22 112
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

nr. 567
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 september 2007

Namens het Kabinet treft u hierbij een eerste reactie aan op het Groenboek «Aanpassing aan klimaatverandering in Europa – mogelijkheden voor EU-actie» (COM (2007) 354 definitief).

De Commissie constateert dat klimaatveranderingen nu al plaatsvinden en dat aanpassing noodzakelijk is. In het groenboek geeft de Commissie aan welke acties kunnen worden ondernomen en op welke niveaus. Door het groenboek heen worden vragen gesteld ter bevordering van een discussie met stakeholders en ten behoeve van aanscherping van het document. Het groenboek is vooral bedoeld om de discussie in Europa over adaptatie aan te zwengelen.

Tot eind november van dit jaar is de reactietermijn voor de consultatie over het groenboek open. Deze kabinetsreactie dient als uitgangspunt voor de Nederlandse inbreng in deze consultatieperiode.

De minister van Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. M. Cramer

Kabinetsreactie Groenboek «Aanpassing aan klimaatverandering – mogelijkheden voor EU actie»

Aanleiding

Eind juni heeft de Commissie het groenboek Adaptatie gepubliceerd (COM (2007) 354 definitief). Via deze kabinetsreactie wordt de Tweede Kamer over dit groenboek geïnformeerd.

Het kabinet is verheugd over het initiatief van de Commissie om een groenboek over adaptatie uit te brengen. De Commissie geeft daarmee aan dat klimaatbeleid dat zich uitsluitend richt op mitigatie van broeikasgasemissies (het voorkomen van klimaatverandering) een te beperkte benadering is. Zowel mitigatie als adaptatie zijn belangrijke facetten van het klimaatbeleid die ons in staat moeten stellen op een duurzame wijze met klimaatverandering om te gaan. Het kabinet acht het van belang dat goed gekeken wordt naar de wisselwerking tussen mitigatie en adaptatie: waar kunnen deze facetten elkaar versterken en valt efficiencywinst te halen, waar zijn maatregelen mogelijk tegenstrijdig.

Inleiding

De Commissie laat in dit groenboek terecht zien dat aanpassing aan klimaatverandering een grote uitdaging vormt voor de Europese Unie en de lidstaten. De analyse in het Groenboek geeft helder aan welke sectoren en gebieden van de EU het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering en dat er derhalve reden is voor bezorgdheid. Zo geeft de Commissie bijvoorbeeld aan dat kustzones als gevolg van de stijging van de zeespiegel in combinatie met een verhoogd stormrisico zeer kwetsbaar zijn. Ook noemt de Commissie economische sectoren die sterk afhankelijk zijn van de klimaatomstandigheden en daarom rechtstreeks de gevolgen dreigen te ondervinden van klimaatverandering op hun activiteiten en omzet: landbouw, bosbouw, visserij, strand- en skitoerisme. Het kabinet verwelkomt deze analyse als constructieve bijdrage aan de ontwikkeling van beleid op een voor Nederland zeer belangrijk terrein.

Het Groenboek komt voor het kabinet op een gunstig moment. In het kader van het Nationaal Programma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK), gestart in 2006, wordt gewerkt aan de totstandkoming van een Adaptatie Strategie. De Adaptatie Strategie wordt in het najaar van 2007 aan de Tweede Kamer gestuurd. In deze strategie zijn uitgangspunten, leidende principes, dilemma’s en voorstellen voor nadere actie geformuleerd om de ruimtelijke inrichting van Nederland aan te passen aan veranderende klimaatomstandigheden. Voor het beoordelen van de aanbevelingen en uitspraken van de Commissie uit het groenboek, vormt deze strategie een belangrijke basis.

Rol EU/subsidiariteit

In het Groenboek wordt een viertal pijlers geïdentificeerd, namelijk intern EU beleid, internationaal beleid, kennisuitwisseling en dialoog. Deze pijlers vormen opties voor een flexibele benadering van het adaptatievraagstuk. Hiermee wordt aangegeven waar de EU een rol voor zichzelf ziet weggelegd, aanvullend op en ondersteunend aan de rollen en verantwoordelijkheden die lidstaten zelf hebben. De Commissie geeft aan dat zij vooral een rol voor de Europese Unie ziet weggelegd op de volgende punten:

• Mainstreamen van adaptatie in eigen EU beleid op vele terreinen, oftewel het integreren van adaptatie in de volle breedte van het EU-beleid;

• adaptatie als onderdeel van EU financieringsprogramma’s en het externe optreden van de EU;

• faciliteren in kennisuitwisseling en afstemmen onderzoeksagenda;

• coördinatie van adaptatiemaatregelen daar waar een grensoverschrijdende aanpak nodig is.

Het streven van de EU om in haar eigen beleid aandacht te besteden aan aanpassing aan klimaatverandering, ziet het kabinet als positief. Ook in Nederland ziet het kabinet het mainstreamen van adaptatie in overheidsbeleid als een belangrijke uitdaging. De EU wil onderzoeken in welke mate klimaatverandering terugkomt in bestaande financieringsprogramma’s en is voorstander van aanpassing van die programma’s – indien noodzakelijk – en niet van de introductie van separate programma’s voor adaptatie. Het kabinet deelt de mening dat financiële ondersteuning van het adaptatiebeleid in bestaande EU-programma’s gevonden moet worden en stemt daarom in met het onderzoek. Het kabinet zal aanpassingsvoorstellen te zijner tijd beoordelen op onder meer subsidiariteit en op het uitgangspunt dat, voor zover dit cohesiegeld betreft, dit aan de armere lidstaten ten goede dient te komen. Een andere vraag is hoe klimaatbestendigheid als randvoorwaarde aan projecten kan worden meegegeven. Ook faciliteren in kennisuitwisseling wordt positief gezien, waarbij de kanttekening wordt gezet dat dit complementair moet zijn aan datgene wat al gebeurt aan kennisuitwisseling in lidstaten zelf. Wat betreft de coördinatie van adaptatiemaatregelen bij grensoverschrijdende aanpak: het kabinet kan deze algemene lijn onderschrijven. Specifiek voor het punt water wordt dit al ondervangen door de bestaande richtlijnen en zijn er grensoverschrijdende riviercommissies.

Maatwerk/proportionaliteit

Terecht constateert de Commissie dat adaptatie om maatwerk vraagt, aangezien de gevolgen van klimaatverandering zich in Europa zeer verschillend manifesteren. In het Groenboek wordt benadrukt dat aanpassing aan klimaatverandering op alle schaalniveaus om maatregelen vraagt. Lokale, regionale, nationale overheden en de Europese Unie hebben allemaal hun eigen rol. De Commissie neemt het «multi level governance» principe als uitgangspunt. Dit houdt in dat de Commissie sterk kijkt hoe de verschillende bestuurslagen en de verschillende actoren zoals individuele burgers complementair aan elkaar acties kunnen ondernemen. De Commissie laat daarmee veel ruimte voor initiatief open. Het kabinet staat achter nadere uitwerking van dit complexe principe aan de hand van het vraagstuk van adaptatie en zal daar ook zelf op inzetten.

Rol Lidstaten en andere overheden

De Commissie geeft als voorbeeld van multilevel level governance aan dat op nationaal niveau vooral ingezet zou moeten worden op verbetering van het beheer van rampen en crisissituaties en ontwikkeling van aanpassingsstrategieën. Nederland is reeds op beide terreinen actief via het opstellen van een rijksbrede veiligheidsstrategie en de nationale adaptatiestrategie ruimte en klimaat (ARK). Het kabinet heeft besloten een rijksbrede veiligheidsstrategie op te stellen om alle inspanningen op het gebied van nationale veiligheid effectief te kunnen richten. In 2007/8 wordt met voorrang gewerkt aan onder andere klimaatverandering.

De Commissie laat verder bewust in het midden hoe de rolverdeling zou moeten zijn tussen overheden, gezien de grote variëteit aan bevoegdheidsverdeling tussen nationaal en regionaal/lokaal niveau in de lidstaten. Het kabinet vindt dit een verstandige aanpak.

Het kabinet is van mening dat adaptatie bij uitstek om regionale/lokale oplossingen vraagt: aanpassing aan klimaatverandering vereist maatwerk en dat kan bij uitstek op deze schaalniveaus geleverd worden. Daarnaast is het uiteraard van belang dat deze oplossingen geplaatst kunnen worden in regionaal en nationaal overstijgend kader. De wisselwerking tussen verschillende schaalniveaus is in het kader van adaptatie essentieel. Internationale generieke normen stellen (zoals bij mitigatie gebruikelijk) is in het kader van adaptatie niet wenselijk, maar laat onverlet dat individuele richtlijnen zullen moeten worden gecheckt op hun klimaatbestendigheid (mainstreaming). Het groenboek laat zien dat ook de Commissie dit inziet.

Reactie op de genoemde pijlers

Het groenboek besteedt aandacht aan een viertal pijlers waarvan de 1e pijler het meest omvangrijk is. Onderstaand wordt ingegaan op de pijlers en de verschillende sectoren die aan de orde komen in het groenboek.

Pijler 1: Vroegtijdige reactie in de EU

Integratie in bestaand en toekomstig beleid

Het groenboek stelt dat de EU via haar beleid grote invloed heeft op klimaatgevoelige sectoren zoals de landbouw en het platteland, de natuur, de inrichting en ontwikkeling van gebieden, de energievoorziening, waterbeleid, visserij, gezondheidsbeleid, industrie en dienstensector, etc. Het gaat daarbij zowel om directe, beoogde, effecten als om indirecte, neveneffecten. De focus van de Commissie ligt daarom bij het mainstreamen. Het mainstreamen van het adaptatiebeleid betekent dat de discussie over adaptatie binnen alle EU-beleidsvelden/sectoren plaats zal vinden. Het kabinet onderschrijft het belang hiervan, maar voegt eraan toe dat ook tussen sectoren afwegingen moeten worden gemaakt. Wat voor de ene sector positief uitpakt, kan voor de andere sector juist negatieve effecten hebben. Een gecoördineerde inbreng vanuit de Nederlandse regering in al deze sectoren is cruciaal. Hieronder worden de verschillende sectoren toegelicht.

Ruimtelijke Ordening

Ruimtelijke ordening is een horizontaal thema dat in sectoraal beleid terugkomt. Het is geen separaat thema in het groenboek, maar op verschillende plekken in het groenboek laat de Commissie zien dat ruimtelijk beleid wat haar betreft een belangrijke rol speelt bij het realiseren van adaptatiemaatregelen. Het kabinet zit op dezelfde lijn. De Nederlandse adaptatiestrategie ruimte en klimaat (ARK) stelt dat klimaatadaptatie een van de grootste uitdagingen is van de ruimtelijke ordening in de 21e eeuw. Het coalitie akkoord stelt dat water een dominant structurerend element is van de inrichting van Nederland. Dit uitgangspunt heeft het kabinet verder geoperationaliseerd in het beleidsprogramma in pijler 3, «een duurzame leefomgeving»: «klimaatbestendige ruimtelijke inrichting van Nederland waarbij water een meer bepalende factor is bij ruimtelijke afwegingen, inclusief locatiekeuzes. Meer ruimte voor herstel van natuurlijke processen (bodem, water en natuur)». In het kader van de uitwerking van het beleidsprogramma zal het kabinet uitgangspunten formuleren voor een klimaatbestendige ruimtelijke inrichting van Nederland. Zij zal bovendien een afwegingskader opstellen voor locatiekeuzes en inrichting van grootschalige projecten, gebiedsontwikkelingen en investeringsprogramma’s, ten behoeve van het vergroten van de klimaatbestendigheid van ons land, c.q. het verkleinen van de kwetsbaarheid van ons land. Daarbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de bodem in relatie tot ecosysteemfuncties en ruimtelijke functies.

De Commissie noemt in het groenboek dat het stellen van minimumeisen aan ruimtelijke ordening, bodemgebruik en herbestemming met het oog op klimaatverandering een positieve rol speelt bij bewustwording. Het kabinet vindt ruimtelijk beleid een bevoegdheid van nationale overheden en is van mening dat de keuze van het wel of niet stellen van dergelijke minimumeisen bij uitstek een verantwoordelijkheid is van de lidstaten zelf. De Commissie hoeft hier geen aanvullende regelgeving voor te ontwikkelen.

Landbouw en plattelandsontwikkeling

De Commissie streeft naar verdere integratie van adaptatie in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, zowel in de eerste pijler (markt- &prijsbeleid en directe inkomenssteun) als in de tweede pijler (plattelandsontwikkeling). Het is aan de lidstaten om gebruik te maken van de mogelijkheden die de plattelandsontwikkelingsprogramma’s bieden om aanpassingen in het landgebruik te stimuleren. Het kabinet onderkent dat de landbouw zich zal moeten aanpassen aan klimaatverandering en dat de landbouw een bijdrage kan leveren aan het klimaatbestendig maken van een gebied. Dit kan enerzijds door het stimuleren van een meer duurzame landbouw die actief gebruik maakt van ecosysteemdiensten. Het kabinet en de landbouwsector werken hier bijvoorbeeld samen aan in het Stimuleringsprogramma Agrobiodiversiteit en Duurzaam Bodembeheer. Anderzijds kan dit door het leveren van diensten van de landbouw aan de maatschappij, zoals bijvoorbeeld waterberging. Dit is in lijn met de wens van de Commissie om met name in de landbouw een omslag te creëren naar meer duurzaam waterbeheer.1

Het kabinet is van mening dat het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid hierin een faciliterende rol kan spelen met name via de tweede pijler van het GLB, het plattelandsontwikkelingsprogramma. Onderzocht moet worden op welke manier het GLB een bijdrage kan leveren aan het klimaatbestendig maken van productieprocessen, gebieden, ecosystemen en habitats. Het is mogelijk dat het thema klimaatadaptatie een rol speelt in de discussie over de «health check» van het GLB later dit jaar. Het regeerakkoord biedt het kader voor de Nederlandse inzet voor de «health check» van het GLB.

Industrie en diensten

De Commissie geeft aan dat zij in de komende tussentijdse evaluatie zal onderzoeken hoe het industriëel beleid kan bijdragen tot aanpassing aan klimaatverandering. Als vervolg hierop zal de Commissie begin 2008 komen met een actieplan. Het kabinet acht het van groot belang dat ook klimaatadaptatiebeleid samen met het bedrijfsleven ter hand genomen wordt. Niet alleen omdat er van het bedrijfsleven inspanningen gevraagd worden, maar vooral omdat het ondernemers in staat dient te stellen een sterke positie op de mondiale groeimarkt voor duurzame producten, diensten en technologieën te verwerven.

Energie

Het kabinet ondersteunt de visie van de Commissie die stelt dat beleid gericht op klimaatbestrijding in overeenstemming moet zijn met beleid voor klimaatadaptatie. Het kabinet ondersteunt de plannen die de Commissie noemt wat betreft klimaatbeleid, energiebesparing en inzet van duurzame energie. Deze plannen ondersteunen de reeds bekende ambitieuze doelstellingen van het kabinet. Voor CO2-reductie, energiebesparing en inzet duurzame energie worden plannen uitgewerkt (Schoon en zuinig). Daarnaast vindt het kabinet het ook belangrijk dat aandacht wordt gegeven aan energiezekerheid en aan de gevolgen van de toename van biomassaproductie voor ecosystemen en voedselproductie.

Wat in het groenboek opvalt is de sterke nadruk op technische innovatie. Technische innovatie zal zeker nodig zijn maar een eenzijdige nadruk hierop gaat voorbij aan de mogelijkheden die nu al tegen geringe kosten met beschikbare technieken zijn te bereiken. Het kabinet zal er bij de Europese Commissie op aandringen bij de uitwerking meer aandacht hieraan te besteden.

Vervolgens werkt de Commissie uit hoe in gebouwen aanpassing aan klimaatverandering en vermindering van energieverbruik hand in hand kunnen gaan en kondigt de Commissie aan om de richtlijn energieprestatie gebouwen hiervoor te willen herzien. Het kabinet wil eerst meer inzicht in deze relatie en of herziening van de richtlijn energieprestatie gebouwen het beste instrument is om dit probleem aan te pakken.

Vervoer

Het kabinet zet in op transportzekerheid van vervoer over water en via de lucht in het kader van onze internationale concurrentiepositie. Wat betreft het personen- en goederenvervoer is het volgens het kabinet van belang dat ook onder andere klimaatomstandigheden de betreffende vervoersnetwerken goed kunnen functioneren. Niet alleen in het licht van onze internationale concurrentiepositie, maar ook in het geval van eventuele calamiteiten. Daarbij zijn we ook afhankelijk van onze buurlanden en andere lidstaten. Tracees voor wegen en rails kunnen mogelijk daarnaast in toenemende mate fungeren als waterkering. Wat betreft de binnenvaart zet het kabinet in op een andere scheepsontwerp en het verbeteren van de weers- en waterstandsinformatie. Daarnaast is er nog onderzoek nodig per stroomgebied zoals de Rijn om de gevolgen van klimaatverandering voor de binnenvaart in beeld te krijgen. Waar een richtsnoer gewenste verduidelijking in interpretatie kan leveren binnen het bestaande communautaire kader ten behoeve van havenautoriteiten en beheerders van drijvende/varende infrastructuur kan het een nuttig instrument zijn.

Gezondheid

De Europese Commissie neemt zich voor in 2008 een mededeling aan te nemen die ingaat op mogelijke negatieve gezondheidsaspecten van klimaatverandering. In de mededeling zal een kader worden aangereikt voor de bestrijding van de effecten van klimaatverandering op de gezondheid van mens en dier. Het kabinet wacht de mededeling af. Nederland heeft reeds een hitteplan opgesteld om gezondheidsschade door langdurige periode van hitte te voorkomen.

Water

Voor een verantwoord integraal waterbeheer wijst het Groenboek op de Kaderrichtlijn Water als belangrijk instrument. Van groot belang vindt de Commissie het toepassen van economische prikkels, met name het in de Kaderrichtlijn opgenomen principe «de gebruiker betaalt» voor alle sectoren, om overexploitatie en inefficiënt gebruik van watervoorraden en waterverbruik terug te dringen. Het kabinet onderschrijft dit principe.

Het Groenboek zegt dat voorgestelde wetgeving voor beoordeling en beheersing van overstromingsrisico’s prioriteit geeft aan «zachte maatregelen»: maximaal gebruik maken van natuurlijke processen (wetlands, retentie, watervasthoudend vermogen van de bodem), duurzaam landgebruik en ruimtelijke ordening. Dit lijkt in tegenspraak te zijn met het in maart 2007 bereikte akkoord over de nieuwe richtlijn voor hoogwaterbescherming. Deze vraagt wel nadrukkelijk aandacht voor «zachte» maatregelen maar geeft er geen prioriteit aan. Voor Nederland zijn ook «harde» waterkeringen, zoals dijken, belangrijk. Deze zijn in Nederland en op vele andere plaatsen in Europa onmisbaar. Wat niet wegneemt dat «zachte» maatregelen veel aandacht krijgen in het Nederlandse beleid, waarin de risicobenadering, het principe «ruimte voor natuurlijke processen» en het uit kostenoogpunt zoveel mogelijk aansluiten bij (stedelijke) herstructureringsprocessen leidend zijn. Bij het beleid gericht op de afvoer van regenwater in bestaand stedelijk gebied gaat het naast het lokaal zoveel mogelijk terugbrengen van het regenwater in de bodem of in oppervlaktewater bijvoorbeeld ook om het aanbrengen van doorlatende verharding of het hergebruiken van water (in de glastuinbouw wordt regenwater ingezet als gietwater).

Een belangrijk aandachtspunt voor het kabinet is dat het groenboek geen onderscheid maakt in korte en lange termijn maatregelen: het maakt niet duidelijk welke maatregelen op korte of lange termijn urgent zijn.

Over waterschaarste en droogte heeft de Commissie 18 juli 2007 een mededeling uitgebracht. Een duurzaam beheer van de (water)vraag middels een doeltreffend prijsbeleid, waterbesparing als prioriteit en efficiëntie in sectoren vergroten zijn nu al de essentiële elementen van de aanpak van de EU. De Tweede Kamer is door middel van een BNC-fiche separaat over deze mededeling geïnformeerd.

Zeeën en visserij

De Commissie ziet de uitvoeringsplannen en -programma’s die in de toekomst zullen moeten worden opgesteld ter implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie als een integratiekader voor de zee voor maatregelen ter bestrijding van en aanpassing aan klimaatverandering. Het kabinet vindt het van belang dat naast deze uitvoeringsplannen en -programma’s in EU kader integratie en coherentie met andere op zee van toepassing zijnde wet- en regelgeving, zoals het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, de Vogelrichtlijn en de Habitatrichlijn wordt nagestreefd. In dit verband is ook de verdere invulling van het Europees Maritiem Beleid (follow up van het hierover uitgebrachte Groenboek) van belang. In de Nederlandse praktijk is reeds een begin gemaakt met een integrale benadering van het beheer van de (kust)zee middels het in december 2005 door het kabinet vastgestelde Integraal Beheerplan Noordzee 2015.

De Commissie is van mening dat de effecten van klimaatverandering moeten worden meegenomen in het gemeenschappelijke visserijbeleid. Het kabinet staat hier positief tegenover. Zij vraagt zich hierbij wel af of er op dit moment voldoende kennis is over de relatie tussen klimaatverandering, het functioneren van mariene en zoetwaterecosystemen en visbestanden. Meer onderzoek op dit terrein is daarvoor nodig.

Ecosystemen en biodiversiteit

Het kabinet is zeer verheugd dat in het Groenboek aandacht besteed wordt aan het belang van ecosystemen, biodiversiteit en ecosysteemdiensten in relatie tot klimaatverandering. Het kabinet deelt de zorg van de commissie over de invloed van de klimaatverandering op ecosystemen. De mens is juist voor zijn welvaart en welzijn afhankelijk van biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen en de stroom van maatschappelijke diensten die ecosystemen ons leveren. Belangrijk is dat ecosystemen voldoende robuust en flexibel zijn om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Op Europees niveau betekent dit dat deze robuustheid en flexibiliteit voor het Natura 2000 netwerk verzekerd moeten zijn. Dit dient in het kader van de review van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn onderzocht te worden of op de politieke agenda geplaatst te worden. In het bijzonder is hier de relatie met artikel 10 van de Habitatrichtlijn relevant. Dit artikel is gericht op het verzekeren van de connectiviteit van het Natura 2000 netwerk. Tot nu toe is geen praktisch gevolg gegeven aan dit artikel. Nederland en België hebben dit in het verleden in het Habitatcomité wel bepleit. Het kabinet zal zorg dragen dat dit pleidooi wederom onderdeel is van de Nederlandse bijdragen m.b.t. de review van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Ook buiten de beschermde gebieden (Natura 2000 en EHS) op het platteland en in het mariene milieu is de kwaliteit van ecosystemen, hun veerkracht en functionaliteit van groot belang. Ecosysteemdiensten vormen een belangrijke basis van onze economie en de realisatie van allerlei maatschappelijke doelen, zoals het realiseren van een duurzame landbouw, drinkwaterwinning, waterberging en bescherming tegen extreme weersomstandigheden. De Commissie onderstreept weliswaar het belang van gezonde ecosystemen en ecosysteemdiensten, maar geeft nog geen concrete maatregelen aan hoe deze ecosysteemdiensten duurzaam benut kunnen worden. Het kabinet maakt zelf werk van deze uitwerking via het Stimuleringsprogramma Agrobiodiversiteit en Duurzaam Bodembeheer. Tezelfdertijd bepleit het kabinet ruimere aandacht voor dit thema op Europees niveau, door de ontwikkeling van indicatoren en monitoring, modellering van de effecten van klimaatverandering en het beter tot uitdrukking laten komen van de schaarste van biodiversiteit en gerelateerde ecosysteemdiensten in de prijzen van goederen in de verschillende economische sectoren.

Transversale thema’s

In het Groenboek wordt hier voorgesteld om de Richtlijn Strategische Milieubeoordeling te wijzigen om de klimaatbestendigheid van plannen en grote projecten te beoordelen. Daarbij legt de Commissie een relatie tussen de SMER en het internaliseren van milieukosten. Deze plannen van de Commissie met betrekking tot de MER en de SMER en de internalisering van milieuschade kunnen vergaande gevolgen hebben, en zijn voor de Nederlandse regering moeilijk te beoordelen zonder een nadere toelichting van hetgeen de Commissie beoogt. Het kabinet zal daarom ook zelf onderzoeken in hoeverre de MER en de SMER aangepast zouden moeten worden in het kader van adaptatie en daarover haar standpunt formuleren.

De Commissie stelt mogelijk richtsnoeren voor voor een geïntegreerd beheer van de kustgebieden. Mits niet bindend, passen deze in de follow-up van het Integrated Coastal Zone Management (ICZM).

Ontwikkeling nieuw beleid

In 2009 moet voor al het EU-beleid systematisch zijn nagegaan in hoeverre het beleid klimaatbestendig is. Als voorbeelden noemt het groenboek de bouwregelgeving en klimaatbestendige gewassen. Een EU aanpak is wenselijk vanwege het level-playing field, waardoor iedere lidstaat met dezelfde regelgeving te maken heeft en de interne markt niet wordt verstoord door verschillende nationale eisen. Tegelijkertijd moeten de mogelijkheden om daarbinnen maatwerk te kunnen leveren gegarandeerd blijven.

Pijler 2: Aanpassingen integreren in het externe optreden van de EU

Terecht constateert het Groenboek dat de ontwikkelingslanden het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering. De EU stelt voor de periode 2007–2010 € 50 mln. beschikbaar en zal een Global Climate Change Alliance instellen. Ook in dit geval is het streven om adaptatie te integreren in ontwikkelingssamenwerking. De acties van de EU kunnen onder meer een follow-up behelzen voor de NAPA’s (National Adaptation Programmes of Action) in de vorm van concrete proefprojecten, met name met het oog op de integratie van aanpassingsactiviteiten in de belangrijkste sectorale beleidstakken. Het kabinet ziet graag dat de EU een ambitieus adaptatieprogramma neerzet en adaptatie koppelt aan de ontwikkelingsplannen (Poverty Reduction Strategy Papers) van ontwikkelingslanden. Als de EU en de lidstaten in het kader van ontwikkelingssamenwerking investeringen doen, dan moeten zij daarbij rekening houden met het thema klimaatadaptatie. Dit betekent dat er bij investeringen rekening wordt gehouden met de gevolgen van en voor klimaatverandering. Het kabinet is bereid om ontwikkelingslanden, vooral de meest kwetsbare, verder en intensiever te ondersteunen bij vermindering van hun kwetsbaarheid en bij aanpassingen aan klimaatverandering. Juist in ontwikkelingslanden is de gezondheid van ecosystemen essentieel voor het vermogen van een land om zich aan te kunnen passen aan klimaatverandering. Via productie- en consumptiepatronen oefenen EU landen invloed uit op de toestand van de ecosystemen in ontwikkelingslanden. Het is daarom van belang toe te werken naar duurzaam gebruik van biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen. Op mondiale schaal is het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD) hiervoor een belangrijk forum. Ten slotte is het van belang dat men zich realiseert dat ecosystemen ook bijdragen aan de regulering van klimaat en dat verstoring van deze ecosystemen de klimaatverandering zou kunnen versnellen.

Pijler 3: Vermindering van de onzekerheden door verbreding van de kennisbasis via geïntegreerd klimaatonderzoek

Het kabinet verwelkomt deze aandacht voor kennisontwikkeling. Het belang van betrouwbare wetenschappelijke gegevens voor de ontwikkeling van klimaatbeleid is evident. Het inzicht in het klimaatsysteem is al aanzienlijk verdiept, maar er blijven nog bepaalde onzekerheden bestaan, met name waar het gaat om zeer nauwkeurige en gedetailleerde voorspellingen van de effecten van klimaatverandering op regionaal en plaatselijk niveau en de kosten en baten van aanpassingsmaatregelen. Verder onderzoek, kennisuitwisseling en beschikbaar stellen van databases, methodiekontwikkeling moeten bijdragen aan de gewenste verbreding van de kennisbasis. In het Groenboek wordt een veelheid aan acties op dit gebied benoemd. Het kabinet zal nader bekijken op welke gebieden extra onderzoek opportuun is. Voor de lidstaten, bedrijven en maatschappelijke organisaties is het van belang dat de kennis goed te ontsluiten is en dat helder is welke acties er allemaal plaatsvinden. Nederland is al actief in kennisontwikkeling en kan dan ook een bijdrage leveren aan het bredere Europese onderzoek.

Pijler 4: De hele Europese samenleving, het bedrijfsleven en de overheidssector betrekken bij de voorbereiding van gecoördineerde, allesomvattende aanpassingsstrategieën.

Terecht wordt erop gewezen dat adaptatie structurele gevolgen heeft voor bepaalde (weerafhankelijke) economische sectoren (land- en bosbouw, energie, water, visserij, toerisme) en gebieden (havens, kustgebieden, stroomgebieden en berggebieden). Er is een gestructureerde dialoog noodzakelijk met allerhande partijen om deze uitdaging systematisch te onderzoeken. Overwogen wordt daarom om een zgn. European Advisory Group for Adaptation to Climate Change in te stellen. Deze groep krijgt tot taak om gedurende een jaar de dialoog te organiseren. Het kabinet ondersteunt de instelling van deze groep en de ontwikkeling van een overkoepelende visie of advies op het gebied van kennis, beleidsontwikkelingen, betrokkenheid sectoren of bewustwording maatschappij. Het kabinet heeft daarbij als aandachtspunt dat deze groep aanvullend moet functioneren op de vele concrete initiatieven die lopen en de reeds bestaande kaders.

Vervolgstappen

Tot eind november van dit jaar is de reactietermijn voor de consultatie over het groenboek open. Deze kabinetsreactie dient als uitgangspunt voor de Nederlandse inbreng in deze consultatieperiode.


XNoot
1

Communication from the European Commission to the European Parliament and the Council, Addressing the challenge of water scarcity and droughts in the European Union, COM (2007) 414 final.

Naar boven