21 563
Overbelevering van gas aan Brigitta uit de Common Area van het Groningenveld

nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 juli 1996

In aanvulling op mijn laatste brief van 19 augustus 1993 alsmede op mijn overige informatieverstrekking aan u, ondermeer in de vorm van beantwoording van vragen over dit onderwerp, deel ik u het volgende mede.

Samenvatting

In de reeds lang lopende arbitrageprocedure tussen NAM en Brigitta (respectievelijk Nederlands en Duits concessionaris in het overloopgebied van de Eems-Dollard (de zgn. Common Area)) hebben de arbiters zeer onlangs een tussenvonnis gewezen1. Dit vonnis komt er op neer dat Brigitta een bedrag van circa f 3 mld (2,3 mld DM plus rente) aan NAM moet betalen en dat voor het overige partijen moeten onderhandelen dan wel de arbitrageprocedure wordt voortgezet. Hierna wordt een en ander nader toegelicht.

Toelichting

Een deel van het Groningenveld is gelegen in het door Duitsland en Nederland omstreden grensgebied in de Eemsmonding. In het Aanvullende Verdrag op het Eems-Dollard Verdrag hebben Duitsland en Nederland een regeling getroffen voor de opsporing en winning van olie en gas. De essentie van deze regeling is dat Duitsland en Nederland elkaar gelijke rechten toekennen op eventueel aanwezige olie- en gasreserves in het betreffende grensgebied. Aan de Nederlandse kant van de grens is in 1963 aan NAM de concessie «Groningen» verleend. NAM houdt deze concessie voor rekening en risico van een maatschap, waarin NAM voor 60% en Energie Beheer Nederland (EBN) voor 40% een belang heeft. EBN houdt dit belang voor de Staat. Aan de Duitse kant is aan Brigitta de «Groothusen»concessie verleend. Beide concessies overlappen elkaar in het gebied van de Eemsmonding, waar over het verloop van de staatsgrens geen overeenstemming bestaat (de zgn. Common Area). In 1966 sloten NAM en Brigitta een Overeenkomst van Samenwerking en een Bedrijfsvoeringsovereenkomst. Deze overeenkomsten zijn door de Nederlandse en de Duitse overheid goedgekeurd. De Overeenkomst van Samenwerking regelt onder andere de berekening en periodieke herberekening van de gasreserves in de Common Area. In de Bedrijfsvoeringsovereenkomst is onder meer overeengekomen dat NAM met gebruikmaking van de door NAM op het land geïnstalleerde produktiefaciliteiten het aardgas, waar Brigitta naar het oordeel van partijen aanspraak op kon maken, zou produceren en leveren. Afgesproken werd dat NAM het gas waarop Brigitta recht had vóór 1 januari 1992 zou leveren en dat de definitieve schatting van de reserves vóór 1989 moest worden gestart. Partijen zijn overeengekomen dat NAM en Brigitta ieder recht hebben op de hoeveelheid aardgas, die overeenkomt met de helft van de geschatte hoeveelheid aardgas, die in het Common Area-gebied oorspronkelijk aanwezig en winbaar was.

In de Bedrijfsvoeringsovereenkomst was voorzien dat regelmatig nieuwe reserveschattingen gemaakt zouden worden. Deze reserveschattingen resulteerden in drie achtereenvolgende annexen bij de Overeenkomst van Samenwerking in 1974, 1978 en 1981. Deze reserveschattingen zijn telkens aan de respectieve overheden voorgelegd en door hen goedgekeurd.

Partijen hebben hun eigen analyses gemaakt van alle uit seismiek en boringen verkregen gegevens en hebben hun analyses vergeleken. Na intensief en langdurig overleg is tussen partijen in 1991 overeenstemming bereikt over de finale raming van de reserves, hetgeen door NAM en Brigitta formeel in een overeenkomst is vastgelegd. Op grond van de finale raming is geconcludeerd dat NAM aan Brigitta 20 miljard m3 aardgas te veel heeft geleverd. De finale raming van de reserves is op 2 september 1991 en op 6 juli 1992 door respectievelijk de Nederlandse en Duitse overheid goedgekeurd.

In het zogenaamde Second Amendment bij de eerder genoemde Bedrijfsvoeringsovereenkomst is een compensatieregeling opgenomen, waarin, voor het geval er sprake is van overbelevering, is vastgelegd op welke wijze compensatie voor overbelevering van aardgas dient plaats te vinden. In deze overeenkomst wordt voorts verwezen naar de zogenaamde Loyalty Clause, die ziet op wijziging of aanvulling van bestaande contracten in geval van omstandigheden, die niet voorzien zijn.

Brigitta heeft zich in het overleg over de toepassing van de compensatieregeling in het Second Amendment op het standpunt gesteld dat het Second Amendment niet geldig is. Nadat pogingen om via overleg een oplossing te vinden voor het geschil op niets waren uitgelopen, heeft NAM, conform de geschillenregeling van de Bedrijfsvoeringsovereenkomst in 1991 arbitrage ingesteld tegen Brigitta door het indienen van een arbitragerekest bij het ICC International Court of Arbitration in Parijs. Na een eerste uitwisseling van standpunten door partijen, zijn volgens de regels van het ICC Court of Arbitration te Parijs mede op voordracht van partijen drie arbiters benoemd, die het verdere verloop van de arbitrage hebben bepaald. Na een uitwisseling van schriftelijke stukken, het horen van getuigen en de pleidooien van advokaten van partijen hebben arbiters in oktober 1995 aangegeven dat partijen in de zomer van 1996 een arbitraal vonnis tegemoet konden zien.

Arbiters hebben op 28 juni 1996 in de onderhavige zaak een tussenvonnis gewezen. Dit vonnis is op 8 juli 1996 aan partijen uitgereikt.

Arbiters hebben allereerst vastgesteld dat het Second Amendment geldig is. Voorts hebben zij Brigitta's stelling dat deze alleen verplicht zou zijn tot restitutie in gas afgewezen. Er dient dus in cash betaald te worden.

Tevens hebben arbiters geoordeeld dat de Duitse moeders van Brigitta, Deutsche Shell AG en Esso AG, ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van Brigitta jegens NAM.

Het bedrag van de uiteindelijk te betalen compensatie dient te worden bepaald onder toepassing van de hiervoor genoemde Loyalty Clause. Daarbij hebben arbiters een aantal aanwijzingen gegeven met betrekking tot de toepassing van deze clausule, zodat partijen zo mogelijk via onderhandelingen een regeling in der minne kunnen bereiken.

Partijen zullen uiteraard allereerst het vonnis nader bestuderen en bezien of via onderhandelingen tot een minnelijke regeling kan worden gekomen. Daarbij gaat het met name om de betekenis van de Loyalty Clause, die voorziet in een afweging van de voor- en nadelen van beide partijen als gevolg van de overbelevering. Indien een regeling in der minne niet mogelijk blijkt, zal de arbitrage voortgezet worden. Arbiters hebben reeds aangegeven dat er een hoorzitting over het verdere verloop van de procedure wordt gehouden in de periode van 2 tot 14 december 1996.

Daarenboven hebben arbiters op grond van hun oordeel over de door partijen ingenomen standpunten beslist dat Brigitta in ieder geval een bedrag van 2328 miljoen DM plus rente ter hoogte van de Diskontsatz van de Deutsche Bundesbank, vermeerderd met 2% per jaar over de periode tussen 2 mei 1991 en de datum van betaling (te zamen circa 3¾ miljard gulden) aan NAM moet betalen. Arbiters zullen een nader vonnis vaststellen met betrekking tot deze betaling op basis van door partijen overeen te komen betalingsvoorwaarden. Partijen hebben tot 1 oktober 1996 de tijd gekregen hierover overeenstemming te bereiken. Wanneer zij daar niet in slagen zullen arbiters, na partijen daarover gehoord te hebben, de betalingsvoorwaarden, op te nemen in het nadere vonnis, zelf vaststellen.

Voor de goede orde zij benadrukt, dat het hier geen betaling betreft aan de Staat. Dit punt vormt onderwerp van nader overleg met de NAM; het zal u overigens duidelijk zijn, dat – bij toepassing van het gebruikelijke afdrachtenregime – het grootste deel van de door Brigitta c.s. aan NAM te betalen compensatie in de Schatkist terecht zal komen. Common-Areabaten vloeien met uitzondering van het aandeel vennootschapsbelasting en maximaal f 700 mln reservering voor WIR-afbouw naar het Fonds Economische Structuurversterking (FES). Deze Common-Areabaten zijn door middel van voorfinanciering reeds ingezet voor FES-projecten. De als voorfinanciering van de Common-Areabaten in het FES gestorte opbrengsten van de verkoop van staatsdeelnemingen vallen dan vrij. Deze voorfinancieringsmiddelen kunnen worden aangewend voor de daarvoor in de Memorie van Toelichting bij de FES-wet genoemde bestemmingen.

Ik vraag er uw begrip voor dat ik in het belang van de zaak mij onthoud van verder commentaar op of inschattingen omtrent de afloop van de onderhavige procedure. Zodra daartoe aanleiding is zal ik u uiteraard nader informeren.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie ter vertrouwelijke kennisneming door de leden.

Naar boven