23 900 XV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 1995

nr. 37
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 januari 1995

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft op 30 november 1994 overleg gevoerd met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de ontwerp-AMvB aanpassing wettelijk minimumloon in 1995 (zie bijlage).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Rosenmöller (GroenLinks) memoreerde het FNV-rapport over armoede In Nederland waardoor de discussie over de koppeling in de loop der jaren negentig een nieuwe impuls heeft gekregen. Hij had tijdens de presentatie van dat rapport beloofd wederom voor de koppeling te zullen pleiten, nu voor 1995.

De fractie van GroenLinks bepleit die koppeling al sinds jaar en dag omdat die haars inziens de goedkoopste en eenvoudigste manier is om aan solidariteit tussen werkenden en niet-werkenden in de sfeer van de inkomenspolitiek vorm te geven. Tot haar teleurstelling heeft het kabinet wederom besloten de uitkeringen en het minimumloon te bevriezen. Daarover is al bij verschillende gelegenheden met het kabinet gesproken.

Volgens de wet, de WKA, zijn er twee afwijkingsgronden: de bovenmatige loonontwikkeling en een volume-ontwikkeling die een betekenende verhoging van de belasting- en premiedruk veroorzaakt. Welnu, voor 1995 wordt een loonkostenstijging van 1% geraamd en dalen de arbeidsinkomensquote en ook de loonkosten per eenheid produkt. Op basis van deze gegevens kan niet worden gesteld dat er in 1995 sprake is van een loonontwikkeling op grond waarvan afwijking van de koppeling legitiem is. De volume-ontwikkeling laat zich uitdrukken in de sociale-zekerheidsquote. In vergelijking met 1994 zal die in 1995 met omstreeks 1 procentpunt dalen: van 18.6 naar 17.7. Moet dan ook niet eerlijkheidshalve worden toegegeven dat genoemde gegevens in ieder geval een discussie verdienen over de vraag of ze leiden tot beide in de wet genoemde afwijkingsgronden?

In de SER hebben enkele kroonleden dit juridische aspect nadrukkelijk naar voren gebracht. Onder andere het standpunt van de heer Wolfson leidt ertoe dat volgens de letterlijke tekst van de wet niet te ontkomen valt aan koppeling, maar dat hij zijn verantwoordelijkheid als kroonlid niet als zodanig ziet dat hij enkel en alleen op juridische gronden tot een oordeel moet komen.

Door de manier waarop dit kabinet met de wet omgaat, werd er naar de mening van de heer Rosenmöller meer een spelletje gespeeld. De wet wordt naar letter noch geest toegepast. Onderschrijft dit kabinet nog de woorden van het vorige in de memorie van toelichting op de WKA, nl. dat dat kabinet herstel van de koppeling als een van zijn belangrijkste beleidsopgaven ziet? Vanaf de inwerkingtreding van die wet is er niet meer volledig gekoppeld. Van de WKA wordt steeds meer een beleidsmatig instrument gemaakt, want hoe kan anders in de regeringsverklaring nu al worden uitgesproken dat er in 1996, 1997 en 1998 voor de helft gekoppeld zal worden?

Er wordt thans gesproken over een groter gewicht toekennen aan de sociale-zekerheidsquote als reden voor (ont)koppeling. Wat is de mening van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daarover?

De heer Boogaard (AOV) sloot zich in grote lijnen aan bij het betoog van de heer Rosenmöller en voegde daar nog aan toe dat volgens het SER-advies de wachtgelders en zieken onder het overheidspersoneel de i/a-ratio in neerwaartse richting vertekenen en dat de werkloze of volledig arbeidsongeschikte deeltijders de i/a-ratio in opwaartse richting vertekenen, net als de individualisering van de AOW-uitkeringen bij alleenverdieners. Door aanpassing van de i/a-ratio op basis van deze gegevens is er alle aanleiding om de koppeling te herstellen. Ook volgens de raming van de sociale-zekerheidsquote over de jaren 1994–1998 die in de sociale-zekerheidsnota is opgenomen blijkt dat die quote geleidelijk aan maar in ieder geval gestaag omlaag gaat. Er was dan voor de AOV-fractie alle aanleiding om ook voor de komende jaren de koppeling te bepleiten.

In het regeerakkoord staat dat de AOW inkomensonafhankelijk dient te blijven. Recente maatregelen, zoals de ouderenaftrek, zijn steeds meer inkomensafhankelijk. De AOV-fractie had daar grote moeite mee en beloofde daarop nader in te gaan bij de begrotingsbehandeling.

De heer Van Zijl (PvdA) had niet zoveel behoefte aan dit overleg, omdat hij liever bij de begrotingsbehandeling in meer brede zin op de inkomenspolitiek had willen ingaan, waarbij de vraag hoe op de langere termijn om te gaan met de koppeling zeker niet vergeten zou worden.

Op dit moment gaat het alleen om de koppeling voor 1995. Niet alleen in het regeerakkoord, maar ook in de WKA, zijn argumenten te vinden op grond waarvan het gerechtvaardigd is om de koppeling in 1995 niet toe te passen. Dat laat onverlet dat ook de PvdA-fractie, net als overigens de SER, alle reden ziet om nog eens kritisch te kijken naar de criteria die de WKA stelt. Overigens stelt de wet zelf al dat die criteria eens in de zoveel jaar moeten worden bezien, maar de heer Van Zijl deed dat liever in een wat breder verband dan alleen het jaar 1995.

Volgens de nog steeds geldende interpretatie van de i/a-ratio was het volgens hem gerechtvaardigd om tot ontkoppeling te besluiten. Bovendien vond hij dat gerechtvaardigd omdat daar tegenover een pakket aan flankerend beleid staat, zoals de WKA overigens zelf ook eist, dat ongewenste inkomenspolitieke effecten van ontkoppeling afdoende nuanceert. Daarvoor wordt inderdaad meer geld ingezet dan nodig zou zijn voor een koppeling, nl. zo'n 950 mln. i.p.v. ca. 500 mln. In het bredere verband van de begrotingsbehandeling was hij zeker bereid nader in te gaan op de vraag of een koppeling en een bescheidener pakket flankerend beleid wellicht niet beter zou zijn.

Hij gaf toe dat de WKA twee afwijkingsgronden geeft, maar herinnerde eraan dat bij aanvaarding van de wet is afgesproken dat beide ontwikkelingen gezamenlijk een vertaling zouden vinden in de i/a-ratio. Hij herhaalde de bereidheid van zijn fractie om over de interpretatie en de wijze van omgaan daarmee in een breder verband te discussiëren, maar op grond van de tot nu toe gehanteerde interpretatie op basis van de huidige wet zag hij geen aanleiding om ontkoppeling voor 1995 als niet gerechtvaardigd te beschouwen.

De heer Van Hoof (VVD) stemde in met de inhoud van het ontwerp-AMvB, ook al omdat die aansluit bij hetgeen in het regeerakkoord is afgesproken. Op basis van de WKA en de daarin opgenomen criteria is het terecht dat in 1995 niet zal worden gekoppeld. Dat daarnaast allerlei maatregelen genomen zijn om ongewenste inkomenseffecten weg te nemen, spreekt voor zich. Het is te hopen dat als gevolg van het voorgenomen kabinetsbeleid de i/a-ratio zodanig daalt dat er helemaal niet meer behoeft te worden gediscussieerd over het al of niet koppelen.

De heer Wolters (CDA) onderschreef de opmerking dat de twee afwijkingsgronden van de WKA – een compromis tussen de WAM en de beleidsmatige koppeling – in haar memorie van toelichting zijn geconcretiseerd in de i/a-ratio en dat die de laatste jaren ook als zodanig is gehanteerd. Alles afwegende kon zijn fractie daarom wel met dit ontwerp-AMvB instemmen. Echter, de wet is gericht op koppeling en dan zou toch koppeling regel moeten zijn en ontkoppeling uitzondering. De wet kent een vierjaarsperiode waarna moet worden bekeken of zij wel werkt zoals de bedoeling is geweest. Kan die evaluatie in 1995 worden verwacht? Is deze minister overigens bereid de toezegging van zijn voorganger aan de Kamer gestand te doen om eens na te gaan of het mogelijk is te koppelen niet aan een gemiddelde, maar bijvoorbeeld aan het laagste kwartiel?

Voor de heer Bakker (D66) waren de voorgestelde compenserende maatregelen een belangrijke factor voor de beoordeling of in 1995 een redelijk, rechtvaardig en evenwichtig inkomensbeleid wordt gevoerd. Het valt niet te ontkennen dat het resultaat van koppeling zonder flankerende maatregelen voor mensen met een minimuminkomen per saldo minder zou zijn dat het resultaat van de thans voorgestelde ontkoppeling en het pakket van compenserende maatregelen. Dat gegeven was voor hem uiteindelijk belangrijker dan de min of meer legalistische benadering van de vraag of op basis van de wet nu wel of niet zou mogen worden ontkoppeld.

Inderdaad is de i/a-ratio jaren lang het operationeel criterium geweest op basis waarvan is getoetst. Dat de arbeidsinkomensquote na jaren te zijn gestegen in 1995 ietwat daalt, ten dele ook omdat de rendementen van de bedrijven zijn verbeterd, doet niets af aan het feit dat het beeld van de werkloosheid nog altijd dramatisch is. Dat is voldoende rechtvaardiging om voor 1995 te besluiten tot wat de SER wel eens heeft genoemd een effectieve combinatie van het instrument koppelen en andere instrumenten. In 1995 wordt het instrument koppelen niet toegepast, maar andere instrumenten compenseren dat meer dan volledig. De heer Bakker had daar te meer vrede mee omdat koppeling ook zou leiden tot hogere uitgaven in de sociale zekerheid, dus tot hogere arbeidskosten, hetgeen per saldo slecht voor de werkgelegenheid zou zijn, terwijl lastenverlichting positieve werkgelegenheidseffecten heeft. Als, zoals is verondersteld, datgene wat het regeerakkoord en datgene wat de wet vereisen met elkaar op gespannen voet komen te staan, zal er een open discussie moeten komen over een rechtvaardige inkomensverdeling voor de komende jaren. Daarbij is koppeling één van de instrumenten. Die discussie zal, naar de recente berichten verluiden, bij de begrotingsbehandeling vermoedelijk wel beginnen en de D66-fractie zal die ook graag aangaan.

De heer Van der Vlies (SGP) herinnerde eraan dat er eerst sprake was van een automatische koppeling maar dat in alle jaren dat dit regime gold het slechts enkele malen is toegepast en dat er daarna per jaar is beslist om niet te koppelen. Uit die frustratie is de wens tot een beleidsmatige benadering voortgekomen. Die overstap heeft de SGP-fractie indertijd gesteund, omdat daar goede redenen voor waren. Sindsdien echter bleek er altijd wel een beleidsmatig verhaal te houden met de conclusie dat koppeling toch niet verstandig zou zijn. Daarna is een en ander geobjectiveerd in de i/a-ratio. De toelichting op het ontwerp-AMvB lezend, moest ook hij tot de conclusie komen dat het voor 1995 maar moet zoals is voorgesteld in de hoop dat de i/a-ratio in de nabije toekomst wat zal verbeteren. Gelet op de in- en uitstroomcijfers van bijvoorbeeld de WAO is het perspectief daarop wellicht wat groter.

De negatieve koopkrachteffecten zijn door aanvullende maatregelen gerepareerd, zoals met betrekking tot de eerste schijf, de franchise in de Ziekenfondswet, de ouderenaftrek. De maatregel inzake de eerste schijf werd door de SGP-fractie onderschreven omdat die ook goed is voor de werkgelegenheid. Over de franchise echter was zij zeker niet te spreken.

Antwoord van de regering

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid memoreerde het door dit kabinet gehanteerde uitgangspunt: minder wig is meer werk. In de gegeven omstandigheden, dus ook die van de i/a-ratio, is de koppeling een moeilijk te hanteren instrument, omdat naar de mate waarin wordt gekoppeld ook wordt afgedaan aan verkleining van de wig. Met het thans voorgestelde pakket wordt de wig immers aanzienlijk verkleind. Het gaat om in totaal 4,5 mld., zowel in de belasting-, als in de premiesfeer, dus beduidend meer dan in de voorgaande jaren mogelijk is geweest.

De WKA kent inderdaad twee zgn. mutatiecriteria: een bovenmatige loon- en de volume-ontwikkeling. De arbeidsinkomensquote daalt, maar is nog lang niet op het ideale niveau gekomen. Hopelijk zal de volume-ontwikkeling in 1995 een trendbreuk(je) laten zien, maar het gaat toch om het absolute niveau van het aantal inactieven/uitkeringsgerechtigden en het aantal werkenden dat de hiermee gepaard gaande premielast moet dragen. Bij het tot stand komen van de WKA zou die koppelingsdiscussie niet hebben plaatsgevonden als er geen sprake was geweest van dat toch zeer alarmerende gegeven van het tè sterk stijgend aantal inactieven, afgezet tegen het aantal actieven. Er is toen een niveau gekozen om het succes van het gevoerde beleid te kunnen duiden. Dat niveau bleef voor de bewindsman bepalend voor het al dan niet koppelen, mits de brutolasten van arbeid worden teruggedrongen om daarmee werkgelegenheid te bevorderen en daarmee het draagvlak te vergroten voor het in stand houden van de sociale zekerheid. Bezien in de samenhang van de tekst van de wet en de behandeling ervan, kon er zijns inziens geen enkel misverstand over bestaan dat de i/a-ratio een doorslaggevende factor is en de vermelde criteria een signaalfunctie hebben, maar afgezien daarvan vond hij het belangrijker om de vraag of er al dan niet gekoppeld moet worden te bezien in het bredere kader van het macro-economisch beleid gericht op het bevorderen van werkgelegenheid. Het is een goede zaak dat die ratio enigszins is gedaald, maar naarmate deze dichter in de buurt komt van de gestelde 82,6 kan in ieder geval de conclusie worden getrokken dat de taakstelling van het vorige kabinet dichter in de buurt van realisatie komt.

In het regeerakkoord is vooralsnog van de technische aanname uitgegaan dat met inzet van de helft van de nu beschikbare middelen in 1995 t/m 1996 zou kunnen worden gekoppeld, maar die aanname is ondergeschikt aan de beleidsmatige overwegingen die dan zullen bestaan als het gaat om de volume-ontwikkeling in de sociale zekerheid en het flankerend inkomensbeleid. Het kabinet vindt het veel belangrijker om het hoofddoel van de werkgelegenheid te dienen en acht het instrument van de koppeling daaraan ondergeschikt. Wel moet naar de mate waarin het vanwege dat hoofddoel niet mogelijk is te koppelen, in het flankerend inkomensbeleid ervoor worden gezorgd dat recht wordt gedaan aan een ander beleidsmatige hoofddoel van het kabinet, nl. een rechtvaardig en evenwichtig inkomensbeleid. Afhankelijk van het succes van het beleid, te beoordelen op basis van de i/a-ratio, is het te zijner tijd wellicht mogelijk om het instrument van de koppeling geheel of gedeeltelijk in te zetten. Die samenhang is ook in het regeerakkoord verwoord. Vandaar die technische aanname om de dan benodigde middelen ook te reserveren.

De minister was het er niet mee eens dat alleen wordt gekeken naar het al of niet koppelen en niet naar de uitkomsten van het flankerend beleid, vooral voor de laagste inkomensgroepen. Hij bestreed dat zij er beter af zouden zijn als van dat flankerend beleid was afgezien en zonder meer voor koppeling was gekozen. Uit de vergelijkingen van de SER blijkt zonneklaar dat zij er beter van af komen, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de zeer specifieke maatregelen voor degenen met de allerlaagste inkomens in de sfeer van de normhuurcompensatie, de eigen bijdrage voor hulpmiddelen in de AWBZ, de kindertabel in de IHS en de ouderenaftrek.

Uiteraard was de bewindsman bereid verder te praten over de vraag onder welke omstandigheden de koppeling kan/moet worden toegepast, want uiteraard gaat ook het kabinet uit van de WKA. Hij achtte het ook van belang verder te praten over de sociale-zekerheidsquote die thans gelukkig een daling laat zien. Maar nog steeds zijn zorgen op hun plaats over de omvang van het aandeel van de sociale zekerheid in het BNP. Voor hem was het echter de vraag of die daling als een tweede expliciet criterium zou moeten gelden voor de beoordeling van het al dan niet koppelen, daarbij erkennend dat de i/a-ratio ook niet alles verklaart. Die bevat immers ook elementen die te maken hebben met partiële uitkeringen en die op zichzelf een niet geheel representatief beeld kunnen geven van de feitelijke ontwikkeling in het sociale-zekerheidsvolume. Hij zag het meer als een indicatie extra om te kunnen bezien of alle ontwikkelingen ertoe leiden dat in de toekomst een wat breder inkomensbeleid kan worden gevoerd, vooral voor de laagste inkomensgroepen, mogelijkerwijze door gehele of gedeeltelijke inzetting van het koppelingsinstrument. Uiteraard zal het kabinet er het zijne aan bijdragen om al die ontwikkelingen ten goede te beïnvloeden en ook goed in beeld te houden.

Hij vond het jammer dat de heer Boogaard voorbij lijkt te gaan aan de keuze die het kabinet in het flankerend beleid heeft gemaakt, nl. om door middel van de ouderenaftrek juist de AOW'ers er het beste van af te laten komen. Aangezien verreweg het overgrote deel van de ouderen van die aftrek gebruik kunnen maken, achtte hij het in ieder geval niet urgent om de anderen, veelal degenen die bovenop hun AOW zo'n f 15 000 of meer pensioen ontvangen, er op een andere manier van te laten profiteren.

Dat in het CDA-verkiezingsprogramma een koppeling werd voorzien, kwam volgens de bewindsman door de veronderstelling dat de loonstijging op 0 zou kunnen worden gehouden, maar dat is geen realiteit gebleken.

Met betrekking tot een eventuele bijzondere verhoging van het minimumloon, stelde hij zich voor binnenkort aan de SER een adviesaanvrage voor te leggen en de Kamer zo spoedig mogelijk over de uitkomst daarvan te rapporteren.

Wat de evaluatie betreft die in de WKA is opgenomen, had voor zover hij wist, zijn voorganger elke toezegging gestand gedaan, dus ook die van het onderzoeken van het mogelijkerwijze al dan niet koppelen gelet op het laagste kwartiel en niet op het gemiddelde. Hij ging er dan ook van uit dat de Kamer van het resultaat van die onderzoekingen op de hoogte is gesteld. Hij erkende dat dit zeker geen irrelevante mogelijkheid is, maar had op dit moment geen aanleiding om met nadere opvattingen ter zake te komen.

Nadere gedachtenwisseling

De heer Rosenmöller had de WKA zeer nauwgezet bestudeerd en daarover enkele vragen gesteld. Hij kon dat geen legalistische benadering noemen. Het mondeling overleg is aangevraagd omdat dat op dit moment nog een materiële betekenis kan hebben gelet op de termijn die in de AMvB is genoemd. Daarmee wilde hij uiteraard niet zeggen dat hij bij de begrotingsbehandeling die de volgende week zal plaatsvinden niet meer fundamenteel terug zal komen op zijn zienswijze op koppeling als instrument voor solidaire inkomenspolitiek, flankerend beleid, lastenverschuiving, herverdeling van werk, enz.

Het was hem wel duidelijk dat er geen kamermeerderheid te vinden is voor het doorzetten van de koppeling in 1995. Wel wilde hij de indruk wegnemen dat een pleidooi voor koppeling voor mensen op het laagste niveau, waarvan velen zeker niet meer voor werk in aanmerking zullen komen, een slechter resultaat oplevert. Koppeling kost voor 1995 500 mln. Inderdaad is het pakket aan lastenverlichting voor 1995 groter en daarom is een strikte vergelijking tussen koppeling sec en een pakket aan lastenverlichtende maatregelen sec niet realistisch. Dat wil niet zeggen dat een combinatie van beide tot een beter resultaat kan leiden. Bovendien achtte hij een koppeling mogelijk plus elementen van lastenverlichting die tot een solidaire inkomenspolitiek zouden kunnen leiden.

De heer Boogaard vroeg naar de hoogte van de i/a-ratio indien daarop de correcties, zoals door de SER beschreven, zouden zijn aangebracht. Is koppeling dan niet gerechtvaardigd?

De heer Bakker bleef de benadering van de heer Rosenmöller legalistisch noemen, omdat niet alleen gelet op de letter, maar ook op de geest van de WKA en de doelstellingen annex aan werk en inkomen, er in 1995 een heel deugdelijk beleid wordt voorgesteld, hoewel inderdaad niet wordt gekoppeld. De andere maatregelen leiden zelfs tot een beter koopkrachteffect dan enkel koppeling.

Bovendien achtte hij het een opportunistische benadering, want als de heer Rosenmöller in 1991, 1992 en 1993 exact volgens de letter van de wet had geredeneerd, had hij tot de conclusie moeten komen dat niet kon worden gekoppeld, maar in geen van die jaren is hij tot die conclusie gekomen!

De heer Rosenmöller had de kwalificatie «legalistisch» al van zich geworpen en nodigde de heer Bakker uit tot lezing van de Handelingen van de jaren 1989 tot 1994 en vooral van datgene wat rondom de koppeling door met name GroenLinks is gezegd. Hij was ervan overtuigd dat de heer Bakker bij de begrotingsbehandeling dan niet anders zal kunnen dan de kwalificatie «opportunistisch» terug te nemen.

Ook de minister vond het belangrijk dat dit overleg was aangevraagd, omdat het goed is om van jaar tot jaar zeer expliciet te spreken over keuzes die in het inkomensbeleid worden gemaakt.

Het ging hem niet om legalistisch of opportunistisch, maar meer om doelmatig. Het is een consequente keuze om de kosten aan de onderkant te verkleinen. Koppeling is en blijft een relatieve lastenverzwaring. Nu wordt het gezocht in een brede lastenverlichting. Natuurlijk zijn de door de heer Rosenmöller genoemde combinaties mogelijk, maar die zullen zeker minder positief uitwerken voor de werkgelegenheid en voor de koopkracht voor met name de laagste inkomensgroepen. Hij bleef erbij dat het kabinet in de samenhang van het inkomens- en werkgelegenheidsbeleid een zeer verantwoorde en evenwichtige keuze heeft gemaakt.

Volgens hem waren alle relevante elementen verwerkt in de gehanteerde i/a-ratio. Hij had daar zeker op dit moment niets aan toe te voegen.

De voorzitter van de vaste commissie,

De Jong

De griffier van de vaste commissie,

Pe

BIJLAGE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 november 1994

Hierbij treft u aan een ontwerp-algemene maatregel van bestuur waarin het wettelijk minimumloon in 1995 ongewijzigd wordt vastgesteld.1

Deze voorlegging geschiedt ter uitvoering van artikel 14, lid 9 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, zoals dit luidt na de totstandkoming van de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid. Nadat tien dagen verstreken zijn, of zoveel eerder als beide Kamers te kennen hebben gegeven geen nadere inlichtingen te wensen, zal ik de ontwerp-AMvB voor advies van de Raad van State aan de Koningin doen toekomen. Gezien de korte tijd die nog rest tot 1 januari a.s. stel ik een spoedige reactie uwerzijds op prijs.

In afschrift zend ik u hierbij tevens het SER-advies over de aanpassing van het minimuloon en de uitkeringen in 1995 en de brief aan de SER naar aanleiding van het SER-advies over de toepassing van de WKA in 1995.1

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Groenman (D66), M.M.H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), De Jong (CDA), voorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Boogaard (AOV), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66) en Klein Molekamp (VVD).

Plv. leden: Giskes (D66), Hoogervorst (VVD), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Terpstra (CDA), Van Rooy (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), Wolters (CDA), Dijksma (PvdA), Cherribi (VVD), Nijpels-Hezemans (AOV), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Apostolou (PvdA), Boers-Wijnberg (CDA), J.M. de Vries (VVD), B.M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66) en Hofstra (VVD).

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven