22 452
Internationalisering van het onderwijs

nr. 12
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 11 januari 2000

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft op 15 december 1999 overleg gevoerd met minister Hermans van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over internationalisering van het onderwijs aan de hand van:

– de brief van de minister d.d. 5 februari 1999 ter aanbieding van het Joint Workplan for the Dutch-Russian cooperation in education 1998/1999 en het Joint Workplan for the Dutch-Hungarian Cooperation in Education 1998/1999 (OCW-99-101);

– de brief van de minister d.d. 16 maart 1999 inzake uitwisseling leerlingen Europese lidstaten (OCW-99-210);

– de brief van de minister d.d. 6 mei 1999 inzake internationale vergelijking van onderwijssystemen (26 200-VIII, nr. 82);

– de brief van de minister d.d. 25 mei 1999 inzake het Huygensprogramma (26 397, nr. 14);

– de brief van de minister d.d. 23 juli 1999 inzake voortgang van de initiatieven Stimulating Language Learning, Safety at School en Quality Evaluation in School Education (21 501-06, nr. 33);

– de brief van de minister d.d. 28 september 1999 ter aanbieding van de beleidsbrief «Kennis: geven en nemen: Internationalisering van het Onderwijs in Nederland» (OCW-99-948);

– de brief van de minister d.d. 8 december 1999 inzake AO internationalisering van het onderwijs in Nederland.

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Cherribi (VVD) noemde internationalisering van onderwijs de basis voor de aanwezigheid van Nederland op de wereldkennismarkten met onderwijs, vreemde talen en kennis van andere landen en culturen als de sleutels tot die markten. Een belangrijke overlevingsvraag vanuit het Nederlands belang is hoe het staat met de internationalisering van het Nederlandse onderwijsbestel. Hij constateerde een behoorlijke achteruitgang op een aantal punten. Wat de kennis van vreemde talen betreft, is Nederland zijn voorsprong kwijt op zijn buurlanden, met name Frankrijk en Duitsland, terwijl die landen bezig zijn met een inhaalslag, ook in Nederland. Vergeleken met de internationalisering van het Franse onderwijsbestel maakt Nederland nog een weinig dynamische indruk. Op internationalere schaal valt te constateren dat aan de Amsterdamse universiteit slechts 1 op de 100 studenten in het buitenland gaat studeren. De heer Cherribi waarschuwde voor een provincialisme dat op de loer ligt. Van 30 000 deelnemers aan internationale uitwisselingsprogramma's komt slechts een derde uit het hoger onderwijs. De internationale mobiliteit van studenten uit Nederland is dalende. De afschaffing van het Stimuleringsprogramma voor de internationalisering van het onderwijs (STIR) heeft een inzinking teweeggebracht. Hij vroeg de minister een verklaring te geven voor de nog steeds moeizame weg naar internationalisering van het onderwijsbestel en aan te geven hoe het staat met de veranderingen en vorderingen die in de nota «Kennis: geven en nemen» aan bod komen.

Een strategische vraag betreft de relatie tussen het onderwijsbeleid en het buitenlands beleid. Een goede verbinding is geboden, maar tegelijk moet een soepele verbinding voldoende handelingsvrijheid bieden aan scholen, hogescholen en universiteiten. Geldt het concentratiebeleid van Buitenlandse Zaken onverkort voor internationalisering in het onderwijsbeleid? Wat gebeurt er als de wensen van de onderwijsinstellingen niet sporen met het concentratiebeleid van Buitenlandse Zaken of het internationaliseringsbeleid? Welke garanties geeft de minister dat het beurzenprogramma niet op termijn zal worden beperkt tot concentratielanden? Welke rol speelt het concentratielandenbeleid bij de ontwikkeling van het beurzenprogramma? De heer Cherribi maakte zich zorgen dat de uitvoering van het onderwijsbeleid niet zal opgaan in het buitenlands beleid, wat gezien de investeringen in onderwijsinternationalisering een gênante kapitaalvernietiging zou zijn.

In het kader van systeemobstakels vroeg hij of de minister bereid is de negatieve effecten in kaart te brengen van het implementeren van de modernisering universitaire bestuursorganisatie (MUB) op het functioneren van het internationaliseringsprogramma. Hij had aanwijzingen voor stroperigheid en bureaucratisering bij de uitvoering. Is de minister bereid een onderzoek te doen naar de inmiddels tien meest voorkomende obstakels die een succesvolle uitvoering van internationalisering op de werkvloer in de weg staan? Te vaak is sprake van bedrijfsongevallen waarvan docenten, studenten en instellingen de dupe zijn.

Internationalisering van het onderwijsbestel kan meer gedijen door een actievere exportstrategie en betere profilering van het onderwijsproduct. Via samenwerking in bijvoorbeeld joint ventures met Japan, China of andere Aziatische landen kan verder worden ingespeeld op de belangstelling voor Nederlandse onderwijsexpertise. De heer Cherribi miste duidelijke plannen en verwees naar het Duitse onderwijsoffensief in Indonesië en Maleisië. Aan welk exportstappenplan is de minister bezig?

De behoefte aan cursussen en modules binnen Nederland is groot, maar het aanbod is te gering. Welke mogelijkheden geeft de minister aan de universiteiten om «overseas students» aan te trekken? Kan het onderwijsbeleid hier wellicht meer Ieren van Economische Zaken dan van Buitenlandse Zaken? De heer Cherribi noemde in dit verband het geslaagde model van de «twinning centers». Hij vroeg meer aandacht voor internationalisering van het beroepsonderwijs. Hij stelde zich voor dat het bedrijfsleven als businesspartner meer betrokken raakt bij de uitvoering van internationalisering.

Op het terrein van de binationale universiteiten noemde de heer Cherribi België-Nederland, Utrecht-Lille en het Duitsland-instituut. Hij vroeg de minister om op korte termijn aan Frankrijk een politiek signaal te geven, liefst voor het aanstaand bezoek van Chirac aan Nederland, dat Nederland over de brug komt. Wat de Vlaams-Nederlandse internationalisering met de transnationale universiteit Limburg betreft, is sprake van een indrukwekkend stappenplan. De heer Cherribi had vernomen dat het is opgenomen in het recente regeerakkoord van het Belgische kabinet en dat ook de universiteit van Maastricht verder wil. Hij vroeg de minister aan te geven op welk resultaat wordt gemikt. Vanwege de vele Nederlandse belangen in Duitsland is het van belang dat het Duitsland-instituut gestalte geeft aan een Nederlands offensief in Duitsland. De mogelijkheden van bi-diplomering zijn nog steeds te beperkt. Wanneer worden de mogelijkheden met de buurlanden verruimd? De heer Cherribi vroeg een streefdatum en een streefgetal van het aantal onderwijsinstellingen. Hij noemde de profilering op het internet van belang.

In verband met de internationaliseringscontacten met de niet-westerse landen stelde hij dat het onderwijsbeleid niet het onderspit moet delven tegen het buitenlands beleid. De aanvragen van niet-Europese studenten en docenten blijven te vaak liggen uit angst bij Buitenlandse Zaken om de visumaanvraag te honoreren. Hij hoorde te vaak van bedrijfsongevallen. Hij vroeg hoe Nederland de internationaliseringsexpertise van de UNESCO beter kan benutten.

Mevrouw Dijksma (PvdA) wees op het belang van een heldere rol en positie van Nederland binnen het internationaal onderwijs. De beleidsbrief biedt een begin van een idee waar Nederland naartoe wil. De vraag is evenwel of de toegang tot en mogelijkheden van de verschillende methodes en instrumenten overzichtelijk en duidelijk genoeg zijn. De keuze van prioritaire landen is verschillend, terwijl wordt afgeweken van de prioritering in het algemeen buitenlands beleid wat het onderwijs betreft, waarvan sub-Sahara-Afrika een belangrijk onderdeel uitmaakt. Welke prioriteiten worden bij welk programma gesteld en waarom? Beurzen en beurzenprogramma's voor studenten moeten niet worden beperkt tot landen met goed bestuur en goed beleid. Een bijdrage vanuit Nederland aan het onderwijs in andere landen, met name gericht op de capaciteitsopbouw van mensen, kan immers leiden tot de vorming van een nieuwe elite die een positieve ontwikkeling teweeg kan brengen. In beleidsinhoudelijk opzicht plaatste mevrouw Dijksma vraagtekens bij de verwijzingen naar het algemeen buitenlands beleid.

Vergelijking van de onderwijssystemen biedt de mogelijkheid om te bezien hoe het Nederlandse onderwijsbeleid ervoor staat. Mevrouw Dijksma had begrepen dat de minister hiervan werk wil maken door te kijken naar programma's binnen de OESO en een aantal Europese landen en wellicht ook de VS. Op welke termijn zijn hiervan resultaten te verwachten? In het kader van investeren in onderwijs haalde zij de OESO-norm aan, waarbij uitgangspunt is dat 6% van het bruto nationaal product wordt besteed aan onderwijs. Ziet de minister in dit verband mogelijkheden in de internationale vergelijking?

De minister heeft de aandacht van de Kamer gevraagd voor het pleidooi van de VSNU, de HBO-raad en het ISO om het grootste deel van de extra 9 mln. voor het beoogde beurzenfonds te bestemmen voor de eigen studenten. Mevrouw Dijksma vroeg zich af waarom een beurzenprogramma grotendeels voor de eigen studenten bestemd zou moeten worden.

Wat het primair en voortgezet onderwijs betreft, zijn de plannen in «Kennis: geven en nemen» beperkt tot een onderzoek naar mogelijkheden om binnen het bestaande budget flexibeler om te gaan met de maximale studieduur. Het Europees platform voor Nederlands onderwijs geeft echter aan dat binnen de rijksbegroting een bezuiniging van 2 mln. verscholen zit, waardoor docenten en leerlingen van middelbare scholen niet meer zoals voorheen gebruik kunnen maken van uitwisselingsmogelijkheden. Waarom heeft de minister ervoor gekozen om die 2 mln. weg te sluizen?

Mevrouw Dijksma noemde de constatering dat er kansen liggen voor een verdere ontplooiing van de BVE-sector in de internationale context opmerkelijk en onvoldoende. Er is voor deze sector een veel grotere rol weggelegd in de internationalisering, al zijn er wellicht factoren die de aansluiting van het beroepsonderwijs bemoeilijken. Zij vroeg de minister met klem om te reageren op de brief van de BVE-raad.

Er wordt door OCW, Justitie, Buitenlandse Zaken en SZW gewerkt aan het verminderen van de belemmeringen voor de komst van buitenlandse studenten, onderzoekers en docenten naar Nederland, onder andere via de machtiging tot voorlopig verblijf. Hierover komen nog steeds klachten. Welke problemen zullen naar verwachting met de voorstellen van de regering worden weggenomen? Voorop staat dat dit gebeurt. Mensen moeten niet in de ambtelijke molen van de IND blijven vastzitten als zij enkele maanden of een jaar naar Nederland willen komen. Wellicht kan er iets aan de werkdruk bij de IND worden gedaan.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) was het opgevallen dat er steeds meer internationale samenwerkingsprojecten van start gaan en dat er werkplannen aan de Kamer worden gestuurd, maar dat de resultaten daarvan nogal eens aan de aandacht ontsnappen. Hoeveel bilaterale projecten lopen er en wat is het rendement daarvan? Wat is het rendement van de uitwisseling van leerlingen tussen de Europese lidstaten? Zij vroeg aandacht voor de praktische knelpunten die zich voordoen op het terrein van de arbeidsmobiliteit van afgestudeerden.

Door de dreigende bezuiniging van 2 mln. – 20% van het budget voor het Europees platform voor Nederlands onderwijs – die per 1 januari 2002 moet worden doorgevoerd, kunnen 3500 leerlingen minder gebruikmaken van uitwisselingen en kunnen 800 docenten geen gebruikmaken van studiebezoeken. Dit is geen goede zaak. Het veld had dit niet kunnen weten, aangezien in het overlegorgaan primair onderwijs en voortgezet onderwijs (POVO) van 27 september jongstleden naar voren is gebracht dat in de meerjarenramingen geen enkele vorm van bezuinigingen is verwerkt. Mevrouw Van der Hoeven noemde dit onbehoorlijk.

Wanneer vindt de toegezegde evaluatie plaats van de grensoverschrijdende taalprojecten in Limburg? Wat gebeurt er in Nederland met het initiatief inzake het drietalig onderwijs in Eupen? Komt er eindelijk schot in de ontwikkelingen rond de transnationale universiteit Limburg? Volgens het Vlaamse regeerakkoord en de begroting voor 2000 van de Vlaamse regering moet de realisatie van de transnationale universiteit Limburg effectief worden doorgevoerd. Bovendien is in Vlaanderen de parlementaire toezichtscommissie op het Limburgs universitair centrum nieuw leven ingeblazen. Dit alles kan ertoe leiden dat de door de gevestigde Vlaamse universiteiten opgeworpen barrières kunnen worden overwonnen. Mevrouw Van der Hoeven vroeg de minister om op heel korte termijn in overleg met zijn Vlaamse collega actie te ondernemen.

De «international departments» van een aantal scholen voor primair en voortgezet onderwijs hebben bewezen bestaansrecht te hebben, maar hebben nog geen wettelijke basis. Wat is er gebeurd met het rapport dat de Onderwijsinspectie hierover heeft uitgebracht? Binnenkort moet de bekostigingsbeslissing worden vernieuwd. Het is van belang dat deze international departments kunnen worden voortgezet.

Mevrouw Van der Hoeven was positief over de beleidsbrief «Kennis: geven en nemen». In verband met het nieuwe beurzenfonds merkte zij op dat de criteria voor de keuze uit prioritaire landen niet helder zijn. Zij benadrukte dat het geld is bedoeld om studenten naar Nederland te halen. Wel is de vraag of er sprake is van reciprociteit en of er in de beoogde landen ook voorzieningen zijn voor Nederlandse studenten. Zij vroeg naar de consequenties voor EU-studenten, gelet op de korting op de collegegeldvergoeding aan deze studenten. Is dit zonder meer mogelijk, gezien de verplichtingen in EU-verband? Zij was het ermee eens dat voor de mobiliteitsknelpunten voor niet-EU-studenten een oplossing moet worden gevonden.

Wat de positionering en de export van het Nederlands hoger onderwijs betreft, is sprake van een kennisachterstand in informatie. Om deze situatie te veranderen zijn steunpunten in het buitenland nodig, alsmede een centraal punt in Nederland dat de activiteiten op het gebied van de export van het hoger onderwijs coördineert.

Destijds vreesde de Kamer dat het aantal visiebeurzen onvoldoende zou zijn, maar inmiddels is gebleken dat er sprake is van onderuitputting: van de 1000 plaatsen zijn voor het jaar 2000 nog 550 plaatsen beschikbaar. Het ging mevrouw Van der Hoeven te ver om het geld daarvoor al toe te voegen aan andere internationaliseringsactiviteiten. Dit staat ook haaks op het verzoek om het nieuwe beurzenfonds te bestemmen voor de eigen studenten. Zij vroeg waardoor de onderuitputting is ontstaan en hoe alle plaatsen kunnen worden benut.

De internationale oriëntatie van het onderwijs krijgt vorm op allerlei niveaus. In de praktijk blijkt evenwel dat dit, gezien vanaf het niveau van de universiteiten in de richting van het primair onderwijs, per niveau steeds minder goed is geregeld. In het primair en het voorgezet onderwijs en de BVE-sector zal hieraan meer aandacht moeten worden besteed. In het kader van het Europese jaar van de talen vroeg mevrouw Van der Hoeven extra aandacht voor initiatieven die betrekking hebben op het Duitse en Franse taalgebied.

De heer Rabbae (GroenLinks) sloot zich aan bij de cri de coeur over de dreigende afkalving van de kennis van de buitenlandse talen. Hij maakte zich zorgen dat de Engelse taal gaat domineren in Nederland. Het ontwikkelen van opleidingen in het Engels om buitenlandse studenten aan te trekken en aan te sluiten bij het internationale niveau kan ten koste gaan van andere talen en kan leiden tot een verarming van de Nederlandse kennis op internationaal niveau.

Het verbaasde hem dat het onderwijs wordt gekoppeld aan Nederlandse belangen in het buitenland. Het onderwijs mag niet de economische en politieke belangen in een land volgen. Het kan juist goed zijn dat ook studenten uit andere landen naar Nederland komen. Hij pleitte voor een vrije keuze. Ook op dit terrein moet zelfregie door de instellingen mogelijk zijn.

Er is een discrepantie tussen de keuze van prioritaire landen in het kader van ontwikkelingssamenwerking en het onderwijs. Er is dan ook geen sprake van twee dicht aangesloten systemen van Ontwikkelingssamenwerking en OCW. Afstemming tussen Ontwikkelingssamenwerking en OCW over de 9 mln. voor het beurzenfonds biedt de mogelijkheid om een groter aantal mensen te betrekken bij de internationalisering van het onderwijs.

In verband met de erkenning van Nederlandse diploma's in het buitenland pleitte de heer Rabbae ervoor dat in een supplement bij Nederlandse diploma's wordt aangegeven wat het niveau en de waarde van het diploma is, gericht op het land van bestemming, zodat studenten en afgestudeerden gemakkelijker toegang krijgen tot het buitenland. Hij dacht hierbij aan de activiteiten van de Nederlandse organisatie voor internationale studenten in het hoger onderwijs (NUFFIC) ten behoeve van buitenlandse studenten die naar Nederland komen. Ook stelde hij voor om via OCW een voorziening te treffen om Nederlandse diploma's kosteloos te vertalen in een extra taal ten behoeve van Nederlandse studenten die naar het buitenland gaan.

Uitwisselingsprogramma's zijn tot nu toe beperkt tot een periode van minimaal drie maanden. Met het oog op het aanbod van korter durende en zeer interessante zomerprogramma's van buitenlandse universiteiten vroeg de heer Rabbae of de minister bereid is om hierin flexibiliteit te betrachten. Gelet op de grote verschillen in de kosten van levensonderhoud tussen de diverse landen vroeg hij of het mogelijk is om aan Nederlandse studenten in het buitenland een beurs op maat te verstrekken op het niveau van het levensonderhoud in het land van bestemming in plaats van een standaardbedrag. Hij vroeg aandacht voor het stimuleren van de uitwisseling van docenten binnen de Europese Unie op het niveau van zowel het hoger en universitair onderwijs als het middelbaar onderwijs. Hij sloot zich aan bij de vragen over het beroepsonderwijs.

Hij had begrepen dat de Vlaamse regering klaar staat voor een verdergaande samenwerking tussen de universiteiten van Maastricht en Hasselt. Het leek hem goed om dit op te pakken als voorbeeld van intra- en inter-Europese samenwerking op het gebied van het onderwijs. Hij kon zich voorstellen dat Vlaanderen en Nederland in het kader van een verdrag de bereidheid uitspreken om verder te gaan.

De heer Van der Vlies (SGP) had geen behoefte aan het streven naar internationalisering op zichzelf en zei dat de vorming van het individu tot Europees en mondiaal burger voor hem geen prioritaire doelstelling is. Wel constateerde hij dat de samenleving een steeds mondialer karakter krijgt. Om daarop adequaat te kunnen inspelen moet het onderwijs rekening houden met de internationale context en zal afstemming met het buitenlandse beleid moeten plaatsvinden.

Hij deelde de visie dat de overheid in het kader van internationalisering vooral een voorwaardenscheppende rol heeft. In dit verband vroeg hij wat wordt bedoeld met het geven van voldoende toegang door de instellingen tot internationale ervaring aan de deelnemers van het onderwijs. Hoe kan dit precies worden gemeten? Tot de voorwaardenscheppende rol van de overheid behoort adequate financiering. Volgens de beleidsbrief liggen er ook voor de BVE-sector de nodige ontplooiingsmogelijkheden op internationaal terrein, maar hier staat geen extra financiële impuls tegenover. De heer Van der Vlies vroeg een toelichting op dit punt. Voorts vroeg hij of er in de meerjarenraming in de begroting voor het jaar 2000 een versobering van de internationalisering verstopt is. Zo ja, waar slaat die versobering neer en hoe verhoudt die zich tot de inhoud van de beleidsbrief? Wat is de verhouding van de Nederlandse en de Europese geldstromen met betrekking tot programma's en subsidies in het kader van de internationalisering van het onderwijs en hoe worden deze aan elkaar gerelateerd?

Het is goed dat met de internationalisering van het onderwijs wordt aangesloten bij het buitenlands beleid. De instellingen dienen evenwel de vrijheid te behouden om zelf te kiezen wat de samenwerkingsrelaties betreft. Datzelfde geldt voor de mate van internationalisering. Flexibilisering van de subsidieduur is dan ook een goede zaak.

Een belangrijk probleem bij internationalisering is de vergelijkbaarheid van het onderwijs, zowel wat het onderwijsstelsel als de kwaliteit van het onderwijs betreft. Is in de door de regering ondertekende Bolognaverklaring de factor kwaliteit voldoende gewaarborgd? Uniformering van het onderwijsstelsel mag niet ten koste gaan van belangrijke Nederlandse verworvenheden zoals het binaire stelsel. Kan de minister toezeggen dat dit stelsel gehandhaafd blijft? Wat is de status van de in de BVE-sector ontwikkelde Euro-pas en in hoeverre wordt hiermee tegemoetgekomen aan de vergelijkbaarheid?

Het voorgestelde beurzenprogramma is eenzijdig gericht op het aantrekken van buitenlandse studenten. Hieraan lijken met name economische motieven ten grondslag te liggen. De vraag is of hieraan prioriteit moet worden gegeven in het onderwijs. Het is zonder meer van belang dat Nederlandse studenten deelnemen aan het onderwijs in het buitenland voorzover dat relevant is voor een studie. Met name door andere sociale stelsels in het buitenland doen zich daarbij ook problemen voor. In de beleidsbrief lijken de middelen hiervoor een restpost te zijn. In hoeverre is op dit punt in het onderwijs sprake van evenwicht tussen instroom en uitstroom?

Kennis van vreemde talen is een belangrijke voorwaarde voor internationalisering. De heer Van der Vlies maakte zich in dit verband zorgen over de BVE-sector. De plannen hiervoor dienen voortvarend te worden aangepakt. Bovendien moet Nederland veel belangstelling blijven tonen voor de leerstoelen Nederlands in het buitenland. Hoe lopen in beleidsmatig opzicht de lijnen van sturing en bekostiging op dit punt?

Via het onderhouden van een samenwerkingsrelatie met Zuid-Afrika kan vanuit het onderwijs vorm worden gegeven aan de relaties met een aantal ontwikkelingslanden. Is de minister bereid om in overleg met de minister voor Ontwikkelingssamenwerking te onderzoeken hoe de door de Kamer gevraagde extra aandacht voor het basisonderwijs in ontwikkelingslanden gestalte kan krijgen? De heer Van der Vlies sloot zich aan bij de vragen over de mobiliteitsproblemen.

Antwoord van de minister

De minister wees erop dat de discussie over de internationalisering van het onderwijs een onderdeel is van de totale discussie over het onderwijs. Hij verwees naar de discussie over de instituten voor internationaal onderwijs en de universiteiten, alsmede naar het Hoger onderwijs- en onderzoeksplan (HOOP).

Het onderwijs wordt volop geconfronteerd met de internationaliseringstendensen. De mobiliteit van de studenten lijkt sterk toe te nemen. Een van de remmende factoren is de discussie geweest over de prestatiebeurs en de studietermijn van zes jaar. Door een nieuw stelsel van studiefinanciering en een langere studietermijn zal meer ruimte worden geboden aan studenten om een deel van hun studie in het buitenland te volgen. In alle onderwijssectoren zijn internationale aspecten onderdeel geworden van het onderwijs, ook wat de informatiestromen en -verwerking betreft.

Gelet op de veelheid van activiteiten die in de afgelopen jaren zijn ontplooid, is het van belang om de verantwoordelijkheden goed te onderscheiden en de initiatieven op overheidsniveau te stroomlijnen. Weliswaar hebben de instellingen de vrijheid en verantwoordelijkheid om zelf hun internationaliseringsprofiel te kiezen, maar de overheid moet investeren om de kwaliteit van het onderwijs in Nederland verder te verhogen en een bijdrage te leveren aan het algemene buitenlands beleid in relatie tot andere beleidsgebieden. Het buitenlands beleid is dan ook niet een op een gelijk aan het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Weliswaar zal worden geprobeerd om daarop in te spelen, maar het beleid van OCW betreffende een aantal specifieke activiteiten zal vooral gericht zijn op de landen die passen in het algemene buitenlands beleid van het kabinet, inclusief het exportbeleid van Economische Zaken. Het beurzenprogramma is bedoeld om het Nederlands hoger onderwijs te positioneren in een aantal gekozen landen. Deze keuze zal in het kader van het overleg met de NUFFIC en het veld worden uitgewerkt. In reactie op het signaal van onder andere de VSNU heeft de minister aangegeven dat de reciprociteit een belangrijk element is. Hij zegde een overzicht toe van de door de NUFFIC beheerde beurzenprogramma's, waaruit blijkt dat er een redelijke balans is binnen de Nederlandse en Europese fondsen. Voorts zegde hij toe naar aanleiding van dat overzicht te bezien of verdere bundeling van de verschillende beurzen mogelijk is.

Bij de stroomlijning van initiatieven en algemene voorwaardenscheppende activiteiten maakt de Nederlandse overheid zich sterk voor zaken die de individuele instelling of deelnemer te boven gaan. De minister schetste in dit verband vijf prioritaire domeinen. Hierbij wordt gestreefd naar intensieve samenwerking met een beperkt aantal landen. In het kader van het exportbeleid van Economische Zaken wordt gekeken naar de mogelijkheden in de BVE-sector van opleidingen in het buitenland, alsmede, als afgeleide daarvan, van het eventueel onderbrengen van buitenlandse studenten in de regionale opleidingscentra (ROC's).

In het kader van de bezuinigingen zijn bij de voorjaarsnota specifieke projectgelden voor de BVE-sector gebundeld en, na een relatief geringe korting, aan de lumpsum voor deze sector toegevoegd. Weliswaar zijn bij de algemene politieke beschouwingen en de najaarsnota extra budgetten beschikbaar gesteld, maar er is geen sprake van onderbesteding. De minister verwachtte dat de begroting van OCW niet sluitend zal zijn, maar dat er zelfs sprake zal zijn van een tekort van 10 mln. Zelfs als er ruimte ontstaat, zullen er binnen het onderwijs prioriteiten moeten worden gesteld. Op dit moment heeft vooral het hoger onderwijs te maken met de internationalisering. Ook in de BVE-sector worden de ontwikkelingen zichtbaar. Het is echter nog niet duidelijk hoe deze sector in Europees verband anders gepositioneerd kan worden. De instellingen hebben nog steeds ruimte binnen hun budgetten. Er wordt gezocht naar mogelijkheden om op maat voor het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven aan te sluiten bij ontwikkelingen op andere beleidsterreinen. De minister benadrukte dat met de beleidsbrief de discussie over de BVE-sector en de internationalisering niet is afgelopen. Hij stelde zich voor dat onder andere in het kader van de BVE-agenda op dit punt wordt teruggekomen.

De ROC's spelen een belangrijke rol in de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Het buitenland heeft veel belangstelling voor dit onderdeel van het Nederlandse onderwijsbestel. De minister verwachtte echter niet dat er een vergelijkbaar systeem voor middelbaar beroepsonderwijs in Europa zal komen. Hij zag meer in accreditaties als basis voor toekomstig onderwijsbeleid. Het gaat uiteindelijk niet om een uniformering van het systeem, maar om een vergelijking van de resultaten van het middelbaar beroepsonderwijs met soortgelijke opleidingen in het buitenland.

In overleg met de staatssecretaris van Justitie wordt bekeken welke mobiliteitsobstakels zich voordoen voor buitenlanders om in Nederland een opleiding te volgen en hoe hiervoor een oplossing kan worden gevonden. De minister zei niet te willen wachten op het wetgevingstraject voor de nieuwe Vreemdelingenwet, maar juist vooruitlopend daarop naar oplossingen te zoeken.

De positionering van het hoger onderwijs in het buitenland kan worden bevorderd door studenten uit het buitenland met behulp van beurzenprogramma's naar Nederland te halen. EU-studenten, ook Nederlandse studenten die naar het buitenland gaan, maken gebruik van het Socrates- en het Leonardo-programma. De korting op het budget voor deze studenten is een specifieke zelfstandige Nederlandse regeling. Deze middelen zullen worden ingezet voor specifieke algemene activiteiten in het kader van het beurzenprogramma. De voorgenomen korting op het Europees platform voor het primair en voortgezet onderwijs is pijnlijk, maar deze keuze is gemaakt op basis van de algemene bezuinigingen in het kader van de voorjaarsnota. In 2001 zal definitief worden besloten over deze bezuiniging van 2 mln. op basis van een bestedingsplan van het Europees platform voor 2002. In het kader van het POVO-overleg is wel degelijk gesproken over de inperking van het budget voor een aantal projecten. Te zijner tijd zullen hiertoe voorstellen worden gedaan.

In Europees verband worden de mogelijkheden bekeken van een diplomasupplement. De minister wilde de resultaten hiervan afwachten alvorens eventuele nadere initiatieven op dit punt te nemen. Hij zegde toe dat wordt nagegaan op welke termijn de resultaten kunnen worden verwacht. Eventueel kunnen aan de hand van tussenrapportages initiatieven worden ontplooid. De NUFFIC en het Centraal orgaan landelijke organen voor beroepsonderwijs (COLO) hebben een belangrijke functie op dit punt.

De bilaterale projecten met Rusland, Hongarije en Duitsland worden op dit moment geëvalueerd; de resultaten worden omstreeks de zomer van 2000 verwacht. Wat Zuid-Afrika betreft, heeft de evaluatie al plaatsgevonden. In Zuid-Afrika is grote belangstelling voor het Nederlandse onderwijssysteem en vooral voor de kwalificatiestructuur, de interne kwaliteitszorg en de eindtermen. Hiertoe is er een specifieke relatie van OCW met de Zuid-Afrikaanse regering. De minister deelde mee dat de budgetten voor de niet benutte visiebeurzen zijn overgeheveld naar volgend jaar. Hij zegde toe contact op te nemen met zijn Vlaamse collega en de universiteit van Maastricht over verdergaande samenwerking tussen de universiteiten in de grensgebieden.

In het Huygensprogramma staat niet de herkomst van de student, maar de kwaliteit van de aanvraag centraal om op die manier hoogwaardig talent naar Nederland te halen. Aangezien er met een vijftigtal landen een samenwerkingsovereenkomst bestaat, moeten er prioriteiten worden gesteld om het beschikbare budget effectief te kunnen inzetten. De minister was dan ook geen voorstander van een verdere geografische uitbreiding van het programma.

Een internationale vergelijking van onderwijssystemen is nodig, ook in het licht van de OESO-norm, met het oog op het rendement van de investeringen in het onderwijs in de komende jaren. De output van het Nederlandse onderwijssysteem is nog steeds heel hoog. Met Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Vlaanderen en Zweden wordt gewerkt aan een benchmarkproject, waarvan de resultaten in de loop van 2000 beschikbaar zullen komen.

Over het uitwisselen van docenten is in de afgelopen weken contact geweest met Duitsland, waar op dit moment een overschot op de markt is. De mogelijkheden op dit punt worden bekeken, niet alleen om een oplossing te vinden voor het tekort aan docenten in Nederland, maar ook vanwege de internationalisering van het onderwijs. De vermaatschappelijking van de arbeidsverhoudingen in het onderwijs betekent dat niet alleen mensen uit het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, maar ook mensen uit het buitenland binnen het onderwijs moeten worden gehaald. Binnen de EU wordt uitwisseling gestimuleerd door het bekend maken van vacatures in het buitenland.

De minister verwees voor meer duidelijkheid over de beurzen naar de website van de NUFFIC. Voorts noemde hij de activiteiten van de Nederlandse Taalunie op het gebied van Nederlandse leerstoelen in het buitenland.

Nadere gedachtewisseling

De heer Cherribi (VVD) constateerde dat er geen sprake is van gedwongen winkelnering voor de onderwijsinstellingen, maar dat zij bij de landenkeuze de vrijheid hebben om af te wijken van het internationaliseringsbeleid. Hij vroeg naar een stappenplan voor de export van het Nederlandse onderwijs. In verband met de steunpunten in het buitenland vroeg hij een reactie op de gedachte van aan de Nederlandse ambassades verbonden culturele attachés. Hij betreurde het dat de VS niet zijn genoemd, gelet op het grote aantal Nederlandse onderzoekers die zijn verbonden aan Amerikaanse universiteiten.

Mevrouw Dijksma (PvdA) beklemtoonde het belang van duidelijkheid over de mogelijkheden op het gebied van het internationaal onderwijs. In verband met de positionering van de BVE-sector stelde zij voor dat de minister overleg voert met de BVE-raad over de ideeën die in deze sector leven. Zij kon zich voorstellen dat een deel van de 9 mln. voor het beurzenprogramma ook toegankelijk wordt gemaakt voor de BVE-sector. Voorts stelde zij dat bij de definitieve besluitvorming over de bezuiniging van 2 mln. op het primair en voortgezet onderwijs op basis van een kwalitatieve inbreng beoordeeld zal moeten worden in hoeverre aan de bezwaren van het Europees platform tegemoet kan worden gekomen.

Wat de knelpunten in de mobiliteit betreft, blijft de relatie tussen de prioritaire landen en de beurzenprogramma's ingewikkeld. De internationale onderwijsinstellingen in Nederland zullen vanuit Ontwikkelingssamenwerking en OCW andere prioritaire landen aangereikt krijgen dan in de huidige beurzenprogramma's. In het algemene buitenlands beleid moet niet alleen worden uitgegaan van economische exportbevordering. Mevrouw Dijksma wees in dit verband op de rol van Afrika.

Mevrouw Van der Hoeven (CDA) sprak de hoop uit dat de mogelijkheden betreffende de transnationale universiteit worden benut. Wat de bezuiniging van 2 mln. op het Europees platform betreft, zal er weliswaar een kwalitatieve afweging moeten plaatsvinden, maar moet er nog een definitieve beslissing worden genomen. Zij vroeg nogmaals een reactie van de minister omtrent de evaluatie van de grensoverschrijdende talenprojecten in Limburg, het initiatief voor het drietalig onderwijs in Eupen en de international departments in verband met de nieuwe bekostigingsbeslissing. Zij sloot zich aan bij de vraag over de steunpunten in het buitenland voor de export en de positionering van het Nederlandse hoger onderwijs. In dit verband vroeg zij de minister om in te gaan op de coördinatie vanuit een centraal punt in Nederland.

Mevrouw Van der Hoeven had begrepen dat België en Nederland op 4 februari 1999 een politiek commitment hebben bereikt inzake een Nederlandstalig instituut voor onderwijsinnovatie in Heerlen. De Open Universiteit moet daarin het voortouw nemen en daarvoor een plan indienen. Zij vroeg informatie over het plan en de financiering, ook met het oog op het debat over het HOOP op 24 januari aanstaande.

De heer Rabbae (GroenLinks) vroeg een reactie op zijn pleidooi om de studiebeurzen voor Nederlandse studenten in het buitenland te differentiëren aan de hand van het niveau van het levensonderhoud in de desbetreffende landen.

De heer Van der Vlies (SGP) was er een voorstander van dat de instellingen vrij zijn om een eigen internationaal profiel te kiezen, maar vroeg welke minimumvereisten hiervoor gelden. In hoeverre is het een instelling te verwijten wanneer het niet lukt om voldoende toegang tot internationale ervaring te geven? Hij schatte in dat naarmate men meer samenwerkt en meer opgaat in de Europese Unie er ook meer druk zal ontstaan tot uniformering van het onderwijsstelsel. Hij vroeg een reactie op zijn stelling dat de unieke structuur van het Nederlandse bestel, het binaire stelsel, veiliggesteld moet worden.

De minister wees erop dat in het HOOP expliciet is aangegeven dat er een duidelijk onderscheid tussen het WO en het HBO moet blijven in het binaire stelsel. In de brief die binnenkort naar de Kamer zal gaan voor het overleg over het HOOP zal een stelsel van accreditatie worden voorgesteld. In Europees verband zijn grote verschillen zichtbaar. Het gaat niet om uniformering van de stelsels, maar om de vergelijking van de einduitkomsten.

De minister stond terughoudend tegenover een algemene en verdergaande differentiatie van de studiefinanciering voor studenten in het buitenland. In een aantal gevallen is al sprake van differentiëring (China, Japan). Verder wil de minister niet gaan. Hij zegde nadere informatie toe over het Nederlandse instituut voor onderwijsinnovatie en de rol van de Open Universiteit daarbij, alsmede over de international departments. Voorts zegde hij toe te bezien of een centraal expertisepunt in Nederland noodzakelijk is en of de NUFFIC daartoe mogelijkheden biedt.

Het beurzenprogramma is een belangrijk element in het stappenplan voor het hoger onderwijs. In dat kader vindt overleg plaats met de NUFFIC en het hoger onderwijs en wordt de mogelijkheid bezien van education centers of attachés. De minister verwachtte binnen enkele maanden hierover duidelijkheid te hebben en dacht aan een ingangsdatum voor het beurzenprogramma in 2000–2001.

Vanwege het grote aantal initiatieven betreffende het uitwisselen van studenten met de VS is er geen specifiek extra beleid van de Nederlandse overheid op dit terrein nodig. Het aantal Nederlandse onderzoekers die aan Amerikaanse universiteiten zijn verbonden heeft te maken met de mate waarin Nederlands onderzoek concurrerend kan zijn.

De resultaten van de evaluatie van de talenprojecten met de grenslanden door het Nationaal actiebureau moderne vreemde talen worden dit najaar verwacht. Er wordt naar gestreefd dat deze resultaten spoedig beschikbaar zijn. De minister zegde toe de Kamer te informeren over de voorstellen in de Beneluxraad betreffende het talenproject in Eupen, alsmede over de stand van zaken inzake het expertisecentrum onderwijs Nederland-Vlaanderen.

De internationalisering van het onderwijs moet passen in het algemene onderwijsbeleid, waarbij toegankelijkheid en kwaliteit essentiële voorwaarden zijn. Dit betekent dat het onderwijs toegankelijk moet zijn voor alle studenten, ongeacht hun financiële positie. Voorts mag het niet te belastend zijn voor bepaalde groepen studenten. De Onderwijsraad is hierover om advies gevraagd. De minister zag in dit verband een rol voor de inspectie. Hij zegde toe de Kamer te informeren over het project Utrecht-Lille.

De voorzitter stelde vast dat de Kamer een overzicht zal ontvangen van de beurzenprogramma's en zal worden geïnformeerd over het expertisecentrum Nederland-Vlaanderen, over de evaluatie van de talenprojecten met de grenslanden, over het Nederlands instituut voor onderwijsinnovatie, over de international departments, over de projecten in Eupen en over het project Utrecht-Lille. Voorts stelde zij vast dat een brief over de accreditatie is toegezegd voor de behandeling van het HOOP.

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Mattijssen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), ondervoorzitter, Passtoors (VVD), Van Bommel (SP), Belinfante (PvdA), Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Barth (PvdA), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Wijn (CDA), Eurlings (CDA).

Plv. leden: Stellingwerf (RPF), Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Van Baalen (VVD), Valk (PvdA), De Cloe (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), Blok (VVD), Poppe (SP), Gortzak (PvdA), Middel (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Brood (VVD), Arib (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Verhagen (CDA), Visser-van Doorn (CDA).

Naar boven