat toetredingsonderhandelingen met Macedonië kunnen beginnen. U hebt daar niets over gezegd. Ik ook niet trouwens. Ik ben het eens met de regering, maar hoe staat de PvdA-fractie daarin? Vindt u het ook volkomen uit de lucht geslagen dat de VVD-fractie daaraan een periode van tien jaar wil verbinden? Als ze het goed doen, kan het eerder gebeuren.

Dan heb ik nog een vraag over Turkije en Armenië. Volgens u moet Turkije nog stappen zetten, maar bent u niet van mening dat Armenië stappen moet zetten in de richting van Azerbeidzjan? Moet de Minsk Group die daarover gaat niet wat actiever zijn ten aanzien van het frozen conflict rond Nagorno-Karabach?

De heer Waalkens (PvdA): Wat betreft de beoordeling van Macedonië en de volgende stappen die wij zouden kunnen zetten, volgen wij de inzet van de regering op basis van het advies van de Commissie. Natuurlijk is het allemaal nog niet op orde, maar dit is een stap in de reeks van stappen die gezet moeten worden. Wij vellen een positief oordeel over de volgende stap van Macedonië.

Wat betreft Armenië en Turkije staan in het verdrag natuurlijk wederzijdse verplichtingen die moeten worden nagekomen. De stap die gezet is, willen wij positief beoordelen, maar wij willen dat niet los zien van de daadwerkelijke invulling van de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien. Wij vinden het een goede stap dat beide partijen weer aan tafel zitten. Natuurlijk telt de regionale component en de positie van Turkije ten opzichte van Iran en Israël. Dat moet wel meegenomen worden in de totale beoordeling. Voor Turkije zijn nu acht hoofdstukken bevroren. Frankrijk heeft er vijf op stil gezet. Wij hebben niets meer waarover wij met Turkije in gesprek kunnen gaan, behalve het Ankara Protocol. Wij willen dat graag opgevolgd zien door goede afspraken en een wederzijdse erkenning van het recht voor toegang tot havens en het luchtruim.

Voorzitter: Waalkens

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik ben blij dat ik ondanks de grote drukte de tijd niet ben vergeten en hier op tijd was om de inbreng van de Kamerleden te horen. Tegelijkertijd ben ik ook blij dat de leden hier op tijd waren zodat ik niet als een malloot hoefde te wachten. Dit om de laatste citaten van vandaag uit de Kamer maar eens te gebruiken.

Een aantal woordvoerders heeft terecht stilgestaan bij het feit dat wij twee dagen geleden een van de belangrijkste gebeurtenissen voor onze generatie gevierd en herdacht hebben. Wij herdachten de val van de Muur. Terecht heeft men er in verband met het onderwerp uitbreiding op gewezen dat wij in 1989 bestonden uit een gescheiden en verdeeld Europa. De Europese Unie bestond uit twaalf lidstaten. Wie had toen durven denken, ondanks bespiegelingen in dat jaar over geaffilieerd lidmaatschap en het Huis van Europa, dat wij twintig jaar later meer dan verdubbeld zouden zijn en de Europese deling weinig meer is dan een vage herinnering. Je moet je eigen kinderen uitleggen wat die Muur überhaupt was. Dat geeft aan dat het uitbreidingproces een van de meest succesvolle instrumenten is geweest van het externe beleid van de Unie. Positieve gevolgen op het gebied van veiligheid, economie, energiezekerheid en de rol en de invloed van de EU in de wereld hebben alleen win-winsituaties opgeleverd. Juist het perspectief van toetreding in het kader van het uitbreidingsproces bracht voor de landen die toen wilden toetreden, een duidelijke stimulans om noodzakelijke hervormingen door te voeren. Ik denk dat dit perspectief van onschatbare waarde is, ook in een tijd van een financieel-economische crisis. Ik ben het echter ook volledig met de heer Van Bommel eens. Wij moeten niet de suggestie wekken dat alle financiële problemen als sneeuw voor de zon zijn verdwenen als je eenmaal lid bent. Wij kennen ook tal van landen die nu in deze crisis geconfronteerd worden met de noodzaak tot forse ingrepen. Daar komen wij ongetwijfeld ook in het kader van de Nederlandse situatie nog genoeg over te spreken.

Het is evident dat die uitbreiding goed gemanaged moet worden om succesvol te zijn. Wij moeten ons houden aan de voorwaarden die wij zelf stellen. Dat doen wij niet om vervelend te zijn, maar omdat wij daarmee de waardengemeenschap die de EU is, overeind kunnen houden. Het is meer dan een economisch samenwerkingsverband. Dat is althans de opvatting van de Nederlandse regering en die wordt ook gedeeld door een meerderheid in de Kamer. Als wij die gedeelde waarden overeind willen houden voor de toekomst is het belangrijk dat nieuwe toetreders daaraan voldoen. Alleen dan zullen onze eigen burgers en die in andere landen zeggen dat de Unie iets voorstelt en meerwaarde heeft; dat men er wat aan heeft en men er iets mee heeft. Dat hebben wij in de discussie rond de verkiezingen voor het Europees Parlement ook heel duidelijk gemerkt. Het draagvlak staat of valt met de vraag of de Europese Unie doet wat ze zegt en in hoeverre die waarden overeind worden gehouden. Wij moeten ervoor waken dat wij de zaak verkwanselen of laten verlopen door te snel akkoord te gaan met toetreding. Dat laat echter onverlet dat uitbreiding als zodanig in de kern een strategisch belang dient; nu en in de toekomst.

De heer Ormel (CDA): De minister zegt: wé moeten ervoor waken. Ik stelde een vraag in mijn termijn.

Minister Verhagen: Daar kom ik nog op. Ik ben net een minuut bezig. Maakt u zich maar niet ongerust.

Wij zien nu dat het uitbreidingsproces na een aantal jaren van relatieve rust weer volop in beweging is. Sinds ons laatste algemeen overleg over de uitbreiding als zodanig – dat was in november 2008 – hebben drie landen een lidmaatschapsaanvraag ingediend, namelijk Montenegro, Albanië en IJsland. De kans is aanwezig dat Macedonië, dat vier jaar geleden van de Europese Raad de status van kandidaat-lidstaat kreeg, op korte termijn kan beginnen met toetredingsonderhandelingen. Als Kroatië zich inspant om aan al zijn verplichtingen te voldoen, inclusief samenwerking met het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY), komt ook afsluiting van die onderhandelingen dichterbij.

Juist in het licht van die dynamiek, is het van het grootste belang dat het uitbreidingsproces zorgvuldig verloopt. Dat betekent dat de voorwaarden die wij met elkaar hebben afgesproken in elke fase worden gehanteerd, dat er geen overhaaste stappen worden gezet die wij later moeten bezuren.

De toetredingslanden moeten ten volle beseffen dat zij bereid moeten zijn om onze regels over te nemen en moeten er niet vanuit gaan dat wij ons wel aan hen aanpassen. Dat hebben wij zeer duidelijk in de gaten. Wij moeten ons niet aanpassen omdat andere landen nog niet voldoen aan de criteria, maar men moet zelf de hervormingen doorvoeren. Die voorwaarden blijven, in elk geval voor Nederland, de rode draad in het uitbreidingsproces. Criteria zijn criteria en voortgang is alleen mogelijk op basis van concrete en duurzame resultaten. Hoe sneller en beter een land de vereiste politieke, economische en administratieve hervormingen doorvoert, hoe eerder een lidmaatschap in zicht komt. De toetredingslanden bepalen dus zelf het tempo. Naarmate zij sneller presteren, komen zij er sneller bij. Daarom moeten wij geen data noemen. Het gaat erom dat zij aan de criteria voldoen.

Wij hebben de voorwaarden voor toetreding zeer nadrukkelijk geformuleerd. Er wordt niet alleen in het Verdrag van Lissabon aan gerefereerd, want ook bij het vaststellen van de uitbreidingsstrategie in 2006 hebben wij daar aandacht voor gevraagd. Dat wij altijd zo hameren op die voorwaarden voor toetreding, wordt mij door collega’s niet altijd in dank afgenomen. Ik kan wel tegen een stootje. Ik kan zelfs tegen het feit dat de heer Van Bommel niet alleen kritiek uit in de krant, maar daarna ook wegloopt. Ik vind het mijn plicht als minister, als lid van de Nederlandse regering, om daar voor te waken. Een aantal lidstaten zegt – dat moeten wij ook erkennen – dat de stabiliteit in de westelijke Balkan het beste gediend is bij het zo snel mogelijk integreren van die regio in de Europese Unie. Door de vaart in dat toetredingsproces te houden, hopen zij dat de Europees gezinde krachten in die landen een steuntje in de rug krijgen. Ik krijg de indruk dat een aantal lidstaten de gestelde criteria wel eens wat losser wil interpreteren dan Nederland doet en toetredingslanden eerder het voordeel van de twijfel gunt.

Wij zijn overigens niet de enige die streng zijn op conditionaliteit, absoluut niet. Wij hebben in december 2006 unaniem de verscherpte uitbreidingsstrategie vastgesteld. Dat is dus gewoon EU-beleid. Andere lidstaten – ik noem Duitsland, Frankrijk, België, Luxemburg en Denemarken – zijn ook streng waar het gaat om de criteria. Wij staan dus niet altijd alleen. Ik vond het overigens wel apart om nu te horen dat ik ervoor moet waken dat ik niet geïsoleerd komt te staan, terwijl ik eerder werd opgeroepen om toch absoluut gebruik te maken van het veto.

Er kan altijd een verschil in appreciatie zijn. Dit verschil in benadering, van hoe je beoordeelt of een land werkelijk aan de criteria voldoet, hoeft in de praktijk weinig concrete gevolgen te hebben aangezien besluiten over nieuwe stappen in het toetredingsproces worden genomen bij unanimiteit, dus iedereen moet tot de overtuiging zijn gekomen dat aan de criteria wordt voldaan. Als Nederland gegronde redenen heeft om een pas op de plaats te willen maken, wordt er dus een pas op de plaats gemaakt. Dat vindt men niet altijd leuk en dat wordt ons niet altijd in dank afgenomen. Wij stellen wel zeker dat het draagvlak voor nieuwe stappen behouden blijft en daar hechten alle lidstaten eigenlijk wel veel waarde aan. Het kan best zijn dat een grensconflict tussen Slovenië en Kroatië aanleiding is voor een land om op de rem te gaan staan, of een situatie met betrekking tot het Ankara Protocol of een naam. Om het draagvlak in de EU te behouden, is het zaak dat je het er met elkaar over eens wordt dat de volgende stap moet worden gezet. Dat moet nog steeds bij unanimiteit. Juist omdat het proces alleen maar doorgang kan vinden als iedere lidstaat instemt met een voorgestelde nieuwe stap, heb je op allerlei formele momenten alle gelegenheid om eventuele vragen op tafel te leggen in bilaterale contacten met de toetredingslanden en met de Europese Commissie. Wij hebben dus voldoende mogelijkheden om het proces te beïnvloeden. Ik ben er dus niet bang voor dat u op een ochtend wakker wordt en u tot uw verbazing merkt dat een aantal nieuwe lidstaten toegetreden is tot de EU. Weest u daar gerust op.

Ik kom nu terug op de uitbreidingsagenda van dit najaar. De discussie in de Raad zal zich daarop toespitsen. De drie kandidaat-lidstaten, die al formeel kandidaat-lidstaat zijn, bevinden zich in zeer uiteenlopende posities. Voor Kroatië is de eindstreep in zicht. Daar is de Commissie heel duidelijk over. De Commissie verhult echter ook niet dat Kroatië nog niet aan de EU-standaarden voldoet, bijvoorbeeld wat betreft de bestrijding van corruptie en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Daarmee geeft de Commissie dus tegenstrijdige signalen af. Het is tegenstrijdig om te zeggen dat ze er zijn en een datum te noemen – dat is overigens een tentatieve datum – en tegelijkertijd te zeggen dat het land op een aantal punten nog niet voldoet. In plaats van het noemen van een moment van afronding van de onderhandelingen, van een tijdstip, zou de Commissie moeten benadrukken dat Kroatië een geloofwaardige staat van dienst dient op te bouwen op het gebied van uitvoering en handhaving van justitiële hervormingen. Ik ben en blijf tegenstander van het ongeclausuleerd noemen van een datum waarop de onderhandelingen kunnen worden afgerond. Het gaat om het feitelijk voldoen aan de voorwaarden.

Kroatië heeft overigens wel forse stappen vooruit gezet. Hoewel er op een aantal punten nog iets moet gebeuren, is het evident dat er een enorm tempo in de hervormingen zit. Wij zijn er nog niet, maar het komt wel heel dichtbij. Ik ben ook van mening dat het belang van Kroatische samenwerking met het ICTY uitdrukkelijk naar voren moet komen in de raadsconclusies. Ik ben het absoluut oneens met de heer Boekestijn die stelde dat het om een paar documenten gaat en dat de situatie anders is dan die rond Servië. In de vorige rapportage is de heer Brammertz glashelder over dat er sprake is van onvoldoende samenwerking met Kroatië en dat er juist sprake is van een grote verbetering van de samenwerking met Servië. Het moet dus niet gebagatelliseerd worden door te stellen dat het om een paar documenten gaat. De heer Brammertz zegt juist dat hij die documenten hard nodig heeft om afdoende bewijs te hebben om mensen veroordeeld te krijgen. Nederland is daarom, overigens samen met andere lidstaten, van mening dat hoofdstuk 23 – dat gaat over de rechterlijke macht en fundamentele vrijheden – nog niet kan worden geopend. Omdat het niet geopend is, wordt het niet afgerond. De onderhandelingen kunnen niet worden beëindigd zo lang dat niet is afgerond.

De heer Boekestijn (VVD): Ik wil even een klein puntje ophelderen. De Commissie stelde dat het slechts om enkele documenten zou gaan. In de eerste plaats mag de Commissie daar helemaal niets over zeggen. Het gaat om de heer Brammertz zelf en hij heeft daar – daar heeft de minster geheel gelijk in – veel zwaardere woorden over gesproken. De minister moet mijn woorden wel goed weergeven. Wij zijn het geheel met elkaar eens.

Minister Verhagen: Dank u wel, mijnheer Boekestijn. Dan heb ik u niet goed geduid. Ik dacht dat u deze woorden tot de uwe maakte. De Commissie mag er overigens op zich wel een oordeel over hebben. Juist waar het gaat om de rechtsstaat en de samenwerking met het ICTY kan de Commissie haar opvattingen geven. De ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten nemen uiteindelijk het politieke besluit over de consequenties die daaraan moeten worden verbonden. Ik heb in mijn bilaterale contacten, ook tijdens de reizen die ik naar Kroatië heb gemaakt, hier meermalen zeer nadrukkelijk op gewezen. Gezien de hervormingen die al zijn doorgevoerd op het gebied van justitie, denk ik dat er wel degelijk mogelijkheden zijn om op de andere tekortschietende punten de noodzakelijke voortgang te realiseren. Ik hoop dat hetzelfde gebeurt ten aanzien van de samenwerking met het ICTY. Als dat gebeurt, kunnen de onderhandelingen snel worden afgerond.

De tweede officiële kandidaat-lidstaat is Turkije. Verschillende woordvoerders hebben daarover gesproken. Het beeld dat de Commissie van Turkije schetst, is gemengd. Er is waardering voor de rol van Turkije in de regio. De Turkse autoriteiten hebben handreikingen gedaan ten aanzien van de Armeense en de Koerdische gemeenschap. Er is echter ook kritiek op het gebrek aan voortgang in de binnenlandse politieke hervormingsagenda. De vrijheid van religie en de vrijheid van meningsuiting worden nog steeds niet in voldoende mate gewaarborgd, net als een aantal andere zaken. Dit jaar is er bijzondere aandacht voor de Turkse naleving, of meer niet-naleving, van het Ankara Protocol. Dat is op zijn plaats aangezien wij hebben afgesproken dat die in december wordt geëvalueerd. In het overleg met de Kamer op 28 oktober jongstleden heb ik daar uitgebreid bij stilgestaan, mede naar aanleiding van vragen van de heer Ten Broeke. Ik ben overigens blij dat de VVD-fractie nu weer een iets andere opvatting heeft, mijnheer Boekestijn. Ik heb toen gezegd dat het mij verbaasde dat de VVD-fractie opeens het standpunt innam dat een voormalig lid van de fractie innam dat, omdat hij dat standpunt had, uit de fractie werd gegooid en die indertijd als de Groep Wilders en nu als leider van de PVV door het leven gaat. Het verbaasde mij dat wat een paar jaar geleden aanleiding was voor de toenmalige fractievoorzitter van de VVD-fractie om de heer Wilders te verzoeken de fractie te verlaten, nu ineens het standpunt van de VVD-fractie was. Ik ben blij dat u dat nu weer nuanceert, mijnheer Boekestijn. U pleit eigenlijk voor het opschorten van de onderhandelingen als men niet voldoet aan het Ankara Protocol omdat het in dat geval vrij zinloos is om ermee door te gaan en indien men weer bereid is om verdere stappen te zetten het onderhandelingsproces weer op te pakken. Ik ben blij dat de VVD-fractie toch die consistentie weer inbouwt.

Wij vinden dat de Commissie zich er eenvoudig vanaf maakt door feitelijk te constateren dat sinds 2006 geen enkele voortgang is geboekt. Ik wil van de Commissie horen, juist omdat zij medeverantwoordelijk is voor het toetredingsproces en het uitbreidingsproces als zodanig, hoe zij nu de weg voorwaarts ziet. Ik heb er niets aan als zij alleen constateert dat men niet voldoet. Ik wil weten hoe wij hieruit komen en wat de volgende stappen zijn die wij kunnen zetten. Ik bepleit niet het nemen van aanvullende sancties tegen Turkije. Daar heb ik de vorige keer in het debat op gewezen. Dat doet vrijwel niemand, zelfs de Cyprioten niet. Ik wil niet Cypriotischer zijn dan de Cyprioten. Het zou ook weinig zinvol zijn om daarvoor te pleiten, omdat er op dit moment vrijwel geen nieuwe hoofdstukken te openen zijn. Er zijn acht hoofdstukken geblokkeerd vanwege het niet naleven van het Ankara Protocol, op basis van eerdere besluitvorming die is gebaseerd op de eerste evaluatie. Een aantal hoofdstukken kan niet worden geopend omdat Frankrijk dat blokkeert. Een aantal hoofdstukken is geblokkeerd door Cyprus. De facto liggen daardoor zestien hoofdstukken diep in de diepvriesla. Daarmee straft Turkije zichzelf eigenlijk wel voldoende. Er zijn immers feitelijk nauwelijks meer onderhandelingen.

Daar komt nog bij dat ik wil zien waar de herenigingsonderhandelingen op Cyprus, onder auspiciën van de VN, dit najaar toe leiden. Daar ligt immers in wezen de sleutel voor het Turkse toetredingsproces. Die onderhandelingen onder auspiciën van de VN bevinden zich op dit moment in een kritisch stadium en die wil ik niet negatief beïnvloeden door nu stappen te zetten vanuit de EU. Het zou mij juist een lief ding waard zijn om die slepende kwestie op te lossen. Het gaat overigens niet alleen om Turkije. Ook Cyprus moet zich constructief opstellen wat betreft dit dossier. Het gaat in wezen om alle partijen die hierbij betrokken zijn. Ik vind dat wij ondersteuning moeten geven aan de VN en aan de onderhandelingen die op dit moment plaatsvinden. Het zou ons allen wat waard moeten zijn om een doorbraak te realiseren in dit conflict dat al zo lang bestaat. De onderhandelingen bevinden zich in een kritisch stadium. Die wil ik niet negatief beïnvloeden.

In het algemeen stel ik wel zeer nadrukkelijk dat het doel van de toetredingsonderhandelingen met Turkije, een kandidaat-lidstaat, zonder dat de uitkomst van de onderhandelingen vaststaat – het is een open eind – conform het gestelde in het onderhandelingsraamwerk van oktober 2005 moeten plaatsvinden. Ik blijf bij de afspraken die wij hebben gemaakt. Daar kom ik niet op terug. Dat doet de regering niet. Dat hebben de coalitiepartijen zeer nadrukkelijk in de formulering van het regeerakkoord gesteld. De uitkomst van de onderhandelingen staat niet vast, het is een open eind. De onderhandelingen als zodanig zijn wel gericht op lidmaatschap, want anders zou er geen kandidaat-lidmaatschap zijn. Dat heeft de regering geaccordeerd en dat staat in de afspraken die de coalitiepartijen met elkaar hebben gemaakt. De uitkomst staat niet op voorhand vast, maar de mogelijkheid dat de onderhandelingen leiden tot het lidmaatschap van Turkije van de Europese Unie die blijft overeind. Als Turkije aan de voorwaarden voldoet, komt het bij de EU. Als het niet voldoet, komt het er niet bij. Daar ben ik altijd heel duidelijk over geweest. Ik zie geen aanleiding om daar nu op terug te komen.

De heer Boekestijn (VVD): De minister heeft zeer veel woorden nodig, maar hij bewijst wel zijn consistentie. Dat moet ik hem nageven. Het beleid van het kabinet is consistent.

De voorzitter: Wat is uw vraag?

De heer Boekestijn (VVD): Welk signaal gaat er nu vanuit als de minister niet bereid is om de onderhandelingen op te schorten als het Ankara Protocol niet wordt uitgevoerd? Welk signaal gaat daarvan uit richting Ankara?

Minister Verhagen: Ik heb net al gezegd dat er de facto nauwelijks meer onderhandelingen plaatsvinden. Er liggen zestien hoofdstukken diep in de diepvriesla. Er worden bovendien geen hoofdstukken afgesloten vanwege de consequenties die wij hebben verbonden aan het niet-nakomen van het Ankara Protocol. Derhalve staan de onderhandelingen feitelijk stil. Je kunt dat nog formaliseren of het energiehoofdstuk wel openen, maar een ander formeel bevriezen. Je hebt eigenlijk niets meer, als ik eerlijk ben. De facto straft Turkije zichzelf op dit moment. Ik hoop dat die onderhandelingen onder leiding van de VN over Cyprus leiden tot een oplossing, tot een doorbraak, want dan loopt dat Ankara Protocol vanzelf. Als er overeenstemming is over de hereniging van Cyprus, zijn morgen die havens open.

De heer Boekestijn (VVD): Stel nu dat die straf onvoldoende is voor een gedragsverandering van Ankara in de gewenste richting. Dat kan natuurlijk, dat het Ankara Protocol niet wordt uitgevoerd. U hebt gelijk dat Ankara zichzelf in de vingers snijdt, minister. Die straf zou echter onvoldoende kunnen zijn.

Minister Verhagen: Welke straf wilt u dan?

De heer Boekestijn (VVD): Ik stel gewoon vast dat de diepvriesmethode niet hoeft te werken.

Minister Verhagen: Ik stel vast dat u Cypriotischer bent dan de Cyprioten.

De heer Boekestijn (VVD): Ja, maar in het eindspel ligt het daarom ook ingewikkeld. Ik denk toch dat het pleiten voor het opschorten van de onderhandelingen in het geheel toch nog een stapje verder is.

Minister Verhagen: Dat is niet de opvatting van de Nederlandse regering.

De heer Boekestijn (VVD): Dat is wel die van mij.

Minister Verhagen: Het is goed dat er nog verschillen zijn.

De heer Ormel vroeg wat er aan de hand is met de buitenlandse politiek van Turkije. Hij vroeg of er sprake is van een verandering en of ik daar een appreciatie van kan geven, bijvoorbeeld van hetgeen Turkije wat betreft Iran, het Midden-Oosten en Al-Bashir aan het doen is. Het is duidelijk dat het Turkse buitenlandse beleid decennialang een oriëntatie had op het Westen. Het is lid van de NAVO en streeft het lidmaatschap van de EU na. Daarnaast werd gestreefd naar stabiliteit aan de eigen grenzen. Daarvoor waren uiteraard rustige relaties met de eigen buren nodig. Na vijf jaar onderhandelingen met de EU, in een situatie waar de facto geen onderhandelingen meer plaatsvinden doordat al die hoofdstukken in de diepvriesla liggen, is de AK-partij van premier Erdogan niet echt enthousiast over het resultaat van die oriëntatie op het Westen. Dat lijkt mij evident en ik vind het zelfs begrijpelijk. Wat ons betreft komt dat door het gebrek aan vooruitgang met betrekking tot Cyprus en de nodige hervormingen wat betreft de vrijheden en de criteria die wij hebben gesteld.

Er zijn op dit moment wat reacties op die koude schouder. Misschien wil men ons laten zien dat als wij Turkije niet bij de EU willen, zij ook naar de andere kant kunnen kijken, dat zij ook toenadering tot anderen kunnen zoeken als de EU hen niet wil. Soms is dat heel positief, zoals de toenadering tot Rusland en Armenië. Die verwelkomen wij. Ik denk dat Turkije ook een heel positieve rol heeft gespeeld ten aanzien van Georgië. Ten aanzien van een aantal andere zaken fronsen wij echter de wenkbrauwen op dit moment. Turkije heeft al twintig jaar een strategische relatie met Israël. Ik deel met de Kamer de ernstige zorg over de verslechtering in die relatie, temeer omdat Turkije voorheen een heel constructieve rol speelde in bijvoorbeeld de bemiddeling tussen Syrië en Israël om een einde te maken aan het conflict in het Midden-Oosten. Turkije speelde niet alleen een constructieve rol daarin, maar ook een heel welkome rol. Wij zien nu vrij harde veroordelingen en een toenemend antisemitisme. Wij hebben vandaag onze zorgen daarover overgebracht aan de Turkse ambassadeur, waarbij wij hebben verwezen naar de televisieserie waarin publiekelijk antisemitische uitspraken worden gedaan en waar zeer ernstige zaken in naar voren komen. De reactie daarop was overigens: u vroeg toch om vrije media, wij kunnen de media niet controleren. Er zitten twee kanten aan: u wilt vrijheid van meningsuiting, wij kunnen daar geen censuur op uitoefenen.

Wij hebben Turkije ook aangesproken op de opmerkingen over Iran, in het gesprek dat ik met mijn Turkse collega had toen hij in Nederland was. Hij zei dat Turkije gericht blijft op het realiseren van volledige samenwerking van Iran met het International Atomic Energy Agency (IAEA). Dat is in lijn met onze opstelling. Juist Turkije heeft zich hard gemaakt richting Iran om in te gaan op het eerdere aanbod van de E-3 plus 3, de basis voor de onderhandelingen in Genève. Ook tijdens het afgelopen bezoek van premier Erdogan aan Iran, zo is mij verzekerd van Turkse zijde, is gewezen op de noodzaak van een diplomatieke oplossing van het nucleaire dossier. Ik vind het belangrijk dat de internationale gemeenschap gezamenlijk optrekt op dit punt. Daar hoort de druk van Turkije op Teheran bij Ik ben nog niet klaar met Turkije, voorzitter.

De voorzitter: Ik kijk ook nog even naar de klok. Wij hebben nog 35 minuten.

Minister Verhagen: Met betrekking tot Omar Hassan al-Bashir hebben wij Turkije duidelijk gewezen, ook de ambassadeur, op de noodzaak van het nakomen van de verplichtingen. Het Zweedse voorzitterschap heeft namens de lidstaten van de EU overleg in de marge gepleegd in Ankara, juist om duidelijk te maken dat deelname van de Soedanese president Al-Bashir aan een bijeenkomst van de Islamic Conference (OIC) in Instanbul wordt veroordeeld. Deze druk heeft er volgens mij toe geleid dat dit niet doorgaat. Ook al is Turkije geen partij bij het Statuut van Rome, wij vinden dat het zich daar als kandidaat-lidstaat aan te houden heeft. Het moet ook de resoluties van de Veiligheidsraad naleven.

De heer Van der Staaij vroeg welke positie Duitsland nu inneemt ten aanzien van het lidmaatschapsperspectief van Turkije. In het regeerakkoord dat onlangs is gesloten in Duitsland is vastgelegd dat het beleid ten aanzien van het lidmaatschapsperspectief van Turkije niet wezenlijk zal veranderen. Wel zal Duitsland iets meer dan voorheen de nadruk gaan leggen op de noodzaak om een nieuwe impuls te geven aan het hervormingsproces. Zij zetten minder in op het geprivilegieerde partnerschap, maar willen het lidmaatschapsperspectief boven tafel houden door meer druk te zetten op het hervormingsproces. Dat is de lijn die Nederland ook volgt. Als Turkije voldoet, kan het lid worden. Als het niet voldoet, wordt het geen lid. Het standpunt van de CDU/CSU is wat harder, maar dit is in het regeerakkoord opgenomen.

De voorzitter: Mevrouw Wiegman en de heer Van der Staaij willen het woord. Ik zal ze koppelen, want ik zit toch een beetje naar de tijd te kijken.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Het is prima als de minister vaart maakt met de beantwoording, maar hij moet wel ingaan op concrete vragen. Het is goed om uitgebreid in te gaan op de relatie tussen Turkije en Cyprus. Dat is van groot belang. Een dergelijke analyse zou ik toch ook graag van de minister horen wat betreft Armenië en de wijze waarop daar is gereageerd. Dat wil ik niet om dit overleg onnodig te rekken, maar er ligt een aantal concrete vragen.

De heer Van der Staaij (SGP): Ik had dezelfde vraag.

Minister Verhagen: De wijze waarop Turkije omgaat met de Armeense genocide is geen formeel toetredingscriterium. De Nederlandse regering is wat betreft de gebeurtenissen van 1915 van mening dat zeer velen zijn omgekomen en omgebracht en dat er sprake is geweest van groot en ernstig leed. Dat hebben wij herhaaldelijk, juist naar aanleiding van het aanvaarden van de motie-Rouvoet in december 2004, ter sprake gebracht, zowel in EU-kader als in de bilaterale contacten met Turkije. Het is van belang dat Turkije en Armenië gezamenlijk tot een inzicht komen over deze kwestie. Acceptatie van de wederzijdse geschiedenis is noodzakelijk en is een stap vooruit in het politieke proces dat nodig is om de bilaterale betrekkingen tussen Armenië en Turkije te herstellen. Wij moedigen daarbij zowel Turkije als Armenië aan om dit proces op gang te brengen. Ik denk dat juist de toenadering tussen Turkije en Armenië, het herstel van de diplomatieke relaties en opening van de grens, ertoe zal kunnen leiden dat die tragische periode een plaats krijgt in het gemeenschappelijke verleden van beide volken. Daar hebben wij ons op gericht. Het blijft een gevoelig onderwerp in Turkije, daar hoeven wij elkaar niets over wijs te maken. Er lijkt echter iets meer ruimte te ontstaan om dit onderwerp te bespreken. In 2008 werd door 200 intellectuelen een petitie opgesteld die is ondertekend door ongeveer 30 000 Turkse burgers. Daarin worden verontschuldigingen aangeboden voor de grote catastrofe. Er wordt op dit punt steeds minder gebruik gemaakt van het door ons afgewezen artikel 301 om de vrijheid van meningsuiting op dit punt te beknotten. Ik denk dat het voornemen van zowel Turkije als Armenië om in het kader van de toenadering een onderzoek te doen naar de gebeurtenissen in 1915 een belangrijke bijdrage kan leveren aan het bespreekbaar maken van deze kwestie.

Ik kom nu op Macedonië, als laatste in dit blokje. In het uitbreidingspakket van de Commissie wordt voorgesteld om op korte termijn de toetredingsonderhandelingen met Macedonië te openen. Het is niet uitgesloten dat de Raad die aanbeveling in december zal overnemen. Ik wil mij achter dit besluit scharen. Ook Macedonië heeft nog huiswerk te doen, met name op het gebied van depolitisering van het ambtenarenapparaat. Er is echter in de afgelopen periode enorm veel bereikt. Ik denk dat de autoriteiten zich van hun beste kant hebben laten zien. Op de overeengekomen acht ijkpunten heeft Macedonië gewoon goed geleverd. Ik ben van oordeel dat wat betreft Macedonië, nadat het vier jaar in de wachtkamer heeft gezeten, een volgende stap gerechtvaardigd is en dat Macedonië dat verdient. Het is evident – dat heb ik ook nooit onder stoelen of banken gestoken – dat de naamskwestie tussen Macedonië en Griekenland moet worden opgelost. Bilaterale geschillen op dat punt moeten worden opgelost, ook al vormen zij geen criterium. Ik hoop dat er met de nieuwe Griekse regering mogelijkheden zijn om de naamskwestie op te lossen. Wij zijn dus strikt, maar fair. Dat betekent ook dat je moet leveren als een land zo’n voortgang heeft geboekt.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Er wordt opnieuw heel sterk ingezoomd op de relatie tussen Macedonië en Griekenland. Het zou om een naamskwestie gaan. Ik heb in mijn vraag naar voren willen brengen dat het breder ligt, dat er effecten zijn in de gehele regio. Het is niet alleen de naam, maar ook de identiteit van mensen die ook in andere landen in de regio wonen. Dat kan ook effect hebben.

Minister Verhagen: Dat klopt. Ik heb echter ook gezegd dat Macedonië op de acht ijkpunten een zodanige vooruitgang heeft geboekt dat wat mij betreft een volgende stap gerechtvaardigd is. De effecten vormen een reden dat er een discussie plaatsvindt, dat er moeilijk wordt gedaan en men die naamskwestie opgelost wil zien.

Ik kom nu op de potentiële kandidaat-lidstaten. Wij hebben eerder over Albanië naar aanleiding van de avis-aanvraag besproken dat wij het avis niet willen blokkeren. Wij willen kijken naar de appreciatie van het Bureau ODIHR van het verkiezingsproces. Juist gelet op de vooruitgang die daar is geboekt, kan er een avis-aanvraag komen. Dat wil niet zeggen dat Albanië er daarmee is, geenszins. Ik denk dat het avis van de Commissie in elk geval zal aantonen dat er nog veel tekortkomingen te overwinnen zijn. Dat is voor mij geen reden om de Commissie ervan te weerhouden om met een avis te komen.

Een aantal woordvoerders heeft over Bosnië gesproken. Ik deel de zorgen over de ontwikkelingen in Bosnië. Het Zweedse voorzitterschap heeft een enorme inzet getoond voor het Butmir-proces, een initiatief van de Verenigde Staten en de EU, om uit de slepende politieke impasse te komen. Dat heeft helaas nog niet het gewenste resultaat opgeleverd. Dat heeft natuurlijk ook zijn weerslag op het EU-perspectief van het land. Ik denk dat het terecht is dat de Commissie zeer kritisch is over het gebrek aan voortgang. Het is van groot belang dat er wordt voldaan aan de voorwaarden, zodat sluiting van The Office of the High Representative (OHR) mogelijk wordt. Het Butmir-proces en het pakket dat het Zweedse voorzitterschap heeft neergelegd, bieden die kansen en behoeven onze volledige ondersteuning. Ik heb mijn Bosnische collega gewaarschuwd om geen premature lidmaatschapsaanvraag in te dienen, mede gelet op de problemen waarmee wij worden geconfronteerd.

De situatie in Kosovo is stabiel, maar zeer kwetsbaar. De Korsovaarse autoriteiten zullen meer werk moeten maken van de hervormingen die het perspectief op lidmaatschap vereisen. Daarbij verdient met name de etnische integratie blijvende aandacht, de positie van de Servische minderheid. Ik verwelkom op zich de studie die de Europese Commissie heeft verricht naar de mogelijkheden om nadere afspraken te maken met Kosovo op het gebied van visumbeleid en handel. Dat is geen eenvoudige klus, mede gezien het feit dat vijf EU-lidstaten Kosovo nog niet als onafhankelijke staat hebben erkend. Dat maakt het extra gecompliceerd voor de EU.

Wij zien gestage voortgang in het toetredingsproces van Montenegro. De strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad zal echter moeten worden opgevoerd. Nederland zal erop aandringen dat op deze punten nadrukkelijk wordt ingegaan in het avis dat de Commissie in de loop van volgend jaar zal presenteren. Mevrouw Wiegman had nog een vraag over de Servische minderheid in Montenegro. In juridische zin is er geen sprake van discriminatie aangezien de Montenegrijnse wetgeving en de grondwet op zich voldoende waarborgen bieden voor de bescherming van minderheden in Montenegro, dus ook voor Serviërs. Het is echter bekend dat met name een aantal politieke Servische minderheidspartijen zich gediscrimineerd voelt. Dat heeft mede te maken met het feit dat zij niet actief deel uitmaken van de regeringscoalitie, en volgens hen ook niet actief worden geïntegreerd in het Montenegrijnse openbaar bestuur. Er vindt op dit moment nog een aantal onderhandelingen plaats, met name over het dubbele staatsburgerschap, dat nog niet is afgerond. Partijen die niet in een regeringscoalitie zijn vertegenwoordigd – ik kijk even naar de heer Van Bommel – voelen zich vaak gediscrimineerd, althans buitengesloten, althans niet voldoende op waarde geschat.

De heer Van Bommel (SP): Als wij discriminatie nemen als onterecht onderscheid maken, dan klopt dat wel.

Minister Verhagen: Over het dubbele staatsburgerschap vinden zelfs in Nederland discussie plaats. Die kwesties liggen ook daar gevoelig. Formeel juridisch klopt het, maar in de praktijk zal daar aandacht aan moeten worden geschonken.

Ik kom nu op Servië, als pièce de resistance. Daar hebben alle woordvoerders over gesproken. Servië zit uiteraard op het vinkentouw, net als veel EU-lidstaten, om te kijken wat Nederland doet. Servië heeft het goed gedaan het afgelopen jaar. De autoriteiten zijn absoluut gecommitteerd aan het EU-integratieproces. Zij bevestigen dat niet alleen in woord, maar ook in daad. Zij willen duidelijk een perspectief hebben in de EU. Er is een stijgende lijn zichtbaar in de samenwerking met het ICTY. Dat is gewoon een feit, of ik dat nu leuk vind of niet. Ik kan het alleen maar leuk vinden. Ik kan er blij mee zijn dat men steeds beter samenwerkt met het ICTY. De heer Brammertz heeft in juni gezegd dat er sprake was van vooruitgang. Hij zei nadrukkelijk dat er geen sprake van volledige samenwerking is, dat Servië niet het maximale doet, maar dat er vooruitgang is. Ik wacht nu op het oordeel van de heer Brammertz. Ik doe dat niet om de politieke conclusies te trekken, want dat doen de ministers van Buitenlandse Zaken. Op grond van de eerste geluiden, de eerste contacten, is het te verwachten dat Brammertz positief zal zijn over de samenwerking. De vraag is wat zijn precieze formulering zal zijn. Die is belangrijk, want op basis van die formulering zullen wij vaststellen of Servië het maximale doet naar onze mening. Op 3 december zal de heer Brammertz aan de Veiligheidsraad rapporteren. Als hij tevreden is over de samenwerking met Belgrado, zullen wij onze positie ten aanzien van Servië opnieuw bepalen. Er is gezegd dat Nederland ervoor moet zorgen niet te geïsoleerd te raken. Dit is gewoon eerlijk. Wij hebben steeds gesteld dat samenwerking met het ICTY van essentieel belang is en het als voorwaarde gesteld voor de inwerkingtreding van de Interim-Stabilisatie en Associatieovereenkomst (SAO) en het voorleggen ter ratificatie daarvan. Dat betekent wel dat wij open moeten staan voor het oordeel van de heer Brammertz. Hij trekt niet de politieke conclusie, dat doen wij. De vraag of er sprake is van samenwerking met het ICTY, kan hij echter als geen ander beoordelen.

Ik heb eerder gezegd dat wij streng, maar rechtvaardig zijn. Dat betekent dat als een land zich zichtbaar inspant en daarmee concrete resultaten heeft bereikt, een beloning op zijn plaats is. Dat is de reden dat ik eind oktober aan het Zweedse voorzitterschap heb voorgesteld om een pakket maatregelen te nemen op het gebied van handel en visumbeleid, onderwerpen die de Servische bevolking direct aanspreken, omdat er uit de bevindingen van de heer Brammertz bleek dat er sprake was van een forse verbetering van de samenwerking. Ook al is er nog geen volledige samenwerking, ik vind dat wij moeten honoreren dat er een verbetering plaatsvindt, een stimulans geven in plaats van ontmoedigen. Daarom hebben wij de Commissie verzocht om de mogelijkheden te onderzoeken voor verruiming van markttoegang voor een aantal Servische producten, voordelige oorsprongregels. Ik sta niet afwijzend tegenover erkenning te zijner tijd van de eenzijdige uitvoering door Servië van de Interim-Stabilisatie en Associatieovereenkomst die het zelf al toepast. Daarmee kan Servië een staat van dienst opbouwen waarmee het kan aantonen dat het voldoet aan de door de EU gestelde voorwaarden. Wij willen de verbetering stimuleren. Het oordeel van de heer Brammertz is voor ons bepalend voor de discussie in december.

De heer Ormel vroeg waarom de Commissie geen handelsmaatregelen neemt. De wens was om de eerste vooruitgang in de samenwerking aan te moedigen door handelsmaatregelen. Ik kan slechts gissen naar de oorzaken ervan. Ik vind het buitengewoon jammer. Ik had in de contacten die ik eerder met Commissaris Rehn had, voorafgaand aan de junisessie, de indruk dat hij daar open voor stond. Plotsklaps in de toenmalige Razeb was dat niet het geval. Een gegeven is dat een aantal zuidelijke lidstaten niet veel belang heeft bij een grotere markttoegang voor Servië voor wijn, suiker en rundvlees omdat die producten concurreren met hun eigen producten. Ik weet niet wat de achterliggende reden is geweest. Ik sluit een ander standpunt op dit terrein niet uit als de bevindingen van de heer Brammertz daartoe aanleiding geven. Ik ontmoedig Servië wel om een premature aanvraag in te dienen. Ik sluit niet uit dat Servië dat gaat doen, maar ik ontmoedig het. Sommige lidstaten, zo stond vandaag ook weer in de krant, moedigen Servië juist aan om die aanvraag snel in te dienen, liefst nu. Ik wil dat Servië zich maximaal inspant voor de samenwerking met het ICTY. De vraag is of de Servische autoriteiten hun uiterste best doen. Die vraag kan het beste worden beantwoord op 3 december aanstaande.

Mij rest IJsland, al meen ik dat de staatssecretaris daar een laatste contact over heeft gehad.

Staatssecretaris Timmermans: Nee.

Minister Verhagen: Ik dacht dat u daar nog over zou spreken. Wij staan op zich positief tegenover de ambities van IJsland. Wij hebben ook gezegd dat wij op zich de lidmaatschapsaanvraag verwelkomen. Ook IJsland zal moeten voldoen aan alle verplichtingen onder het verdrag inzake de Europese Economische Ruimte. Daaronder valt de verplichting om het depositogarantiestelsel uit te voeren. Dat is direct gelinkt aan de afspraken die IJsland heeft gemaakt met het Verenigd Koninkrijk en Nederland over de afwikkeling van het Icesave-dossier. Ik heb overigens goede hoop dat op korte termijn een voor alle partijen aanvaarde uitkomst kan worden gepresenteerd.

De voorzitter: Ik geef nu het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Timmermans: Voorzitter. Met het oog op de klok kan ik misschien beter even wachten op de tweede termijn van de Kamer, want anders komt u niet aan een tweede termijn toe.

De heer Boekestijn (VVD): Ik heb een vraag gesteld over de absorptiecapaciteit.

Staatssecretaris Timmermans: Er zijn wel meer vragen gesteld die ik kan beantwoorden. Dat kan ik doen, maar er is nog maar weinig tijd.

De voorzitter: Ik stel voor dat u nu het woord krijgt. Er is waarschijnlijk geen ruimte voor een tweede termijn. Ik zal minimaal interrupties toestaan zodat de staatssecretaris toch de ruimte krijgt om in te gaan op de vragen.

Staatssecretaris Timmermans: Ik vind het belangrijk om vast te stellen dat de uitbreiding de belangrijkste bijdrage van de EU is aan de stabiliteit in de wereld. Dat is het grootste succes van de EU-politiek sinds de Tweede Wereldoorlog, die uitbreiding. Sinds het einde van de Europese deling – ik kan daar uit eigen ervaring talloze voorbeelden van noemen – zijn er veel bedreigingen geweest voor de vrede in Europa. Die bedreigingen zijn voor een heel groot deel afgewend puur en alleen dankzij het feit dat de betrokken landen perspectief wilden hebben op lidmaatschap van de EU. Dat was de grootste stok achter de deur die wij hadden: als jullie dat niet oplossen, word je geen lid van de EU. Er is geen tijd, maar uit mijn eigen persoonlijke ervaring kan ik daar veel voorbeelden van geven. Ook de vreedzame scheiding van Tsjechië en Slowakije was niet mogelijk geweest zonder dat die twee nieuwe landen wisten dat de grenzen uiteindelijk onbelangrijker zouden worden omdat zij allebei zouden toetreden tot de EU.

De heer Van Bommel (SP): Eén zin om hier iets op af te dingen: wanneer wij het uiteenvallen van Joegoslavië bij dit vraagstuk betrekken, de te snelle erkenning van Kroatië en Slovenië, zou dit optimisme iets getemperd kunnen worden.

Staatssecretaris Timmermans: Ik vind dat een bewijs uit het ongerijmde. Juist het perspectief op toetreding tot de EU is op dit moment de enige langetermijnoplossing voor de spanningen op de Balkan. Het is op dit moment de enige manier om de spanningen, die alles te maken hebben met grenzen, op lange termijn op te lossen. Als wij het pad van de SP hadden gevolgd, hadden wij nu in heel veel Europese landen nog heel grote problemen. U bent wel «Dr. No», mijnheer Van Bommel, maar met «no» waren wij op dit punt nergens gekomen.

De heer Van Bommel (SP): Voorzitter, dit is uitlokking. Ik verwijs naar de geschiedenis iets langer terug dan de uitbreiding van de afgelopen tien jaar. Ik verwijs naar het uiteenvallen van Joegoslavië en de te snelle erkenning van Kroatië en Slovenië, die ook gericht was op toekomstige ambities van Kroatië en Slovenië.

Staatssecretaris Timmermans: Wij kunnen wellicht op een ander moment een uitgebreide discussie hebben over die geschiedenis. Dat wil ik graag doen. Misschien moeten wij daar samen maar eens een debat over voeren, elders. Dat lijkt mij heel interessant. Ik kan het mij heel goed herinneren, want ik was toen op een andere plek zeer actief bezig met dit vraagstuk. Ik weet dat de hele Westerse wereld op dat moment overgeconcentreerd was op de risico’s van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Daardoor heeft men de blik minder dan nodig was op de Balkan gericht. Men was bang voor het grotere gevaar van het uiteenvallen van de kernmacht Sovjet-Unie en de gevolgen daarvan voor onze veiligheid. Daar kunnen wij het op een ander moment over hebben.

Ik blijf staande houden dat wat in Centraal en Oost-Europa – ik ben er van de week weer eens geweest – is bereikt in twintig jaar bijna onvoorstelbaar is als je terugdenkt aan toen. Dat was allemaal niet mogelijk geweest zonder het perspectief van toetreding tot de EU en daadwerkelijke toetreding. Daarmee doe ik niets af aan de tekortkomingen die er zijn et cetera. Ik vind wel dat wij in onze nationale discussie – dat heeft ook andere redenen – ons zeer vaak op die tekortkomingen concentreren. Zeker in de week dat wij vieren dat het twintig jaar geleden is dat er een einde kwam aan de Europese deling, vind ik het belangrijk om te benadrukken dat al met al het succes vele malen groter is dan de dingen die nog niet goed gaan of niet goed zijn gegaan. Ik benadruk dat zo omdat ik denk dat dit, zoals ik al zei, voor de Balkan de enige oplossing is voor alle problemen die er zijn. De Kamer heeft er een aantal aangestipt die zeer terecht zijn.

De heer Ormel stelde dat er ook een probleem is met de absorptiecapaciteit. Dat is waar. Europa muss es verkraften können, zei Helmut Schmidt. Daar ben ik het zeer mee eens. Wij hebben dat nodig als bestaande EU, omdat ook onze wereld radicaal is veranderd in de afgelopen twintig jaar. Ons herkenbare, vertrouwde Europa, waarin wij comfortabel tegen de Berlijnse muur konden aanleunen met de gedachte drüben deugt het niet en bij ons is het goed, is veranderd. Voor heel veel Nederlanders is de wereld onveiliger geworden, hun eigen wereld en het Europa dat veel minder controleerbaar en beheersbaar is voor een land als Nederland. De vraag is niet of Nederland te klein is geworden. Alle Europese landen zijn te klein geworden als je denkt aan één miljard Chinezen en één miljard Indiërs. De uitdaging is niet de vraag of Nederland te klein is, de uitdaging is de vraag of Duitsland wel groot genoeg is. Dat is ook niet het geval. Ook in Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk beseft men heel goed dat als wij de werelduitdagingen aan moeten kunnen, wij dat alleen kunnen als Europeanen gezamenlijk.

Er is gevraagd of het goed zou zijn om een advies van de AIV over absorptie te hebben. Ik stel voor om gezamenlijk, regering en Tweede Kamer samen, de AIV te vragen op dat punt een advies uit te brengen. Het lijkt mij zeer nuttig om een wat grondiger advies te hebben op dit punt.

Mevrouw Wiegman vroeg naar de visumliberalisatie in de Balkan en het verschil binnen Bosnië. Dat punt wordt terecht aangeroerd. De EU heeft heel veel druk uitgeoefend op Servië om niet vrijelijk dubbele nationaliteiten toe te kennen. Dat heeft effect gehad. Wat betreft de Bosnische Kroaten is dat minder gelukt. Als er een visumliberalisatie is voor Kroatië, geldt die ook voor mensen met een Kroatisch paspoort die in Bosnië-Herzegovina wonen. Voor een deel van de inwoners van Bosnië, namelijk de mensen die geen twee paspoorten hebben, is de drempel inderdaad hoger. Het perspectief op het verlagen van die drempel als men aan de criteria voldoet, een perspectief dat realistisch genoeg is, moet de spanning op dat punt doen afnemen. Voor heel veel van die mensen is het onbegrijpelijk dat wat voor hun ouders heel normaal was, namelijk visumvrij reizen in heel Europa, nu voor hun kinderen onmogelijk is, terwijl zij zich toch hebben ontdaan van de dictatuur. Dat psychologische probleem moeten wij erkennen. Wij blijven echter keihard vasthouden aan de geldende criteria. Niemand heeft er immers belang bij dat wij zonder een voldoende bescherming van de buitengrenzen en voldoende garanties voor de veiligheid visumvrij reizen toelaten. Ik heb dat deze week in Moskou nog eens hard mogen onderstrepen. Daar bestaat ook heel veel boosheid over dit beleid. Wij moeten eraan vasthouden, niet alleen omdat onze burgers dat van ons vragen, maar ook omdat onze veiligheid daarmee gediend is. De Commissie zal in het voorjaar van 2010 een rapport uitbrengen over de vorderingen. Aan de hand daarvan kunnen wij bezien wat het verdere pad zou kunnen zijn.

Mevrouw Wiegman sprak ook over de Roma. Het beschermen van rechten van minderheden hoort bij de Kopenhagencriteria. Ik kan mij nog heel goed herinneren wanneer en onder wiens druk die in de Kopenhagencriteria zijn opgenomen: onze eigen Max van der Stoel heeft dat indertijd bedongen. Daar zullen wij de landen op vastpinnen. Dat heeft in het verleden tot heel grote successen geleid. Niemand spreekt meer over problemen tussen Roemenië en Hongarije ten aanzien van de Hongaarse minderheid in Roemenië. Dat heeft hier alles mee te maken. Dat moet ook ten aanzien van de Roma gebeuren. Wij weten echter allemaal dat dit niet alleen een minderhedenprobleem is zoals er andere minderhedenproblemen zijn, maar dat hier ook een groot sociaaleconomisch probleem speelt. Er is sprake van sociale uitsluiting van en helaas ook vaak van sociale zelfuitsluiting door Roma. Het is niet alleen een probleem van de nieuwe lidstaten. Het speelt ook in een aantal oude lidstaten, zoals Italië en Duitsland en andere landen. Ook in Nederland is er niet zo lang geleden een rapport over de problemen rond Roma verschenen. Het is dus een gemeenschappelijk Europees probleem. Wij zullen steun verlenen aan projecten in het kader van onder andere Matra voor verbetering van de sociaaleconomische en politieke situatie in de nieuwe lidstaten en potentiële kandidaat-lidstaten. Het zal echter een pan-Europees vraagstuk blijven dat een pan-Europese benadering behoeft. Het is bekend dat Nederland vooraan staat om dit te stimuleren in de EU, in de Raad van Europa en ook in de OVSE.

De heer Waalkens heeft gevraagd hoe het staat met de monitoring van de rechtsstaat in de EU, inclusief de situatie in de media. De verschillende instrumenten zijn bekend, namelijk de Mensenrechtencommissie van de VN, de Raad van Europa en de OVSE. De OVSE heeft een mediacommissaris die hier speciaal op toeziet en de Raad van Europa heeft tal van instrumenten. In de EU heeft bovendien krachtens het Verdrag van Lissabon iedere individuele burger het recht om naar de rechter te stappen als hij of zij vindt dat in zijn of haar geval het land niet voldoet aan de criteria. Als er systematische en ernstige schendingen zijn op langere termijn, kan de EU krachtens artikel 7 maatregelen nemen tegen de lidstaat. Nederland zal daarop toezien en zal accepteren dat men er ook bij ons op toeziet als er op dat punt problemen zouden ontstaan.

Mij rest nog één punt, als ik mij niet vergis, namelijk de vraag hoe wij ervoor kunnen zorgen dat de heilzame werking van mogelijke toetreding tot de EU gelijke tred houdt met het draagvlak voor de Europese samenwerking. Wellicht kan het AIV-advies ons helpen om daar enige richting in te geven. Ik denk echter ook dat het van groot belang is – dat heeft niets met de andere landen te maken – dat wij in ons eigen land meer aandacht besteden aan het feit dat niet alleen die landen zijn veranderd, maar dat ook wij zijn veranderd. Er heeft een verschuiving plaatsgevonden van een tegenstelling tussen ideologieën zoals wij die kenden tot twintig jaar geleden naar tegenstellingen die vaak te maken hebben met een verschil in identiteit. Die raken niet alleen samenlevingen met nationale minderheden, zoals Roemenië of Slowakije, maar ook samenlevingen met nieuwe en andere minderheden, zoals onze eigen samenleving. Ook in onze samenleving zijn soms tendensen waarneembaar waarbij per definitie de schuld wordt gelegd bij degene die anders is, die een andere religie heeft, een andere huidskleur heeft of een andere afkomst heeft. Dat is een Europees probleem dat alleen in Europees verband kan worden opgelost. Wij kunnen niet meer zeggen dat het alleen een probleem is van de andere Europeanen, want het is een gezamenlijk probleem.

De voorzitter: Gezien de tijd, denk ik dat wij geen ruimte meer hebben voor een tweede termijn, maar dat is volgens mij ook niet nodig. Wij hebben een goede discussie gevoerd naar aanleiding van de inbreng van de Kamer en de reactie van de regering daarop. Ik dank de minister, de staatssecretaris en de hen vergezellende ambtenaren. Ik dank ook het publiek.

Toezegging

– De regering zal samen met de Kamer komen tot het formuleren van een verzoek aan de AIV om een advies over de absorptiecapaciteit in relatie tot de uitbreiding van de EU.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Ormel (CDA), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), Jasper van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie) en Peters (GroenLinks).

Plv. leden: Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Van Heugten (CDA), Lempens (SP), Schermers (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Nicolaï (VVD), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Besselink (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (ChristenUnie) en Vendrik (GroenLinks).

XNoot
2

Samenstelling:

Leden: Van Bommel (SP), Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), Çörüz (CDA), Ormel (CDA), voorzitter, Ferrier (CDA), Van Velzen (SP), Nicolaï (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Irrgang (SP), Knops (CDA), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Voordewind (ChristenUnie), Pechtold (D66), ondervoorzitter, Ten Broeke (VVD), Van Raak (SP), Gill’ard (PvdA), Thieme (PvdD) en Peters (GroenLinks).

Plv. leden: De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vermeij (PvdA), Omtzigt (CDA), Spies (CDA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jasper van Dijk (SP), Van Miltenburg (VVD), Ten Hoopen (CDA), Jonker (CDA), Boelhouwer (PvdA), Leerdam (PvdA), Arib (PvdA), Neppérus (VVD), Lempens (SP), Schermers (CDA), Wilders (PVV), Griffith (VVD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Koşer Kaya (D66), Van Beek (VVD), Gesthuizen (SP), Samsom (PvdA), Ouwehand (PvdD) en Vendrik (GroenLinks).

Naar boven