Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23900-XI nr. 80 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23900-XI nr. 80 |
Vastgesteld 5 september 1995
De vaste commissies voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer1 en voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij2 hebben op 29 juni 1995 overleg gevoerd met minister De Boer van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, staatssecretaris Tommel van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en minister Van Aartsen van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de gevolgen van het ontwerp-besluit «Tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer» voor tuinbouwbedrijven in VINEX-locaties. Het overleg werd gevoerd aan de hand van de brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 14 december 1994 (VROM 94–500).
De commissies brengen van het overleg bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) herinnerde eraan dat in een vorig algemeen overleg over het ontwerp-besluit «Tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer» naar voren is gekomen, dat glastuinbouwbedrijven die de komende jaren verplaatst zullen moeten worden omdat ze liggen in Vinex-lokaties, vrij ernstig in de knel kunnen komen als ze toch moeten voldoen aan dit ontwerp-besluit. Alleen al een vergunning voor de voorgeschreven milieumaatregelen kost een bedrijf tussen de f 10 000 en de f 20 000 en daar komen dan nog de hoge kosten van de milieumaatregelen zelf bij. Uit de brieven d.d. 21 september 1994 van de minister van VROM aan het Regionaal Beraad Utrecht en de gemeente Den Haag had mevrouw Augusteijn opgemaakt dat het de bedoeling is om per afzonderlijk bedrijf na te gaan welke milieu-investeringen nog redelijkerwijs van de tuinders mogen worden verlangd, maar die werkwijze leek haar toch niet zo handig en zij betwijfelde ook of zo'n inventarisatie per bedrijf in de praktijk mogelijk is. Het leek haar doelmatiger om een overgangsbepaling in het ontwerp-besluit op te nemen, luidende dat tuinbouwbedrijven in Vinex-locaties die binnen bijvoorbeeld vijf of tien jaar verplaatst zullen worden, vrijgesteld worden van de voorgeschreven milieumaatregelen. Op zichzelf was zij een warm voorstander van deze maatregelen, maar als deze ook worden gevergd van bedrijven die toch binnenkort worden verplaatst, wordt in feite het paard achter de wagen gespannen. Dit geldt in het bijzonder voor bedrijven rond Vleuten-De Meern, waarvoor trouwens al een verplaatsingsplan is opgesteld.
De heer Esselink (CDA) had in het al genoemde vorige algemeen overleg de suggestie gedaan om in de Wet milieubeheer vast te leggen dat voor bepaalde gebieden met een in een actueel bestemmingsplan vastliggende agrarische bestemming bepaalde vormen van hinder (zoals stank) niet in de beschouwingen worden betrokken. Dat heeft een aantal belangrijke voordelen. Zo hoeft er dan niet meer gehannest te worden met stankcirkels en kan dit ook een oplossing betekenen voor het probleem van leegstaande agrarische bebouwing in het buitengebied. Men is vaak huiverig om aan die leegstaande bebouwing een nieuwe bestemming te geven, omdat er dan tevens een hindergevoelig object ontstaat, waarmee direct een rem wordt gezet op agrarische bedrijven in de nabijheid. Op deze suggestie wordt in de brief van 14 december jl. wel enigszins gereageerd, maar hij zou het op prijs stellen als hij daar vandaag een meer uitgebreide reactie op zou krijgen.
Daarnaast had hij in een vorig algemeen overleg de aandacht gevraagd voor het verschijnsel dat agrarische bedrijven die meldingsplichtig zijn en die een bepaalde maatregel willen nemen die uit milieu-oogpunt toe te juichen valt (bijvoorbeeld het aanbrengen van een WKK-installatie of het bouwen van een windmolen), uitsluitend door die ene maatregel vergunningplichtig worden, en wel voor de totale onderneming. Zij moeten dan een vergunning voor de totale onderneming aanvragen en de leges daarvoor bedragen al snel een flink bedrag, tot zo'n f 20 000, terwijl het aanbrengen van een kleine WKK-installatie niet veel méér kost. In de praktijk betekent dit uiteraard een rem op het nemen van maatregelen die uit milieu-oogpunt gunstig zijn. De heer Esselink drong er dan ook op aan dat in de wetgeving aan de gemeente de vrijheid wordt gelaten om in dit soort gevallen de vergunningplicht te beperken tot het object dat wordt toegevoegd, dus alleen de WKK-installatie of de windmolen. Dat bespaart administratieve rompslomp en geeft veel lagere legeskosten voor de betrokken agrariër.
Wat de kwestie van de tuinbouwbedrijven in Vinex-locaties betreft, suggereerde hij om de voorgenomen algemene maatregel van bestuur nu ongewijzigd in te voeren, met daarbij de aantekening dat de betrokken overheden (waterschap, gemeente en rijksoverheid) voor deze bedrijven zullen nagaan of het gedoogbeleid van toepassing kan worden verklaard. Dan kan van geval tot geval beoordeeld worden of een bepaald glastuinbouwbedrijf al dan niet een gedoogbeschikking dient te krijgen. Onnodige investeringen voor slechts enkele jaren moeten natuurlijk worden voorkomen, maar in een aantal gevallen zal het zeker redelijk zijn om te vergen dat toch bepaalde milieuvoorzieningen worden getroffen, vooral eenvoudige voorzieningen die niet veel hoeven te kosten.
De heer Klein Molekamp (VVD) wees erop dat het bij bedrijven die nog milieu-investeringen moeten doen terwijl al bekend is dat ze binnen een beperkt aantal jaren verplaatst zullen worden, twijfelachtig is of ze voor die investeringen nog financiële middelen van banken kunnen verkrijgen. Omdat het op dit moment in de tuinbouw niet zo florissant loopt, is het toch al vrij moeilijk om de financiering van investeringen rond te krijgen. Verder is er de vraag of, als toch milieu-investeringen moeten worden gedaan, enige jaren later bij de uitkoop wel volledig rekening wordt gehouden met deze investeringen. Als dat inderdaad het geval is, rijst de vraag of dit wel een optimale besteding van gemeenschapsmiddelen is en is er bovendien nog de vraag wie de kosten hiervan dient te dragen: de stadsgewesten zelf, of de rijksoverheid. Hij herinnerde er hierbij aan dat in een overleg tussen de vier stadsgewesten en de staatssecretaris van VROM, op 27 oktober 1994, door de staatssecretaris is gezegd dat kostenverhogende effecten van milieumaatregelen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen en de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk moeten worden gehouden.
Verder vroeg hij of de inventarisaties waar in de brieven van de minister aan het Regionaal Beraad Utrecht en de gemeente Den Haag over wordt gesproken, al beschikbaar zijn. Is ook al bekend om welke bedragen het bij de milieu-investeringen gaat?
De heer Duivesteijn (PvdA) herinnerde aan de z.i. zeer behartenswaardige opmerkingen in een recent interview met de minister van VROM over het aanwijzen van bouwlocaties die op den duur, na het jaar 2005, nodig zullen zijn en de gevolgen die dit zou kunnen hebben voor bijvoorbeeld glastuinbouwbedrijven in het Westland. Vanuit de Kamer en door o.a. de minister van LNV is daar vrij heftig op gereageerd, maar helaas kwamen er eigenlijk geen inhoudelijke reacties, terwijl het hier toch gaat om fundamentele problemen. Duidelijk is immers dat bijvoorbeeld glastuinbouwbedrijven in het Westland zich op den duur niet voldoende kunnen blijven ontwikkelen en dan ligt het toch voor de hand om samen met de betrokken organisaties na te gaan hoe op langere termijn omgegaan dient te worden met mogelijke verplaatsingen naar elders? Hij zou graag zien dat de bewindspersonen zich bereid verklaren hierover meer fundamenteel met de Kamer te discussiëren.
Vrijwel iedereen is ervan overtuigd dat in Harmelen nu in feite voor een slechte noodoplossing gekozen. Het zou dan ook van bestuurlijke kracht getuigen als in overleg met belanghebbenden wordt bezien of niet alsnog een andere oplossing mogelijk is.
De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer wees er eerst op dat het bij glastuinbouwbedrijven gaat om een aantal regelingen: het Lozingenbesluit op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de meerjarenafspraken energie, het bestrijdingsmiddelenbeleid en de ontwerp-algemene maatregel van bestuur «tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer». Aan al deze regelingen hecht, zo had zij altijd begrepen, de Kamer zeer en al in de vorige kabinetsperiode is dan ook vanuit de Kamer erop aangedrongen om haast te maken met de invoering van een en ander.
Bekend is dat een aantal tuinbouwbedrijven, namelijk die welke in Vinex-locaties liggen, in de periode 1997–2005 zal moeten worden verplaatst. Op dit moment is echter nog niet precies bekend om welke bedrijven het hierbij gaat en derhalve is ook nog niet per bedrijf bekend op welk tijdstip de verhuizing zal moeten plaatsvinden. De bewindsvrouwe voelde er daarom niet voor om nu vast te leggen dat voor alle glastuinbouwbedrijven in Vinex-locaties een gedoogbeleid van toepassing zal zijn. Zo'n generiek gedoogbeleid zou grote gevolgen hebben voor het voor ogen staande milieubeleid op dit vlak en zou ook in strijd zijn met eerdere uitspraken van de Kamer. Uiteraard kan moeilijk van een bedrijf waarvan zeker is dat het op korte termijn, bijvoorbeeld in 1997, verplaatst wordt, worden gevergd om nog hoge milieu-investeringen te doen. Zij was dan ook bereid voor zulke bedrijven een gedoogregeling te treffen, in overleg met de betrokken regio, maar een generiek gedoogbeleid wees zij af.
In reactie op de suggestie van de heer Esselink om voor bepaalde gebieden vast te leggen dat bepaalde vormen van hinder niet in de beschouwingen zullen worden betrokken, merkte zij op dat op dit moment in het kader van het project stad en milieu wordt nagegaan of in afgebakende gebieden ter wille van een bepaald aspect dat zeer belangrijk wordt geacht, wat water in de wijn kan worden gedaan ten aanzien van andere aspecten.
In dit verband speelt ook het probleem van leegstaande agrarische gebouwen dat zich overigens vooral voordoet in gebieden die voor het wonen niet zo in trek zijn. Dit probleem komt dus nauwelijks voor in de Randstad of in de nabijheid van de grote steden in het noorden, maar wel in bijvoorbeeld het veenkoloniaal gebied. De regio houdt zich op dit moment bezig met het zoeken naar oplossingen voor dit probleem.
Milieu-investeringen worden in eerste instantie betaald door de ondernemers zelf. Als vervolgens het bedrijf dient te worden verplaatst en de investeringen nog niet volledig zijn afgeschreven, kan het niet-afgeschreven deel betrokken worden bij de onderhandelingen tussen het bedrijf en de regio.
Het punt van een «partiële vergunning», zoals genoemd door de heer Esselink, wilde de minister graag nader bezien. Zij zegde toe op dit punt een reactie te geven wanneer, nadat het advies van de Raad van State is ontvangen, de algemene maatregel van bestuur bij de Kamer wordt voorgehangen.
De minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij merkte op dat bij de voorbereiding van het Vinex-uitvoeringsconvenant in het stadsgewest Utrecht veel aandacht is gegeven aan de positie van de glastuinbouw. Dat heeft geresulteerd in de opstelling van een afsprakenkader, waarin het voornemen is vastgelegd om te komen tot een juridisch bindend verplaatsingsplan. Zeer recent, namelijk op 22 juni jl., heeft de stuurgroep Vinex-regeling Utrecht het inmiddels opgestelde verplaatsingsplan besproken en akkoord bevonden. Partijen zullen dit plan nu aan hun achterban voorleggen, o.a. de raden van betrokken gemeenten, en het is de bedoeling om het plan in september/oktober te ondertekenen. In de brief van 21 september 1994 van de minister van VROM hebben partijen geen aanleiding gevonden om terug te komen op het punt van de verplichte milieu-investeringen.
Verder is inmiddels ook overeenstemming bereikt over het Vinex-uitvoeringsconvenant en daarmee is de discussie met het stadsgewest Utrecht gesloten, voor wat betreft de verwervingskosten van glastuin- bouwbedrijven. Onlangs zijn de gemeenten Vleuten-De Meern en Utrecht, de provincie Utrecht en de regionale inspectie milieuhygiëne overeengekomen dat de bepalingen uit het besluit «tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer» onverkort zullen worden uitgevoerd, maar dat bij de verwerving van de bedrijven de economische waarde van de milieu-investeringen wordt meegenomen. Daarnaast is in het verplaatsingsplan nog bepaald dat, als een tuinder in de komende periode meer dan f 125 000 zou moeten gaan investeren, dit dan gemeld dient te worden aan de uitvoeringsorganisatie, waarna met de betrokken tuinder wordt nagegaan wat er in dat concrete geval te doen valt.
De situatie in het gebied Haaglanden is anders. Partijen in dit gebied hebben er namelijk indertijd zelf voor gekozen om geen collectief verplaatsingsplan op te stellen. Wel is aan partijen gevraagd om in ieder geval een inventarisatie te maken.
Overigens vindt de verplaatsing van glastuinbouwbedrijven in Vinex- locaties plaats op basis van onteigening. Er vindt derhalve in ieder geval schadevergoeding plaats voor inkomens- en kapitaalverlies, zodat gedane milieu-investeringen voor de tuinder niet tot extra financiële schade hoeven te leiden.
In antwoord op de vraag wat de kosten van de milieu-investeringen zoal zijn, kon de minister alleen verwijzen naar een LEI-onderzoek uit 1993, waar is geconcludeerd dat het gemiddeld gaat om een bedrag van f 371 000. Het grootste deel van dit bedrag heeft overigens te maken met de eisen van het Lozingenbesluit op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
De heer Duivesteijn verzocht hij ten slotte, de door hem gehouden rede in 's-Gravenzande nog eens goed door te lezen. Dan zal blijken dat het hier gaat om een algemeen betoog dat geheel aansluit bij de nota dynamiek en vernieuwing. Het was hem trouwens bekend dat de glastuinders in het Westland wel degelijk bereid zijn om na te denken over de toekomst.
De staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zei eerst dat vandaag het Vinex-uitvoeringscontract met Haaglanden zal worden getekend en morgen het uitvoeringscontract met de regio Amsterdam. Verder wees hij erop dat het in de komende periode alleen zal gaan om verplaatsingen van tuinbouwbedrijven uit de regio Utrecht en uit Wateringen; elders speelt dit voorlopig helemaal niet. Zo is in het Vinex-contract met Haaglanden voorzien in ruimte voor 8 000 à 10 000 extra woningen op terreinen die nu al zijn of binnenkort worden aangekocht. Verder wordt op dit moment de ruimte voor woningbouw in het noorden van Rotterdam beperkt door twee geluidszones, één van het huidige vliegveld Zestienhoven en één van het gereserveerde gebied voor het integraal plan noordrand Rotterdam. Als één van die twee zones, dan wel beide, komt te vervallen, geeft dat opnieuw veel extra ruimte voor woningbouw. De problematiek die de heer Duivesteijn heeft aangeduid, is dan ook echt alleen een problematiek op zeer lange termijn.
De bewindsman herhaalde dat in de regio Utrecht is afgesproken dat de tuinders voorlopig alle investeringen voor de vereiste milieumaatregelen zullen doen. Er geldt daarbij wel een beperkte uitzondering voor bedrijven die zeer binnenkort zullen vertrekken, want anders zouden maatschappelijke kosten worden gemaakt voor zaken die geen rendement meer kunnen hebben. Voor 1996 hoeven krachtens bestaande regelingen geen grote milieu-investeringen te worden gedaan en medio 1996 zal er in het gebied Vleuten-De Meern helderheid zijn over fasering en aankoop van tuinbouwbedrijven. Aan de hand van die gegevens zal dan opnieuw worden bezien, of voor een beperkt aantal bedrijven alsnog maatwerk kan worden geleverd. Bedrijven die al snel vertrekken, zullen geen investeringen meer hoeven te doen en verder kan dan bij de vergunningverlening en de handhaving van de beide algemene maatregelen van bestuur rekening worden gehouden met het verplaatsingsschema voor de overige bedrijven. Er wordt dus naar gestreefd om onnodige uitgaven te voorkomen, ook al om te vermijden dat de overheid (in dit geval de regio) later onnodige kosten moet gaan vergoeden. De bewindsman had respect voor de werkwijze die in de regio Utrecht is gevolgd: enerzijds trachten onnodige investeringen te voorkomen, anderzijds ook vermijden dat het milieu daar het slachtoffer van zou worden. Bovendien wordt met die werkwijze aan de tuinders op zo kort mogelijke termijn zekerheid geboden over het moment van verplaatsing.
Ingaande op de opmerking over de voor Harmelen gekozen oplossing wees hij erop dat er bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over de verplaatsing van tuinbouwbedrijven naar Harmelen. Uit bestuurlijk oogpunt zou hij het een zeer slechte zaak vinden als in dit stadium zou worden geprobeerd daar nog op terug te komen. Daarmee zou immers opnieuw onzekerheid worden geschapen en zou de bouw van de Leidsche Rijn waar 30 000 woningen moeten komen, weer op het spel worden gezet. Hij wilde zich dan ook houden aan de gemaakte afspraken en was niet bereid die weer ter discussie te stellen.
Voor Wateringen zijn de gesprekken tussen partijen en de plannen voor verplaatsing nu in een vergevorderd stadium. Het tempo van realisering lijkt ook hoger te liggen dan aanvankelijk was gedacht en dit gebied kan dus waarschijnlijk zeer snel aan snee komen. Ook voor dit gebied wordt de beleidslijn gehanteerd die in Utrecht is gekozen: het minimaal houden van de maatschappelijke kosten en het zo snel mogelijk bieden van zekerheid over de precieze datum van verplaatsing.
Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) was verheugd met de beantwoording, waaruit blijkt dat een evenwicht is gevonden tussen de belangen van het milieu en de noodzaak om investeringen ook economisch verantwoord te laten zijn. Zij kon zich daar zeer wel in vinden. Zij ging er verder van uit dat de Kamer wordt geïnformeerd als de uitvoering van de nu afgesproken maatregelen toch nog op problemen zou stuiten.
Ook de heer Esselink (CDA) was verheugd met de evenwichtige benadering die in de beantwoording naar voren is gekomen.
De heer Klein Molekamp (VVD) onderschreef op zichzelf de stelling van de minister van VROM dat milieu-investeringen een verantwoordelijkheid van de ondernemers zelf zijn, maar punt is nu juist dat een aantal bedrijven nog maar kort op de huidige plek zal kunnen blijven. Dat motiveert niet bepaald om tot kostbare milieu-investeringen over te gaan, terwijl dit ook allerlei financiële problemen kan geven. Hij was dan ook blij met de mededeling van de minister van LNV dat in de regio Utrecht al een verplaatsingsplan is opgesteld, waardoor elke individuele ondernemer weet of milieu-investeringen nog zinvol zijn en dit ook aan zijn bank duidelijk kan maken.
Helaas had hij ook uit de beantwoording moeten opmaken dat in het gebied Haaglanden nog steeds geen inventarisatie is gemaakt, hoewel die al enige tijd geleden is toegezegd. Er is dan ook het risico dat de tuinbouwbedrijven in dit gebied het kind van de rekening worden. Hij vroeg de staatssecretaris van VROM om vandaag bij de ondertekening van het Vinex-uitvoeringscontract erop aan te dringen dat Haaglanden nu snel zekerheid aan de betrokken tuinders geeft, en vervolgens ook zijnerzijds aan te geven welke bedrijven nog wel de milieu-investeringen moeten doen en welke dat kunnen nalaten. Op die manier wordt invulling gegeven aan het streven om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
De heer Duivesteijn (PvdA) kon zich de opmerkingen over Harmelen wel voorstellen, maar anderzijds zou er z.i. ook ruimte moeten zijn om op gemaakte afspraken terug te komen, als er inmiddels betere, meer fundamentele oplossingen voorhanden lijken te zijn die ook in financieel opzicht aantrekkelijker zijn. Overigens dient dit dan uiteraard te gaan in goed overleg met betrokkenen, waaronder zeker ook de organisaties van de betrokken tuinders.
Daarnaast wees hij erop dat uit de discussie over het nationaal ruimtelijk beleid duidelijk is geworden dat binnen de komende vijf jaar antwoorden moeten worden gevonden op omvangrijke problemen die zich na 2005 zullen voordoen. Het gaat dan niet meer om 10 000 of 20 000 woningen, maar om een woningbouwopgave van 450 000 à 500 000 woningen, en dan zal de glastuinbouw opnieuw volop in de belangstelling komen te staan. Hij betreurde het dat het vandaag kennelijk niet mogelijk is om hier alvast een eerste discussie over te voeren.
De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verwees naar haar brieven van 21 september 1994 aan het Regionaal Beraad Utrecht en de gemeente Den Haag, waarin aan het slot wordt gesproken over een inventarisatie waarin per bedrijf wordt aangegeven de geplande datum van verplaatsing/verwerving en de bandbreedte in deze datum, de verplichte investeringen die niet rendabel zijn en mogelijke alternatieve milieuvoorzieningen die in de overgangsperiode wel getroffen zouden kunnen worden. Vervolgens staat er: «Op basis daarvan zou kunnen worden besloten welke investeringen redelijkerwijs van de tuinders mogen worden verlangd en welke maatregelen vanuit het gereserveerde grondkostenbod door de budgethouder zullen worden vergoed bij verwerving van de grond in verband met de korte duur van de overgangsperiode». Hieruit blijkt dat een en ander per individueel bedrijf geregeld dient te worden en dat dus geen generiek gedoogbeleid zal worden gevoerd. Daartoe is wel de genoemde inventarisatie nodig. Voor de regio Utrecht is deze er nu en zij nam aan dat binnenkort ook een dergelijke inventarisatie voor de regio Haaglanden op tafel zal liggen.
De staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voorzag geen problemen in de verdere uitvoering, maar mochten zich die toch voordoen, dan zal de Kamer op de hoogte worden gesteld.
Hij zegde toe bij de ondertekening van het Vinex-uitvoeringscontract met Haaglanden nog eens aandacht te vragen voor de noodzaak om de betrokken tuinders zekerheid te geven. Zij mogen natuurlijk niet het slachtoffer worden van de wat andere werkwijze die indertijd door Haaglanden is gekozen.
Met zijn opmerkingen over de extra ruimte die er in de stadsgewesten Haaglanden en Rotterdam nog is voor woningbouw, had hij bedoeld aan te geven dat het niet nodig is om al spoedig weer te gaan discussiëren over de vraag waar extra ruimte voor woningbouw gevonden zou kunnen worden.
Samenstelling: Leden: Lansink (CDA), Van Erp (VVD), Te Veldhuis (VVD), Van den Berg (SGP), Verspaget (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Esselink (CDA), ondervoorzitter, M.M. van der Burg (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), voorzitter, Van Gijzel (PvdA), Verbugt (VVD), Aiking-van Wageningen (AOV), Poppe (SP), Gabor (CDA), Jorritsma-van Oosten (D66), Augusteijn-Esser (D66), Duivesteijn (PvdA), Giskes (D66), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Klein Molekamp (VVD), Hofstra (VVD), Assen (CDA).
Plv. leden: Biesheuvel (CDA), Blauw (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Van Middelkoop (GPV), Houda (PvdA), Bukman (CDA), Van de Camp (CDA), Oudkerk (PvdA), Fermina (D66), Valk (PvdA), Van Blerck-Woerdman (VVD), Hendriks, Bijleveld-Schouten (CDA), Van 't Riet (D66), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), De Graaf (D66), Leerkes (Unie 55+), Swildens-Rozendaal (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Witteveen-Hevinga (PvdA), Keur (VVD), H.G.J. Kamp (VVD), Boers-Wijnberg (CDA).
Samenstelling: Leden: Van der Linden (CDA), Blauw (VVD), voorzitter, Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, M.M.H. Kamp (VVD), Esselink (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Huys (PvdA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), Van Zijl (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Aiking-van Wageningen (AOV), Woltjer (PvdA), Schuurman (CD), Augusteijn-Esser (D66), Van den Bos (D66), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (RPF), Crone (PvdA), Rijpstra (VVD), M.B. Vos (GroenLinks), Van Waning (D66), Keur (VVD), O.P.G. Vos (VVD).
Plv. leden: Bukman (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van Middelkoop (GPV), Remkes (VVD), Beinema (CDA), Leers (CDA), Biesheuvel (CDA), Van Gijzel (PvdA), Liemburg (PvdA), Hoekema (D66), M.M. van der Burg (PvdA), Verspaget (PvdA), Verkerk, Zijlstra (PvdA), Poppe (SP), Jorritsma-van Oosten (D66), Gabor (CDA), Leerkes (Unie 55+), De Cloe (PvdA), H.G.J. Kamp (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Doelman-Pel (CDA), Cornielje (VVD), Verbugt (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23900-XI-80.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.