23 761
Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de opneming daarin van bepalingen voor het geregistreerd partnerschap

nr. 11
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 november 1996

De vaste commissie voor Justitie1 heeft de regering de volgende vragen voorgelegd na ontvangst van de nota naar aanleiding van het verslag.

Deze vragen zijn door de regering beantwoord bij brief van 31 oktober 1996.

Van deze gedachtenwisseling brengt de commissie als volgt verslag uit.

De voorzitter van de commissie,

V. A. M. van der Burg

De griffier voor dit verslag,

Van Luyk

I. ALGEMEEN

1

Waarom heeft de regering de tweede nota van wijziging, die deels ingrijpende wijzigingen bevat, niet voor advies naar de Raad van State gezonden?

De tweede nota van wijziging was omvangrijk. Dat werd voornamelijk veroorzaakt door wijziging van de terminologie van «registratie van een samenleving» in «geregistreerd partnerschap». De wijzigingen die een meer inhoudelijk karakter hadden betroffen het schrappen van de termijn van verblijf van een jaar in artikel 80a, tweede lid, de regeling van het aanverwantschap (artikel 3, tweede lid, Boek 1 B.W.), de aanwezigheid van getuigen (artikel 80a, achtste lid) en de regeling van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden (artikel 80d). Deze wijzigingen hebben naar mijn oordeel het karakter van het voorstel niet zodanig veranderd dat er op grond daarvan aanleiding was de nota van wijziging voor advies aan de Raad van State te zenden.

2

Wanneer vindt de zogeheten opschoning van de ±400 wetsartikelen inzake het huwelijk plaats?

Ik ga ervan uit dat met «opschoning» bedoeld wordt de aanpassing van andere wetten waarin aan het huwelijk rechtsgevolgen verbonden worden voor aanvulling daarvan met het geregistreerd partnerschap. Of het om ongeveer 400 bepalingen gaat durf ik niet met zekerheid te zeggen. Het wetsvoorstel tot aanpassing is vrijwel gereed. Het ligt in de rede dat dit in november voor advies naar de Raad van State gezonden kan worden.

3

Zal de regering ook de sociale zekerheidswetgeving aanpassen?

Ja, het voornemen bestaat ook in de sociale zekerheidsregelgeving het geregistreerd partnerschap naast het huwelijk op te nemen. Dit zal zijn vorm krijgen in de aanpassingswetgeving. Als gevolg daarvan zullen personen die hun partnerschap hebben geregistreerd ook in de sociale zekerheid gelijk behandeld worden met gehuwden.

4

Wat zullen de gevolgen zijn voor de uitvoerbaarheid van regelgeving indien de wetgeving drie leefvormen kent waaraan een derdenwerking wordt toegekend, te weten: huwelijk, registratie en alleenstaand?

Er van uitgaande dat, gelet op de derde vraag, het in deze vraag gaat om de sociale zekerheidsregelgeving, het volgende.

Erkend moet worden dat de uitvoering van sociale zekerheidswetgeving eenvoudiger zou worden, indien die wetgeving slechts drie formele leefvormen zou kennen, te weten huwelijk, registratie en alleenstaand. In het standpunt over het rapport van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten (commissie Kortmann, Tweede Kamer 1992/93, 22 700, nr. 3) is door het toenmalige kabinet echter aangegeven dat aan een dergelijke formele benadering in de sociale zekerheid meer nadelen dan voordelen verbonden zijn. Het kabinet concludeerde dat bij het hanteren van een formeel criterium in plaats van het gebruikelijke materiële criterium de afstand tussen wet en werkelijkheid te groot zou worden. Gedragsreacties zouden met name in de minimumbehoefteregelingen tot aanzienlijke financiële consequenties leiden.

Een formeel criterium voor de gezamenlijke huishouding (afgezien van de hier aan de orde zijnde partnerschapsregistratie bij de burgerlijke stand) werd derhalve afgewezen. Voor een volledig overzicht van alle argumenten die bij de totstandkoming van dit standpunt een rol hebben gespeeld, wordt naar dit kabinetsstandpunt verwezen, dat op dit punt door dit kabinet wordt onderschreven.

Het begrip gezamenlijke huishouding wordt thans inhoudelijk getoetst. Ter verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is overigens onlangs voorgesteld het begrip «gezamenlijke huishouding» in de verschillende wetten te harmoniseren (Kamerstukken II 1995/96, 22 700 nr. 21). Voor de sociale zekerheid zal dit tot gevolg hebben dat in deze regelgeving steeds van een en dezelfde inhoudelijke omschrijving van het begrip gezamenlijke huishouding zal worden uitgegaan.

5

Kunnen de Aanpassingswet en het onderhavige wetsvoorstel beide op 1 januari 1998 in werking treden?

Zou dit ook het geval kunnen zijn voor het wetsvoorstel medegezag en medevoogdij? (blz. 1)

Ik streef ernaar dat alle drie genoemde wetsvoorstellen, alsmede het naamrecht en het afstammingsrecht op 1 januari 1998 in werking kunnen treden.

6

Levert invoering van het geregistreerd partnerschap naast de burgerlijke staat «gehuwd» een nieuwe burgerlijke staat op?

Het geregistreerd partnerschap zal naast het huwelijk een nieuwe burgerlijke staat zijn.

7

Waarom wordt niet overwogen om na de aanvaarding van het wetsvoorstel te komen tot een verdrag tot onderlinge erkenning van partnerschapregistraties met landen die eveneens een vorm van partnerschapsregistratie kennen? (blz. 2)

Een verdrag tot onderlinge erkenning zou met de noordse landen kunnen worden aangegaan. Dat zijn de landen die ook een partnerschapsregistratie kennen.

Naar aanleiding van een eerdere vraag bij de notitie leefvormen in het familierecht of Nederland in contact wil treden met de Noordse landen die een verdrag hebben tot onderlinge erkenning van geregistreerde partnerschappen, opdat Nederland zich hierbij eventueel zou kunnen aansluiten, is bedoeld contact gezocht. Gebleken is dat door de Noordse landen wel over een dergelijk verdrag is nagedacht, maar dat is afgezien van de totstandkoming ervan. In dit licht is er voorshands vanaf gezien om te komen tot een verdrag tot onderlinge erkenning van partnerschapsregistraties.

8

Heeft reeds een vergadering van het adviescomité van de Europese gemeenschap plaatsgevonden waarin Nederland de instelling van een commissie die onderzoek gaat verrichten naar openstelling van het huwelijk voor paren van gelijk geslacht aan de orde heeft gesteld? Zo ja, wat is het resultaat van deze vergadering?

Er heeft een vergadering van het genoemde adviescomité plaatsgevonden. Daarin is het in de vraag bedoelde punt aan de orde gesteld. Op grond van de eerste, zeer terughoudende reactie van de voorzitter van dit comité (Europese Commissie) is het niet waarschijnlijk dat het punt snel opgepakt zal worden door de Europese Commissie.

9 en 12

Kan een paar dat in Nederland geregistreerd is in het buitenland trouwen, zonder deze in Nederland tot stand gekomen registratie te beëindigen?

Wordt dat huwelijk dan in Nederland erkend?

Wat is op basis van het IPR rechtens, indien na sluiting van een partnerschapsregistratie in Nederland in een land dat deze registratie niet erkent, door één van de partijen een huwelijk wordt aangegaan, zonder eerst de registratie te beëindigen?

Omdat beide vragen samenhang hebben, veroorloof ik mij deze gezamenlijk te beantwoorden. Gevraagd wordt immers naar de consequenties van een in Nederland tot stand gekomen partnerschapsregistratie ten aanzien van de mogelijkheid voor partners om in het buitenland te huwen.

Indien de registratie als zodanig in het betrokken vreemde land wordt erkend, mag ervan worden uitgegaan dat de partners in dat land niet als bevoegd worden beschouwd om met elkaar te huwen. Ook is aannemelijk dat in dat geval geen huwelijk tot stand kan komen tussen een van de partners met een ander. Anders ligt de situatie indien de registratie niet als zodanig in het vreemde land wordt erkend. In dat geval hangt het van de regels van internationaal privaatrecht van het betrokken land af, of een huwelijk tot stand kan komen. Komt een huwelijk tot stand, dan doet zich de vraag voor of dat huwelijk in Nederland zou moeten worden erkend. Men kan zich te dien aanzien op het standpunt stellen dat de Nederlandse regel, dat een geregistreerd partnerschap een beletsel vormt voor het aangaan van een huwelijk, een regel van openbare orde is, die in de weg staat aan de erkenning van het in het buitenland aangegane huwelijk.

10

Waarom laat de regering het eerdere uitgangspunt los, dat de registratie moet aansluiten bij de reeds geldende registratievormen in Scandinavië?

Zoals op pagina 9 van de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt, is bij de opstelling van het wetsvoorstel inzake het geregistreerd partnerschap zeker gekeken naar de Deense wet inzake het geregistreerd partnerschap. Over andere vertaalde (ontwerp-)teksten bestond toen geen beschikking.

Voor de wederzijdse erkenning van partnerschapsregistraties is het van belang dat de registraties wat betreft de rechtsgevolgen niet al te zeer uiteen lopen. Het is daarom niet de bedoeling geweest de indruk te wekken dat niet langer gekeken zou worden naar de in de noordse landen geldende registraties.

11

Is er zicht op erkenning van de Nederlandse partnerschapsregistratie in het buitenland? Zo ja, in wat voor vorm wordt deze erkend?

Er is op dit moment geen algemeen zicht op erkenning van de Nederlandse partnerschapsregistratie in het buitenland. Ook is niet bekend welke rechtsgevolgen in andere landen aan een dergelijke erkenning verbonden zullen worden.

In het kader van de werkzaamheden van de commissie die de openstelling van het huwelijk voor twee personen van hetzelfde geslacht onderzoekt zal getracht worden niet alleen zicht te krijgen op de erkenning van een dergelijk huwelijk in het buitenland, maar ook van de partnerschapsregistratie.

12

Wat is op basis van het IPR rechtens indien na sluiting van een partnerschapsregistratie in Nederland, in een land dat deze registratie niet erkent, door één van de partijen een huwelijk wordt aangegaan, zonder eerst de registratie te beëindigen?

Zie voor het antwoord op vraag 12 bij vraag 9.

13

Vindt overleg plaats met de VNG over de kosten die gepaard gaan met een aanpassing van de systeembeschrijving van de GBA?

Op dit moment vindt overleg plaats tussen de ministeries van Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie over de vraag wie de kosten van een aanpassing van de systeembeschrijving van de GBA moet betalen. De VNG is in dit stadium niet betrokken in dit overleg.

14

Kan nu reeds, vooruitlopend op de afspraken over de kostenverdeling en de aanvaarding van dit wetsvoorstel, met de aanpassing van het GBA worden begonnen opdat de aanpassing van de systeembeschrijving met zekerheid per 1 januari 1998 gereed zal zijn? (blz. 3)

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en ik zijn het er over eens dat, vooruitlopend op de afspraken over de kostenverdeling, de aanpassing van de GBA in gang wordt gezet, opdat deze per 1 januari 1998 gereed zal zijn. Om er zeker van te zijn dat de goede aanpassingen worden verricht, is er belang bij een tijdige aanvaarding van het onderhavige wetsvoorstel.

15

Is er al voortgang geboekt ten aanzien van de vraag wie de kosten van de systeemaanpassing op zich moet(en) nemen?

Zie voor het antwoord op vraag 15 bij vraag 13.

16

Waarom wil de regering in geval van geregistreerd partnerschap aanverwantschap doen ontstaan, terwijl de regering anderzijds stelt dat het geregistreerde partnerschap geen rechtsgevolgen heeft voor eventuele kinderen?

Is de regering de consequenties van deze keuze bewust op bijvoorbeeld het terrein van het fiscale recht, het burgerlijk procesrecht en het strafprocesrecht? (blz 4).

Aanverwantschap ontstaat naar huidig recht door huwelijk. Het bestaat tussen de bloedverwanten van de ene echtgenoot en de andere echtgenoot. Aanverwantschap is met andere woorden een aan het huwelijk verbonden rechtsgevolg. Er is bij het opstellen van de nota naar aanleiding van het verslag opnieuw overwogen of dit rechtsgevolg niet ook als een rechtsgevolg van het geregistreerd partnerschap zou moeten gelden, gelet op het feit dat alle rechtsgevolgen van het huwelijk, behoudens die in de betrekkingen met kinderen en die voortvloeiend uit internationale verplichtingen, ook aan het geregistreerd partnerschap worden verbonden.

Aangezien er geen goede redenen waren om dit niet te doen en er van verschillende zijde op is aangedrongen om dat wel te doen, is daartoe besloten in het volle besef dat dit consequenties heeft voor onder andere de terreinen die in de vraag zijn genoemd.

17

Welke procedure moet worden doorlopen indien een geregistreerd paar bij nader inzien, bijvoorbeeld in verband met de geboorte van een kind, alsnog een huwelijk wil aangaan? (blz. 5).

Om tussen de vader van het kind en het kind zelf dezelfde relatie te laten ontstaan als tussen de gehuwde vader en zijn kind is het niet nodig een huwelijk aan te gaan. Het kind kan erkend worden.

Indien de geregistreerde partners om wat voor reden ook een huwelijk met elkaar wensen aan te gaan, zullen zij eerst hun geregistreerd partnerschap moeten laten eindigen en vervolgens in het huwelijk moeten treden. Het geregistreerd partnerschap kunnen zij zonder tussenkomst van de rechter beëindigen.

18

Kan een geregistreerd paar dat in het huwelijk wil treden, in ondertrouw gaan, of moet men daartoe eerst de registratie verbreken, met alle bijbehorende juridische consequenties?

Indien een paar in ondertrouw gaat, betekent dit dat het paar aangifte doet van zijn voornemen een huwelijk te willen aangaan. Bij de aangifte dient een aantal stukken overgelegd te worden. In geval van een voorgenomen tweede of verder huwelijk dan wel van een voorgenomen huwelijk na registratie, dient het paar bewijsstukken over te leggen aantonende dat het vorige huwelijk dan wel het eerdere geregistreerd partnerschap geen beletsel voor een nieuw huwelijk oplevert (zie het vereiste van artikel 44, eerste lid, onderdeel d, van Boek 1 B.W., zoals dat wordt aangepast in onderdeel D van artikel II van wetsvoorstel 23 761). Dit vereiste brengt mee dat een paar dat aangifte doet van een voorgenomen huwelijk eerst het geregistreerd partnerschap zal moeten verbreken.

Ik wijs erop dat de juridische consequenties van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap beperkt kunnen zijn, gelet op artikel 80e, derde lid, van het wetsvoorstel. Daarin is bepaald dat alle consequenties van het geregistreerd partnerschap herleven alsof er geen beëindiging had plaatsgevonden als een paar na beëindiging van de registratie met elkaar in het huwelijk treedt. De geldigheid van rechtshandelingen die in de tussenliggende periode van inschrijving van de beëindiging en het huwelijk zijn verricht, wordt evenwel beoordeeld naar het tijdstip van de handeling. Derden moeten immers kunnen afgaan op hetgeen in de openbare registers omtrent de beëindiging is opgenomen.

De beëindiging van de registratie en het vervolgens aangaan van een huwelijk mag niet tot benadeling van schuldeisers van de geregistreerden leiden. Indien de partners in gemeenschap van goederen waren geregistreerd, zal daarom het aangaan van huwelijkse voorwaarden voorafgaande aan het huwelijk beheerst worden door de bepalingen die gelden voor het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaarden als bedoeld in artikel 119. Ook dit is in artikel 80e, derde lid, bepaald.

19

Is de grond voor openstelling van de partnerschapsregistratie voor partners van verschillend geslacht, namelijk een alternatieve, ceremonieel en inhoudelijk minder zware vorm, niet weggevallen, nu deze registratie gelijke gevolgen heeft als het huwelijk, met uitzondering van de betrekkingen tot kinderen en ook het ceremonieel vrijwel gelijk is aan de huwelijksvoltrekking?

Het is steeds de bedoeling geweest van dit kabinet om de partnerschapsregistratie inhoudelijk zoveel als mogelijk te stellen aan het huwelijk. De rechtsgevolgen van de partnerschapsregistratie zijn dan ook zoveel als mogelijk die welke ook aan het huwelijk verbonden zijn. Uitzondering is er alleen voor zover het betreft de betrekkingen met kinderen en voor zover het gevolgen betreft die ten aanzien van het huwelijk uit internationale overeenkomsten voortvloeien, waaraan Nederland gebonden is. Er is nimmer aangegeven dat de partnerschapsregistratie ceremonieel een minder zwaar alternatief voor het huwelijk zou behoren te zijn. Gelet op het verschil in benadering van de partnerschapsregistratie, zoals die uit de vraag en zoals die uit het antwoord blijkt, kan niet gesteld worden dat de grondslag aan de partnerschapsregistratie is komen te ontvallen.

20

Wordt de burger niet ten onrechte de indruk gegeven alsof hij kan kiezen tussen formele trouwen en het meer informele registreren van de samenleving, nu de registratie, met uitzondering van de betrekkingen naar kinderen, gelijk is aan het huwelijk?

Het zou inderdaad onjuist zijn om tegenover de burger de indruk te wekken alsof de registratie meer informeel dan het huwelijk zou zijn. In de publieksvoorlichting bij de introductie van de registratie zal dan ook benadrukt worden dat zowel wat betreft het aangaan van de registratie als wat betreft de gevolgen van de registratie de vergelijkbaarheid met het huwelijk groot is.

21

Is de werkgroep voor het kappen van «dor hout» in de huwelijkswetgeving (rechten en plichten) al ingesteld en wanneer komt zij met voorstellen? (blz. 7)

Deze werkgroep zal binnenkort voor de eerste maal bijeenkomen. Zoals in mijn brief van 11 juli 1996 aan de vaste commissie voor Justitie is medegedeeld, zal deze werkgroep volgend jaar voor de zomer rapporteren.

22

Is een toeristenvisum een rechtsgeldige verblijfstitel op grond waarvan vreemdelingen in Nederland een samenlevingsregistratie aan kunnen gaan? (blz. 15).

Neen. Een rechtsgeldige verblijfstitel in de zin van artikel 80a, tweede lid, is een verblijfstitel op grond van de artikelen 9, 9a of 10 van de Vreemdelingenwet.

23

Is de stelling dat registratietoerisme «zeer wel denkbaar» is nog steeds geldig?

Heeft de regering een oordeel over de (on)wenselijkheid van registratietoerisme?

In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is aangegeven dat registratietoerisme zeer wel denkbaar is, omdat de partnerschapsregistratie in weinig andere landen bestaat (Kamerstukken II 1993/94, 23 761, nr. 3, blz. 5). Voor burgers in landen waarin een dergelijke registratie niet bestaat, zou het aantrekkelijk kunnen zijn naar Nederland te gaan om alhier een dergelijke registratie aan te gaan, ook al zou de registratie in het land van herkomst niet erkend worden. Voor deze buitenlandse stellen zelf krijgt hun onderlinge relatie daarmee toch een bepaalde officiële bevestiging. Het desbetreffende land van herkomst wordt echter met een probleem geconfronteerd dat hun eigen onderdanen betreft. Mede om dat te voorkomen wordt de eis van een rechtsgeldige verblijfstitel gesteld.

24

Welke argumenten pleiten vóór het laten vervallen van de verblijfseis van één jaar?

Doel van de voorwaarden, die in artikel 80a, tweede lid, zijn opgenomen, is het tegengaan van schijnregistraties en van registratietoerisme. Voor het bereiken van dit doel is het voldoende de eis van een geldige verblijfstitel te stellen. Meer voorwaarden moeten dan ook niet worden gesteld, aangezien er anders onevenredigheid ontstaat tussen het te bereiken doel en de middelen die worden aangewend om dat doel te bereiken. Dit pleitte er in algemene zin voor de verblijfseis van één jaar te laten vervallen.

25

Waar leidt de regering uit af dat het laten vervallen van de eis van één jaar verblijf, schijnhuwelijken niet bevordert?

Zoals in het antwoord op vraag 24 reeds is aangegeven, is het voor het bereiken van het gestelde doel (tegengaan van schijnregistraties en registratietoerisme) voldoende om de eis van een geldige verblijfstitel te stellen. Het daarnaast stellen van de eis van één jaar verblijf was teveel van het goede.

26

Hoe kunnen diegenen die tijdens een kort verblijf in Nederland een partnersschapsregistratie zijn aangegaan, hun registratie beëindigen, nadat zij zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst.

Door het gebruik van de woorden «kort verblijf» ligt in de vraag de veronderstelling opgesloten dat een ieder die Nederland op basis van een toeristenvisum bezoekt, in Nederland een partnerschapsregistratie zal kunnen aangaan. Zoals hierboven in het antwoord op vraag 22 al is aangeduid, is dat niet het geval.

Indien het land van herkomst de partnerschapsregistratie als zodanig niet erkent, zal er geen noodzaak zijn de beëindiging van het partnerschap aldaar te formaliseren. Voor dat land bestaat de partnerschapsregistratie immers niet. Indien de betrokkenen toch zelf wensen dat hun partnerschapsregistratie beëindigd wordt, zullen zij, indien de beëindiging via de rechter plaatsvindt, daartoe naar Nederland moeten terugkeren. De beëindiging van de registratie via de rechter vindt op grond van het voorgestelde artikel 828 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) plaats overeenkomstig de bepalingen die voor de scheidingsprocedure gelden. Daarvan maakt deel uit artikel 814 Rv. dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bepaalt.

Ook zouden de partners naar een ander land kunnen gaan dat de partnerschapsregistratie wel erkent en daaraan ook rechtsgevolgen verbindt. Ook dan zullen zij gebonden zijn aan de bepalingen die in dat land gelden omtrent de rechtsmacht en bevoegdheid van de rechter in deze zaken.

27

Gelden voor het níet verplicht stellen van het ja-woord niet dezelfde argumenten als ten aanzien van het verplicht stellen van getuigen zouden moeten gelden? (blz. 16).

De partners die een geregistreerd partnerschap aangaan, zullen ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in ieder geval hun instemming met het aangaan van het geregistreerd partnerschap tot uitdrukking moeten brengen. Men wordt niet gebonden aan de bewoordingen die artikel 67 van Boek 1 B.W. voorschrijft.

De getuigen zijn getuige van het tot uitdrukking brengen van de bedoelde instemming. Zij hebben tegenwoordig een meer ceremoniële functie. De uitzondering omtrent de getuigen is geschrapt, gelet op het feit dat ook bij het aangaan van het geregistreerd partnerschap er behoefte kan bestaan aan enig ceremonieel.

Er is, anders dan voor de bewoordingen waarin van de instemming met het aangaan van het geregistreerd partnerschap blijkt, enerzijds uit praktische overwegingen, anderzijds omdat aan de tegenwoordigheid van getuigen in de praktijk meer gehecht lijkt te worden dan aan de exacte bewoordingen van de tot uitdrukking te brengen instemming, niet voor vrijheid gekozen om getuigen al dan niet tegenwoordig te laten zijn bij de plechtigheid.

28

Heeft de regering meer inhoudelijke argumenten voor het verplicht stellen van getuigen dan «gelet op het feit dat ook bij het aangaan van een geregistreerd partnerschap aan enig ceremonieel behoefte kan bestaan»?

Waarom wordt het «kan bestaan» ingevuld met het verplicht aanwezig zijn van getuigen?

Zoals in het antwoord op vraag 27 al is aangeduid, hebben getuigen de functie de instemming met het aangaan van het geregistreerd partnerschap of het aangaan van een huwelijk waar te nemen. Hoewel het belang van deze functie tegenwoordig niet groot is, geldt deze functionele betekenis van de aanwezigheid van getuigen zowel wanneer het gaat om het aangaan van een geregistreerd partnerschap als wanneer het gaat om het aangaan van een huwelijk. Er is geen reden om in dit opzicht onderscheid te maken.

Omtrent de keuze voor een verplichting tot aanwezigheid van getuigen, heb ik in het antwoord op vraag 27 al het een en ander opgemerkt.

29

De uitzonderingen ten aanzien van getuigen zijn bij nota van wijziging geschrapt. Artikel 67 is niet van overeenkomstige toepassing verklaard, om ruimte te bieden aan de invulling van ceremonieel bij het aangaan van de registratie. Moeten de gemeenten, gelet op de anti-discriminatiebepalingen, gelegenheid geven tot het aangaan van een geregistreerd partnerschap op dezelfde wijze als een huwelijk wordt aangegaan?

Voor zover er wettelijke regels zijn die de huwelijksplechtigheid beheersen, is alleen de regel die betrekking heeft op de bewoordingen waaruit de instemming met het aangaan van het geregistreerd partnerschap blijkt niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Hierin ligt opgesloten de gedachte dat de registratieplechtigheid zoveel mogelijk op dezelfde wijze kan plaatsvinden als de huwelijksplechtigheid. Indien de partners een plechtigheid met hetzelfde karakter als de huwelijksplechtigheid op prijs stellen, heeft naar mijn oordeel de gemeente geen vrijheid hiervan af te zien op de grond dat de wijze van aangaan van een huwelijk behoort af te wijken van de wijze van aangaan van een registratie.

30

Waarom kiest de regering er, anders dan de Scandinavische landen, wèl voor om het buitenland «met een dergelijk probleem op te willen zadelen»? (blz. 17).

Zoals op pagina 17 van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 1995/96, 23 761, nr. 7) is aangegeven, worden in het licht van de gedachte dat het buitenland niet onnodig met problemen moet worden geconfronteerd die hun onderdanen betreffen die in Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, voorwaarden gesteld aan buitenlanders die alhier een geregistreerd partnerschap willen aangaan. Uit het feit dat dit andere voorwaarden zijn dan in de Noordse landen worden gesteld, kan niet worden afgeleid dat deze voorwaarden niet mede tot doel zouden hebben registratietoerisme tegen te gaan.

31

Acht de regering het niet een eis van goed nabuurschap in het internationaal verkeer, dat een staat probeert zijn buurlanden zo weinig mogelijk te belasten met de gevolgen van haar eigen, afwijkende wetgeving, die om nationaal-politieke redenen wordt ingevoerd?

Aangezien deze vraag wordt gesteld in het kader van het wetsvoorstel inzake het geregistreerd partnerschap zal ik deze ook uitsluitend in dit licht beantwoorden.

Afgezien van de kwestie of het geregistreerd partnerschap «om nationaal-politieke redenen wordt ingevoerd», impliceert goed nabuurschap in dit geval niet alleen dat in Nederland voorwaarden worden gesteld voor buitenlanders die een geregistreerd partnerschap wensen aan te gaan, maar ook dat het buitenland nagaat in hoeverre het een geregistreerd partnerschap dat door eigen onderdanen in Nederland is aangegaan, zou kunnen of willen erkennen en welke rechtsgevolgen daaraan verbonden zouden kunnen worden. Goed nabuurschap veronderstelt immers wederzijds begrip voor ontwikkelingen in de onderscheiden samenlevingen die hun weerslag krijgen in het recht.

32

Betekent het niet van toepassing verklaren van de stiefouderlijke onderhoudsbepalingen uit titel 17 dat de geregistreerde partners alleen jegens elkaar aanspraak kunnen maken op de gezamenlijke dekking van de verzorging en opvoeding van de kinderen, maar dat «hun kinderen», waaronder ook worden verstaan kinderen die niet van beide partners samen zijn, geen eigen aanspraken toekomen? (blz. 18).

Indien de kinderen in het geregistreerd partnerschap kinderen zijn die de partners tot vader en moeder hebben, hebben beide ouders jegens de kinderen de plicht tot betaling van de kosten van verzorging en opvoeding. Indien een van beide partners de ouder is, heeft alleen deze jegens het kind de verplichting tot betaling van de kosten van verzorging en opvoeding. Indien deze partners in de toekomst gezamenlijk het gezag uitoefenen, zijn zij beiden onderhoudsplichtig jegens het kind. Die onderhoudsplicht tegenover het kind geldt in de toekomst ook, indien geen van beide partners ouder is van het kind en zij wel gezamenlijk de voogdij uitoefenen. Het gezamenlijk gezag van een ouder en zijn partner en de gezamenlijk voogdij worden voorgesteld in wetsvoorstel 23 714 (Kamerstukken II 1995/96, 23 714, nr. 9).

Voorts lijkt het voorstelbaar dat de partners onderling overeenkomen dat de partner die niet de ouder is jegens het kind onderhoudsplichtig is, bij voorbeeld tot het achttiende of eenentwintigste jaar van het kind.

Het hangt met andere woorden van de omstandigheden af of er een onderhoudsplicht jegens het kind bestaat.

Opmerking verdient dat gedurende het bestaan van het partnerschap kwesties als het effectueren van een onderhoudsplicht meer theorie dan praktijk zijn. Het effectueren van de onderhoudsplicht jegens het kind komt meestal pas aan de orde als de relatie beëindigd wordt.

33

Hoe wordt misbruik voorkomen van de mogelijkheid dat partners in onderling overleg kunnen beslissen niet samen te wonen?

In de wetgeving zal er in het algemeen vanuit gegaan worden en ook mogen worden dat echtgenoten of geregistreerde partners samenwonen. Indien zij dat in onderling overleg niet doen en dit gegeven is voor de toepassing van bepaalde regelgeving relevant (bij voorbeeld fiscale regelgeving), dan zullen de echtgenoten of partners dat moeten aantonen. De bewijslast ligt met andere woorden bij hen en niet bij de uitvoerder van de betrokken regelgeving. Op welk misbruik gedoeld wordt, indien de echtgenoten of partners hebben aangetoond niet samen te wonen, is in dit licht niet onmiddellijk duidelijk.

II. ARTIKELEN

Artikel I

34

Artikel 80a, tweede lid

Bij nota van wijziging is de eis dat men een jaar woonplaats moet hebben in Nederland geschrapt. Is ook het hebben van een verblijfstitel voor korte duur voldoende om een geregistreerd partnerschap te kunnen aangaan?

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik graag naar het antwoord op vraag 22.

35

Artikel 80c

Wat zijn de gevolgen wanneer de verklaring als bedoeld in artikel 80c, onder c, niet wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, omdat zij die ambtenaar van de burgerlijke stand niet binnen drie maanden na het sluiten van de overeenkomst heeft bereikt (artikel 80d, derde lid)?

Gevolg is dat het geregistreerd partnerschap niet is beëindigd en dat opnieuw een overeenkomst zal moeten worden gesloten tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap die wel tijdig wordt ingeschreven. Deze termijn is gesteld om te voorkomen dat «te oude» overeenkomsten aan de ambtenaar van de burgerlijke stand ter inschrijving worden aangeboden. Het opnieuw sluiten van de overeenkomst kan en zal meestal de oorspronkelijke overeenkomst met dezelfde inhoud betreffen. Het risico bestaat natuurlijk dat een of meer van de gemaakte afspraken wordt opengebroken.

De regeling stemt qua karakter overeen met die van de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. Ingevolge artikel 163 Boek 1 B.W. komt de echtscheiding tot stand door inschrijving van de rechterlijke beschikking in de registers van de burgerlijke stand. In het derde lid van genoemd artikel is bepaald dat, indien het verzoek tot inschrijving niet uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, is gedaan, de beschikking zijn kracht verliest. Dat betekent dat een nieuw scheidingsverzoek, aan de rechter moet worden gedaan. In de praktijk komt dit wel eens voor.

De termijn van inschrijving van de verklaring, bedoeld in artikel 80c, onder c, is de helft van die van de termijn van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, omdat in het laatste geval rekening moet worden gehouden met het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn. Dat is wat betreft de echtscheidingsovereenkomst niet aan de orde.

36

Artikel 80d

Bij nota van wijziging is in artikel 80d opgenomen dat, anders dan in het oorspronkelijk wetsvoorstel, wilsovereenstemming ten aanzien van de duurzame ontwrichting een essentieel element is van de overeenkomst tot beëindiging van het geregistreerd partnerschap. Kan de regering deze wijziging nader toelichten?

Het is juist dat uit het oorspronkelijk wetsvoorstel, waarin de beëindiging met wederzijds goedvinden geen nadere regeling had gevonden, afgeleid kon worden dat overeenstemming over duurzame ontwrichting geen wezenlijk kenmerk van deze vorm van beëindiging was. Dat is echter nimmer de bedoeling geweest. Indien immers in het kader van de onderhandelingen over of de bemiddeling bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap blijkt dat een van beiden partnerschap niet duurzaam ontwricht acht, ontbreekt de grondslag voor een beëindiging zonder tussenkomst van de rechter. De voorgestelde regeling had en heeft het oogmerk de mogelijkheid te creëren om zonder tussenkomst van de rechter het geregistreerd partnerschap te beëindigen vanuit de gedachte dat deze beëindiging geschiedt in die gevallen dat er sprake is van duurzame ontwrichting van het partnerschap. Dat is dezelfde gedachte die ten grondslag ligt aan de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding.

Artikel II

37

onder I

Kunnen criteria worden aangegeven in welke situatie sprake is van «als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren»? Kan dit worden toegelicht met voorbeelden?

Over het criterium «als waren zij gehuwd» bestaat uitgebreide jurisprudentie. Deze jurisprudentie zal ook na wijziging van artikel 160 Boek 1 B.W. relevant blijven met dien verstande dat de opvatting dat homofiele relaties niet onder het criterium «als waren zij gehuwd» vallen (HR 3 november 1978, NJ 1979, 121; deze opvatting is in latere beslissingen steeds gehandhaafd), door de voorgestelde wijziging moeilijk nog in stand kan blijven.

Door de toenmalige Minister van Justitie is bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer waarin artikel 160 in de huidige tekst was opgenomen, opgemerkt dat onder «als waren zij gehuwd» moet worden verstaan een samenleving tussen man en vrouw die, behalve de officiële sluiting en erkenning, de kenmerken van een huwelijksverhouding draagt.» (Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer bij wetsvoorstel 10 231, blz. 2). Voor het aannemen van een samenlevingsverband is in elk geval vereist dat de samenwonenden elkaar verzorgen, aldus HR 22 februari 1985, NJ 1986, 82. Van wederzijdse verzorging kan slechts sprake zijn, indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (zie bij voorbeeld HR 14 januari 1994, NJ 1994, 333). Voor het bewijs van «wederzijdse verzorging» is niet relevant of de samenwonenden al dan niet een seksuele relatie hebben. Onvoldoende om wederzijdse verzorging aan te nemen is in ieder geval, zo bleek uit laatstgenoemde beslissing, dat de een voor de ander soms kleding en schoenen kocht en betaalde en vaak de boodschappen deed en betaalde, terwijl dat thuisgekomen weer verrekend werd. Ook de enkele overweging van het hof dat op de heer R een morele plicht rust om in de gezamenlijke huishouding bij te dragen, en dat hij en de vrouw een zodanige leefgemeenschap hebben dat zij «geacht moeten worden» elkaar wederzijds te verzorgen, is niet toereikend om de gevolgtrekking dat van wederzijdse verzorging sprake is, te dragen (HR 25 november 1994, NJ 1995, 299). Het feit dat man en vrouw volgens het bevolkingsregister op hetzelfde adres staan ingeschreven, is voor het aannemen van een samenlevingsverband onvoldoende (HR 16 juni 1981, NJ 1981, 624).

Artikel III

38

Hoe verhoudt Artikel IIIA zich tot artikel 5, zesde lid, van de Algemene wet gelijke behandeling, waarin onderscheid naar burgerlijke staat in pensioenregelingen wordt toegestaan?

Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) verbiedt het maken van onderscheid bij arbeidsvoorwaarden. In het zesde lid van dit artikel is een uitzondering gemaakt voor onderscheid op grond van burgerlijke staat voor zover het pensioenvoorzieningen betreft.

Na invoering van het geregistreerd partnerschap zal in de pensioensfeer met die registratie rekening moeten worden gehouden. Wetsvoorstel 23 761 verbindt immers aan een registratie nagenoeg dezelfde rechten en plichten als aan een huwelijk, ook op het gebied van pensioenen. De uitzondering van artikel 5 Awgb blijft daarnaast van kracht. Na inwerkingtreding van de partnerschapsregistratie mag nog steeds onderscheid worden gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden, maar niet tussen gehuwden en geregistreerden. In deze zin heeft mijn ambtgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eerder op vragen van de Tweede Kamerleden mevrouw Schimmel en de heer Dittrich geantwoord (zie Handelingen II, 1995/96, nr. 566, p. 1147–1148).


XNoot
1

Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (Groep Nijpels), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), O. P. G. Vos (VVD) en Van Vliet (D66).

Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), R. A. Meijer (Groep Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), vacature D66, Leerkes (U55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD) en De Koning (D66).

Naar boven