23 591
Betrokkenheid van het parlement bij de uitzending van militaire eenheden

nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN DEFENSIE EN VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 januari 1995

Op 21 december jl. aanvaardde de Tweede Kamer de motie-Van Middelkoop (Kamerstuk 23 591, nr. 2). Daarin wordt de regering verzocht een regeling voor te bereiden, waarin is vastgelegd dat het parlement bij uitzending van militaire eenheden een formeel instemmingsrecht wordt verleend.

Wij zijn voornemens, met inachtneming van de constitutionele verhoudingen tussen regering en Staten-Generaal, zo veel mogelijk aan de wensen van de Kamer tegemoet te komen. De regering beraadt zich nu over de wijze waarop een dergelijke regeling vorm moet krijgen. Wij menen er goed aan te doen U te berichten dat de totstandkoming van de regeling de nodige tijd zal vergen met het oog op de daarbij te betrachten zorgvuldigheid en het te voeren interdepartementale overleg. Vooral het oplossen van de door de regering voorziene constitutionele problemen bij de totstandkoming van de regeling zal de nodige tijd in beslag nemen. Ook speelt mee dat de regeling zal moeten voorzien in parlementaire betrokkenheid bij veel verschillende vormen van uitzending van militairen. In dit verband wil de regering ook nagaan hoe aan de wens van de Kamer tegemoet kan worden gekomen en tegelijkertijd kan worden gewaarborgd dat in spoedeisende gevallen op zeer korte termijn tot uitzending van militairen kan worden overgegaan.

Tenslotte zeggen wij U nogmaals toe U ook te informeren over het toetsingskader bij uitzending van militairen. De regering hecht er overigens aan de regeling mede te bezien in samenhang met het toetsingskader.

De Minister van Defensie,

J. J. C. Voorhoeve

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. van Mierlo

Naar boven