21 501-31
Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

nr. 101
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2006

Hierbij zend ik u, mede namens Staatssecretaris Van Hoof, de geannoteerde agenda ten behoeve van de Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 1 juni 2006 te Luxemburg (onderdeel werkgelegenheid en sociaal beleid).

Het Oostenrijkse Voorzitterschap heeft dearbeidstijdenrichtlijn opnieuw geagendeerd voor een mogelijk politiek akkoord. Het Voorzitterschap zal hiertoe naar verluidt op 24 mei een voorstel doen. Mogelijk zit er beweging in de tot nog toe ingenomen posities van andere lidstaten.

Het genderinstituut staat eveneens geagendeerd voor een politiek akkoord. De verwachting is dat de Raad er wel in zal slagen overeenstemming te bereiken, maar dat er vervolgens nog moeizame onderhandelingen zullen volgen met het Europees Parlement, over o.a. de samenstelling van het bestuur en de benoemingsprocedure van de directeur.

Voor de andere dossiers die voor een politiek akkoord staan geagendeerd – Progress en de werkgelegenheidsrichtsnoeren – geldt dat er geen problemen meer zijn.

In de Raad WSBVC zal net als in alle andere raden een discussie over de Europese Strategie voor Duurzame Ontwikkeling plaatsvinden. Het Voorzitterschap zal op basis van de uitkomsten van deze raden een synthesedocument opstellen ten behoeve van de Europese Raad van juni 2006.

De richtlijn ter verbetering van de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenen staat nu voor de tweede keer op de agenda. De verwachting is dat een aantal lidstaten een interventie op dit onderwerp zal plegen, ook al staat de richtlijn niet officieel geagendeerd voor een debat.

Nederland is voorstander van het bevorderen van de arbeidsmobiliteit en staat daarom kritisch tegenover de ruime uitzonderingsgronden in de richtlijn op het recht op waardeoverdracht, waardoor de reikwijdte op dit punt beperkt blijft tot kapitaalgedekte pensioenregelingen.

Voor de overige onderwerpen op de agenda geldt dat er geen debat is voorzien.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. J. de Geus

BIJLAGE 1

GEANNOTEERDE AGENDA VAN DE RAAD VOOR WERKGELEGENHEID EN SOCIAAL BELEID, VOLKSGEZONDHEID EN CONSUMENTENZAKEN VAN 1 JUNI 2006

Onderdeel: Werkgelegenheid en Sociaal Beleid

Agendapunt: Herziening van de EU Strategie voor Duurzame Ontwikkeling: Sociale Inclusie

Aard van de bespreking: openbaar debat en instemming met SPC/EMCO-opinie

De herziening van de Europese Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (Sustainable Development Strategy – SDS) staat geagendeerd voor een openbaar debat. Het debat wordt gevoerd aan de hand van drie standaardvragen, die het Voorzitterschap aan alle betrokken vakraden heeft voorgelegd en een vierde, specifieke vraag aan de Raad WSBVC.

Het Voorzitterschap is van plan om op basis van de Commissiemededeling over de herziening van de SDS («a platform for action») en de uitkomsten van de discussies in vakraden, een voorstel voor een herziene SDS voor te leggen aan de Europese Raad van 15 en 16 juni 2006.

Daarnaast ligt er een opinie voor van EMCO en SPC over de Commissiemededeling.

Inhoud Commissievoorstel

Het voorstel voor een herziening van de SDS van de Commissie van 13 december 2005 bouwt voort op de bestaande SDS. De Commissie identificeert 6 terreinen waar actie nodig is om duurzame ontwikkeling te bevorderen:

• Klimaatverandering en energie,

• Volksgezondheid,

• Sociale uitsluiting/demografie/migratie,

• Beheer van natuurlijke hulpbronnen,

• Duurzaam transport, en

• Wereldwijde armoede en ontwikkelingsuitdagingen.

De SDS formuleert daartoe een twintigtal acties, verdeeld over de Unie, haar lidstaten, en de Commissie. Daarnaast doet de strategie voorstellen voor effectievere beleidsaanpak door te leren van elkaar, het toetsen van resultaten met behulp van indicatoren, rapportages en consultaties, alsmede het toepassen van recent ontwikkelde instrumenten voor betere regelgeving, zoals impact assessments.

Inhoud opinie SPC en EMCO

De opinie constateert dat een hoofddoelstelling van SDS het creëren van een sociaal inclusieve samenleving met meer en betere banen moet zijn. Daartoe moet de Unie een antwoord formuleren op de verschillende uitdagingen, waaronder het verhogen van de arbeidsparticipatie en de productiviteit van werk, de vermindering van armoede en de versterking van sociale cohesie en van de sociale dimensie van de SDS. De opinie gaat in dit verband onder andere in op de levensloopbenadering, de methode van open coördinatie, de betrokkenheid van personen die armoede (hebben) ervaren, en de noodzaak van consistentie tussen het interne en externe beleid van de EU.

Nederlandse opstelling

In algemene zin is Nederland te spreken over de indeling in thema’s en de actiegerichte aanpak van de Commissie. Wat betreft de paragraaf«Sociale uitsluiting, demografie en migratie» is Nederland van opvatting dat de kabinetsreactie op het Groenboek economische migratie de basis vormt, waarop Nederland de ontwikkeling van een Europees migratiebeleid beoordeelt. Meer aandacht zou mogen uitgaan naar maatschappelijk verantwoord ondernemen, de sociale dimensie van globalisering, evenals de voordelen van een succesvol werkgelegenheidsbeleid.

Nederland kan instemmen met de opinie van EMCO en SPC.

Toelichting

In juni 2001 heeft de Europese Raad van Göteborg de Europese duurzaamheidsstrategie (EU-SDS) aangenomen. De EU-SDS heeft tot doel structurele veranderingen in economie en samenleving te bewerkstelligen die bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Eens in de vijf jaar wordt de EU-SDS herzien. Een besluit hierover wordt genomen op de Europese Raad (juni 2006)

Agendapunt: Mededeling van de Commissie «implementatie van het Communautair Lissabonprogramma»: sociale diensten van algemeen belang

Aard van de bespreking: presentatie door de Commissie

De Commissie zal haar mededeling, verschenen op 26 april, presenteren. Deze mededeling is aangekondigd in het witboek diensten van algemeen belang (COM 2004) 374 van 12 mei 2004 en heeft tot doel de specifieke kenmerken van sociale diensten te identificeren en de relatie tot het Gemeenschapsrecht te verduidelijken.

Inhoud Commissiemededeling

Doel van de mededeling is om de specifieke kenmerken van sociale diensten van algemeen belang te identificeren en de relatie van deze diensten tot het EU recht te verduidelijken.

De Commissie onderscheidt twee hoofdcategorieën:

1. Wettelijke en aanvullende regelingen sociale zekerheid welke de belangrijkste risico’s van het leven behelzen;

2. Andere diensten die direct aan een persoon worden verleend en faciliterend zijn bij sociale insluiting en fundamentele rechten. Gedacht kan worden aan 1) hulp bij persoonlijke crises (zoals schulden of werkloosheid) 2) reïntegratie in de samenleving 3) integratie van mensen met langdurige gezondheidsproblemen of een handicap en 4) sociale huisvesting.

De lidstaten zijn vrij in het definiëren van het algemeen belang en de wijze waarop zij diensten van algemeen belang willen organiseren. Wel dient hierbij sprake te zijn van transparantie, het begrip algemeen belang mag niet misbruikt worden en tevens dienen de regels van het EG-verdrag in acht te worden genomen (zoals non-discriminatie en aanbestedingsregels).

Nederlandse opstelling

De Commissiemededeling kan worden beschouwd als eerste formele stap van de Commissie op het terrein van verduidelijking van de relatie van sociale diensten van algemeen belang tot het Gemeenschapsrecht. Nederland zal blijven streven naar een juiste balans tussen enerzijds het goed functioneren van de interne markt en anderzijds het beschermen van burger- en consumentenbelangen middels het waarborgen van een adequaat niveau van sociale bescherming.

Toelichting

De Commissie is voornemens een consultatie van lidstaten en alle belanghebbenden te gaan doen, om dieper in te gaan op de specifieke kenmerken van sociale diensten en hoe hiermee rekening kan worden gehouden bij het definiëren van het algemeen belang en de ervaringen met de relatie met het Gemeenschapsrecht. Ook kondigt de Commissie een tweejaarlijks rapport aan om de ervaringsuitwisseling en kennisvergroting te stimuleren. Op basis van een eind 2007 te verschijnen rapport en de consultatie wil de Commissie bezien op welke wijze een vervolg kan worden gegeven aan het proces, waarbij ook de noodzaak en mogelijkheid van wetgeving wordt bezien.

Agendapunt: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ten behoeve van de toepassing van Verordening nr. 883/04 van de Raad betreffende de coördinatie van socialezekerheidsregelingen, ter vervanging van de huidige Toepassingsverordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, en de bijbehorende Bijlage XI

Het Commissievoorstel voor de Toepassingsverordening – waarbij het op dit moment gaat om de Titels I (Algemene bepalingen) en II (Toepasselijke wetgeving) – en Bijlage XI liggen voor in de Raad voor een gedeeltelijke algemene benadering. De gehele Toepassingsverordening telt vijf Titels. De tekst kan pas definitief worden vastgesteld wanneer de volledige Toepassingsverordening uitonderhandeld is.

Deze Toepassingsverordening (nu nog 574/72) regelt de toepassing van de Coördinatieverordening 883/04 (voorheen 1408/71). Met de Coördinatieverordening 883/04 wordt voorkomen dat personen, die in een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst werken en verblijven, hun sociale rechten geheel of gedeeltelijk verliezen wanneer zij gebruikmaken van hun recht op vrij verkeer. Bij de Coördinatieverordening 883/04 horen bijlagen. Door zogenaamde «inschrijvingen» op deze bijlagen kunnen lidstaten onder andere nationale regelgeving of bilaterale verdragen handhaven die een uitzondering vormen op de regels die neergelegd zijn in de Coördinatieverordening of de Toepassingsverordening.

Commissievoorstel Toepassingsverordening

Omdat er een nieuwe Coördinatieverordening (883/2004) is, moest ook de bijbehorende Toepassingsverordening herzien worden. De herzieningsoperatie van beide Verordeningen is onder meer in gang gezet vanwege de toetreding van de nieuwe lidstaten. Het voorstel dat nu aan de orde is heeft betrekking op de Toepassingsverordening. De onderhandelingen over de vijf Titels van deze Toepassingsverordening zijn nog niet afgerond. Aan deze Raad wordt daarom de gedeeltelijke algemene benadering voorgelegd van de Titels I (Algemene bepalingen) en II (Toepasselijke wetgeving).

Commissievoorstel Bijlage XI

Het voorstel bevat de inschrijvingen van lidstaten bij Coördinatieverordening 883/04, die de aansluiting regelen tussen de nationale wetgeving van de lidstaten en deze Coördinatieverordening. De onderwerpen van de inschrijvingen zijn gerelateerd aan de onderwerpen in de Titels I en II van het voorstel voor de Toepassingsverordening.

Nederlandse opstelling

Nederland kan instemmen met de in voorliggende delen van de Toepassingsverordening en met de tekst van Bijlage XI instemmen.

Agendapunt: Voorstel voor een richtlijn ter verbetering van de overdraagbaarheid van aanvullende pensioenen

Rechtsbasis van het voorstel is artikel 42 EG en artikel 94 van het EG-Verdrag. Besluitvorming geschiedt op basis van unanimiteit in de Raad en co-decisie met het EP.

In de Raad zal het Voorzitterschap verslag uitbrengen van de voortgang in de onderhandelingen.

Commissievoorstel

Met deze ontwerp richtlijn wil de Commissie de arbeidsmobiliteit bevorderen door deelnemers aan bedrijfspensioenregelingen het recht geven hun opgebouwde rechten in regelingen mee te nemen naar een nieuwe werkgever(ook) als deze zich in een andere lidstaat bevindt. Indien een werknemer van dit recht gebruik wil maken, schrijft de richtlijn voor welke algemene normen in dat geval gelden voor zowel de waardering van rechten als voor de administratieve handelingen (artikel 6). Om het wisselen van baan niet te ontmoedigen zijn minimumnormen gesteld inzake wacht- en inlegperiode en minimumleeftijd (artikel 4). In artikel 5 wordt bepaald dat Lidstaten maatregelen nemen die toezien op een «eerlijke aanpassing» van de slaperrechten.

Nederlandse opstelling

Nederland is voorstander van het bevorderen van de arbeidsmobiliteit. Een goed functioneren van de arbeidsmarkten is immers één van de doelstellingen van de Lissabonstrategie. Nederland ondersteunt die doelstelling van de richtlijn. Het richtlijnvoorstel kent echter ruime uitzonderingsgronden op het recht op waardeoverdracht, waardoor de reikwijdte op dit punt beperkt blijft tot kapitaalgedekte pensioenregelingen. Dit zou betekenen dat er een recht ontstaat voor werknemers in voornamelijk Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Zweden en Denemarken. Dit zijn namelijk de lidstaten waar deze regelingen een substantiële bijdrage leveren aan de oudedagsvoorziening.

Het kabinet staat dan ook sceptisch tegenover de wijze waarop de Europese Commissie de doelstelling in het richtlijnvoorstel nastreeft. Regelgeving uit de EU op het terrein van aanvullende pensioenen is naar de opvatting van het kabinet alleen zinvol wanneer ook daadwerkelijk een bijdrage aan het wegnemen van belemmeringen wordt geleverd. Nederland is dan ook voorstander van uitbreiding van de reikwijdte van deze richtlijn naar alle aanvullende pensioenstelsels in de EU: alleen wanneer er een recht op waardeoverdracht ontstaat voor alle EU-werknemers, ongeacht de financiering van hun pensioenstelsel, wordt een bijdrage geleverd aan het wegnemen van belemmeringen voor arbeidsmobiliteit binnen de EU.

Toelichting

De conceptrichtlijn regelt vier zaken:

• De verwerving van pensioenrechten via artikel 4: een leeftijdsgrens voor vestiging van pensioenrechten van ten hoogste 21 jaar (nieuwe uitleg van de Commissie), een wachtperiode van maximaal een jaar en een vestigingsperiode van maximaal 2 jaar (wachtperiode en vestigingsperiode zijn vormen van vertraagde toetreding tot de pensioenregeling). Nederland vindt dat de verwerving van pensioenrechten een onderwerp is dat aan de individuele lidstaten toebehoort. Enkele lidstaten hebben grote problemen met de beperking van de vestigingsperiode tot 2 jaar;

• Het behoud van pensioenrechten via artikel 5: een «faire» aanpassing van slaperrechten (dat zijn pensioenrechten opgebouwd bij een vorige werkgever) en een mogelijkheid tot afkoop van opgebouwde rechten tot een door de lidstaten te bepalen grens. Het is voor Nederland van belang dat er op geen enkele wijze door de EU een indexatieverplichting wordt opgelegd;

• De overdracht van de waarde van pensioenrechten via artikel 6: een individueel recht op waardeoverdracht. Veel lidstaten hebben, om verschillende redenen, problemen hebben met het recht op waardeoverdracht. Er wordt een uitzonderingsmogelijkheid geboden aan omslaggefinancierde pensioenregelingen, regelingen op basis van boekreserves en aan de Unterstutzungskassen in Duitsland;

Informatieverplichtingen aan de werknemers via artikel 7.

Door de grote diversiteit aan pensioenstelsels in de EU zijn de gevolgen van dit richtlijnvoorstel voor de verschillende lidstaten ook zeer divers. Sommige (nieuwe) lidstaten hebben geen tweede pijler en zullen dus geen gevolgen ondervinden van deze richtlijn. In andere lidstaten is er wel een tweede pijler, maar speelt deze slechts een zeer beperkte rol in het inkomen van de gepensioneerden. Frankrijk maar ook Italië zijn daar voorbeelden van. Daar Nederland samen met Denemarken en Zweden de hoogste dekkingsgraad kent (percentage werknemers met een tweede pijler pensioenregeling) in de tweede pijler, is de betekenis van de richtlijn in beginsel voor deze landen ook het grootst.

Nederland kent in zijn pensioenstelsel geen belemmeringen kent voor mobiliteit. Er is een recht op waardeoverdracht, de slaperrechten worden gelijk behandeld aan die van gepensioneerden en wacht- en vestigingsperioden komen niet of nauwelijks voor. De richtlijn zou dan ook weinig gevolgen kunnen hebben voor Nederland, afhankelijk van de wijze waarop de soms vaag omschreven bepalingen in het richtlijnvoorstel moeten worden gelezen.

Om te waarborgen dat ons goed ontwikkelde stelsel van waardeoverdracht ook goed kan blijven functioneren, moet wat betreft het recht op waardeoverdracht in het richtlijnvoorstel ten minste worden zeker gesteld dat Nederland:

– het eigen stelsel van waardeoverdracht kan behouden,

– het recht heeft om de eigen nationale rekenregels te hanteren bij zowel binnenkomende als uitgaande waardeoverdrachten,

– het recht heeft alleen medewerking te verlenen aan inkomende en uitgaande waardeoverdrachten binnen de tweede pijler, en

– het recht op waardeoverdracht mag opschorten bij onvoldoende gefinancierde pensioenregelingen.

Agendapunt: Geamendeerd voorstel voor een regeling van het EP en de Commissie ter oprichting van een Europees Genderinstituut

Het voorstel staat geagendeerd voor een politiek akkoord. Rechtsbasis is artikel 141(3) en 13(2) EG. Besluitvorming vindt plaats op basis van co-decisie met besluitvorming met gekwalificeerde minderheid in de Raad.

Commissievoorstel

Het voorstel heeft tot doel een Europees genderinstituut op te richten. Doel van het instituut is ondersteuning te bieden aan zowel Europese instellingen als aan de lidstaten bij de promotie van gelijke kansen van mannen en vrouwen en het bestrijden van seksediscriminatie. Het genderinstituut zal ondersteuning bieden door middel van het verzamelen van data, het analyseren van vergelijkbaar materiaal en statistieken en het ontwikkelen van methodologische instrumenten. Met uitzondering van de samenstelling van de raad van bestuur en de procedure rond de benoeming van de directeur zijn er geen openstaande punten meer.

De Commissie stelt voor het instituut vanaf 1 januari 2007 operationeel te laten zijn. Aan het eind van het derde jaar na inwerkingtreding van het instituut zal een externe evaluatie plaatsvinden.

Nederlandse opstelling

De toegevoegde waarde voor Nederland van het Gender Instituut ligt in de grensoverstijgende, Europese focus. Nederland is van mening dat een Europees Gender Instituut bij de uitwisseling van informatie en ervaringen inzake gendermainstreaming en gender equality op Europees niveau een positieve rol kan spelen. Nederland stemt in met een grote raad van bestuur. Nederland gaat niet akkoord met een rol van het Europees Parlement in de benoeming van de directeur van het instituut.

Toelichting

In december 2000 erkende de Europese Raad de noodzaak om, als onderdeel van de Sociale Beleidsagenda, het bewustzijn te vergroten, middelen te bundelen en ervaringen uit te wisselen om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen, in het bijzonder door de oprichting van een Europees Instituut voor Gender gelijkheid. In juni 2004 sprak de Europese Raad steun uit voor het opzetten van een Europees Gender Instituut.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat het instituut op 1 januari 2007 in werking zal treden. Het EP en de Raad verschillen van mening over de grootte van de Raad van bestuur en de benoemingsprocedure van de directeur. Een grote meerderheid van lidstaten wil graag een Raad van bestuur die bestaat uit een vertegenwoordiging van alle lidstaten. De verwachting is dat de Raad WSBVC van 1 juni er wel in zal slagen een politiek akkoord te bereiken over het voorstel, maar dat er vervolgens moeizame onderhandelingen met het Europees Parlement zullen volgen.

Agendapunt: Review van de uitvoering van de lidstaten en de EU instituties van het Bejing Platform voor Actie – concept raadsconclusies over vrouwen en gezondheid

Aard van de bespreking

Het Oostenrijks voorzitterschap doet een voorstel voor een drietal indicatoren op het terrein van vrouwen en gezondheid. Deze indicatoren kunnen door de EU-lidstaten worden gebruikt om onderzoek te doen naar vrouwen en gezondheid. Het voorzitterschap legt deze indicatoren voor ter instemming.

Commissievoorstel

Sinds 1999 monitort de Commissie de resultaten van het beleid op Europees niveau door het jaarlijks ontwikkelen van indicatoren op 1 van de 12 terreinen uit het Beijing Platform for Action (aangenomen in 1995 tijdens de Vierde VN Wereld Vrouwenconferentie in Peking). De Commissie heeft er deze keer voor gekozen om een drietal indicatoren te ontwikkelen op het terrein van vrouwen en gezondheid. Het betreft gezonde levensjaren, toegang tot gezondheidszorg en hart- en vaatziekten.

Het Oostenrijkse Voorzitterschap wil graag dat de lidstaten bij de toepassing van deze indicatoren ook kijken naar de verschillen tussen mannen en vrouwen. Het roept de Europese Commissie en de lidstaten daarnaast op om meer aandacht te besteden aan gendergelijkheid binnen de gezondheidsportefeuille, om zowel binnen lidstaten als tussen lidstaten ongelijkheden in het aanbod van gezondheidszorg voor vrouwen en mannen weg te nemen.

Nederlandse opstelling

Nederland kan met de voorgestelde indicatoren instemmen, maar ziet beperkte toepassingsmogelijkheden, aangezien het uitgangspunt van Nederland is dat er geen specifiek beleid ontwikkeld moet worden op het thema «vrouwen en gezondheid».

Nederland zal naar aanleiding van de raadsconclusies geen speciaal beleid ontwikkelen. Het is immers van belang dat voor alle ziekten kwalitatief goede zorg moet worden ontwikkeld. Dat geldt voor zowel vrouwen als mannen. De raadsconclusies worden dan ook tegen die achtergrond in Nederland beoordeeld en toegepast.

Toelichting

Het uiteindelijke doel van het Platform is alle belemmeringen voor actieve participatie van vrouwen in alle sectoren van het openbare en particuliere leven weg te nemen. Gender mainstreaming is één van de sleutelbegrippen van het Beijing Platform for Action. Tot nu toe zijn hier geen indicatoren ontwikkeld op het terrein van vrouwen en gezondheid, omdat veel lidstaten niets zagen in het maken van uitsplitsing naar dienstverlening voor mannen en vrouwen in de gezondheidszorg.

Agendapunt: Flexicurity

Aard van de bespreking: aanname van de gezamenlijke opinie van EMCO en SPC

Aan de Raad ligt het voorstel voor om in te stemmen met een gezamenlijke opinie van het Werkgelegenheidscomité (EMCO) en het Sociale beschermingscomité (SPC) over flexicurity, het beleid waarbij arbeidsmarktflexibiliteit en werkzekerheid gecombineerd worden.

Inhoud opinie

De opinie stelt vast dat de nadruk dient te liggen op flexibele arbeidscontracten, actief arbeidsmarktbeleid, levenlang leren en moderne sociale zekerheidssystemen, waarbij een integrale aanpak noodzakelijk is. Contracten waarbij een evenwicht bestaat tussen voldoende flexibiliteit voor werkgever en werknemer enerzijds en werkzekerheid en reïntegratiemogelijkheden anderzijds, dragen bij aan een hogere arbeidsparticipatie en meer inclusieve arbeidsmarkten. Regelmatige herbeoordeling en indien nodig, passende bijstelling van de mate van ontslagbescherming zijn hierbij belangrijke aandachtspunten.

Overheden dragen primaire verantwoordelijkheid om aan de bevolking uit te leggen dat veranderingen noodzakelijk en onvermijdelijk zijn en dienen met sociale partners en andere stakeholders coalities voor hervormingen te vormen waarin alle partijen bereid zijn verantwoordelijkheid voor hervormingen op zich te nemen en draagvlak ervoor te creëren.

De opinie besluit met de constatering dat nadere analyse en discussie nodig zijn met betrekking tot onder andere de vraag welk beleid adequaat is voor individuele lidstaten; de kosten en baten van flexicurity voor de verschillende groepen op de arbeidsmarkt (inclusief mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt) en voor de samenleving als geheel met aandacht voor het effect op de overheidsfinanciën.

Nederlandse opstelling

Nederland kan instemmen met de gezamenlijke opinie van het EMCO en het SPC en moedigt de verkenning van een reeks gemeenschappelijke beginselen inzake flexicurity aan, die door de lidstaten als referentiepunt gebruikt kan worden voor hun arbeidsmarkt en sociaal beleid.

Toelichting

De opinie is een uitvloeisel van de constatering in het Gezamenlijk Werkgelegenheidsverslag 2005/2006 dat het thema aanpassingsvermogen in de Nationale Hervormingsprogramma’s van de lidstaten onderbelicht is gebleven. Deze constatering is gevolgd door een oproep van de Europese Raad aan de lidstaten om – rekening houdend met hun specifieke arbeidsmarktomstandigheden en institutionele inrichting – op flexicurity gerichte hervormingen na te streven. Daarbij is besloten dat de Commissie, samen met de lidstaten en de sociale partners, de ontwikkeling van een reeks gemeenschappelijke beginselen inzake flexicurity zal verkennen welke door de lidstaten als referentiepunt gebruikt kan worden voor de hervorming van hun arbeidsmarkt- en sociaal beleid.

Dit najaar zal de Commissie van haar zijde met een bijdrage over flexicurity komen die mede zal voortbouwen op het werk van EMCO en SPC en waarbij tevens het binnenkort te verwachten Groenboek arbeidsrecht betrokken zal worden. De Commissie zal naar verwachting in het voorjaar van 2007 een voorstel doen voor gemeenschappelijke beginselen inzake flexicurity.

Agendapunt: Communautair Programma voor Werkgelegenheid en Maatschappelijke Solidariteit (PROGRESS)

Aard van de bespreking: politiek akkoord

Rechtsbasis van het voorstel is art 13 lid 2, artikel 129 en artikel 137 lid 2 sub a EG-Verdrag. Besluitvorming geschiedt op basis van gekwalificeerde meerderheid in de Raad en co-decisie met het Europees Parlement. De Raad streeft naar een algeheel politiek akkoord. Over de inhoud van het programma was tijdens de Raad van 8 december reeds een gedeeltelijk politiek akkoord bereikt. Nu ligt de financiering voor ter besluitvorming.

Inhoud van het programma

Het communautaire programma PROGRESS 2007–2013 maakt deel uit van het pakket voorstellen in het kader van de Financiële Perspectieven 2007–2013. Progress houdt zich bezig met de financiële ondersteuning van de doelstellingen van de EU op het terrein van werkgelegenheid en sociaal beleid, ter verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen. In dit programma worden de huidige vier gemeenschappelijke actieprogramma’s van de Sociale Beleidsagenda ondergebracht, evenals de budgetlijnen op het terrein van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. Hiertoe is PROGRESS verdeeld in 5 secties, te weten:

1) werkgelegenheid

2) sociale bescherming en insluiting

3) arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden

4) anti-discriminatie en diversiteit

5) gender gelijkheid.

De voorgestelde verdeling van middelen over de vijf secties is respectievelijk 23%, 30%, 10%, 23%, 12% en 2%.

Nederlandse opstelling

Nederland kan met de voorgestelde verdelen van de middelen over de secties instemmen.

Toelichting

Nu een Interinstitutioneel Akkoord (IIA) tussen de Raad, het EP en de Commissie is bereikt in het kader van de Financiële Perspectieven, kan de besluitvorming over PROGRESS worden afgerond. Uit het IIA volgde voor PROGRESS een totaalbedrag van 658 miljoen euro. In het oorspronkelijke voorstel was 90% van de middelen reeds verdeeld over de 5 respectievelijke onderwerpen binnen PROGRESS (21%, 28%, 8%, 23% en 8% en 2% voor administratieve lasten). De resterende 10% kon bij de jaarlijkse vaststelling van middelen over de onderwerpen worden verdeeld.

In het voorstel van het Oostenrijks Voorzitterschap voor de verdeling van middelen is rekening gehouden met de wensen van het EP om meer middelen te besteden aan sociale insluiting en gendergelijkheid en van enkele lidstaten om meer te besteden aan werkgelegenheid en arbeidsomstandigheden. De verwachting is dat alle lidstaten en het EP met het voorstel kunnen instemmen.

Agendapunt: Voorstel voor een Raadbesluit betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten

Aard van de bespreking: politiek akkoord

Tijdens de Europese Raad van maart 2005 is afgesproken dat de set van geïntegreerde richtsnoeren 2005–2008 in principe geldig blijft tot 2008. Om procedurele redenen dient de geldigheid van de richtsnoeren echter jaarlijks door een beschikking van de Raad te worden bevestigd.

Commissievoorstel

In het nu voorliggende Commissievoorstel voor de beschikking van de Raad wordt het besluit voorgelegd dat de werkgelegenheidsrichtsnoeren zoals zij zijn vastgesteld in juli 2005, worden gehandhaafd. De bespreking in de Raad vindt plaats aan de hand van een gezamenlijke opinie van het Werkgelegenheidscomité (EMCO) en het Sociale beschermingscomité (SPC) over het richtsnoerenpakket. Deze opinie steunt het voorliggende Commissievoorstel.

Nederlandse opstelling

Nederland heeft zich bij de discussie over het richtsnoerenpakket laten leiden door het Nederlandse kabinetsstandpunt voor de Europese Voorjaarsraad 2006 zoals vastgesteld op 17 maart 2006. Nederland steunt de conclusie van de Commissie en de opinie van het EMCO en SPC dat dit jaar geen aanpassingen dienen plaats te vinden van de geïntegreerde set van richtsnoeren. Nederland is van mening dat in de komende jaren de nadruk moet liggen op de implementatie van de beleidsintenties zoals beschreven in de Nationale Hervormingsprogramma’s. Stabiliteit van de richtsnoeren draagt ertoe bij de focus op implementatie te houden. Consistentie in de richtsnoeren is tevens gewenst om te kunnen beoordelen of lidstaten zich aan de afspraken houden zoals vastgelegd in hun NHP’s 2005.

Toelichting

Bij de herziening van de Lissabonstrategie in maart 2005 zijn de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid en de globale richtsnoeren voor economisch beleid samengevoegd tot een herziene set van geïntegreerde richtsnoeren voor de periode 2005–2008. Op basis van deze richtsnoeren hebben de lidstaten hun nationale hervormingsprogramma’s (NHP’s) opgesteld, waarin hun strategie voor groei en werkgelegenheid voor drie jaar wordt vastgesteld. De lidstaten rapporteren jaarlijks over de voortgang. De Commissie maakt jaarlijks een analyse van deze voortgangsrapportages in het Jaarlijks Voortgangsverslag (met als onderdeel daarvan het Gezamenlijk Werkgelegenheidsverslag). Op grond daarvan kan de Commissie de lidstaten een voorstel doen tot aanpassing van de richtsnoeren.

In het Voortgangsverslag 2006 (Time to move up a gear – the new partnership for growth and jobs) heeft de Commissie aangegeven dat de lidstaten hun hervormingen op het gebied van werkgelegenheid moeten voortzetten in overeenstemming met de prioriteiten zoals opgenomen in de richtsnoeren voor de periode van 2005–2008.

Agendapunt: Arbeidstijdenrichtlijn

Aard van de bespreking: openbaar debat (mogelijk) politiek akkoord

De Raad zal een debat voeren over de herziening van de arbeidstijdenrichtlijn. Rechtsbasis is artikel 137 lid 2 EG-Verdrag. Besluitvorming geschiedt op basis van gekwalificeerde meerderheid in de Raad en co-decisie met het EP.

Het is de bedoeling om tot een politiek akkoord te komen.

Voorzitterschapsvoorstel

Er is nog geen voorstel van het Oostenrijkse Voorzitterschap voor het bereiken van een politiek akkoord ontvangen. Het Oostenrijkse Voorzitterschap verwacht op 1 juni lang door te onderhandelen over de richtlijn teneinde een politiek akkoord te bereiken. Er is mogelijk enige beweging in de eerder ingenomen standpunten van de lidstaten.

Nederlandse opstelling

Voor Nederland is herziening van de richtlijn met name van belang om de uitspraken van Hof in de zaken Simap en Jaeger te repareren. Nederland kan instemmen met een continuering van de opt out, op voorwaarde dat er strengere voorwaarden worden verbonden aan de toepassing, zoals de toevoeging van een maximum aantal arbeidsuren («cap») van bijvoorbeeld gemiddeld 60 uur per week berekend over 4 weken.

Toelichting

De arbeidstijdenrichtlijn bevat een aantal minimumvoorschriften met het oog op de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers. Bepaald is ondermeer dat werknemers (gemiddeld) maximaal 48 uur per week mogen werken. In de richtlijn is echter ook de mogelijkheid opgenomen om hiervan af te wijken wanneer de werknemer hiermee instemt (de opt out).

De Raad slaagde er onder Nederlands voorzitterschap in op hoofdlijnen overeenstemming te bereiken over de definities en de toekenning van compenserende rusttijd. Deze aanpassing is noodzakelijk gezien de uitspraken van het Hof in de zaken Simap en Jaeger. Hierin bepaalde het Hof dat de tijd die rustend tijdens een aanwezigheidsdienst op de arbeidsplaats wordt doorgebracht arbeidstijd is. Het Hof bepaalde bovendien dat de compenserende rusttijd onmiddellijk na een aanwezigheidsdienst moet worden verleend.

De onderhandelingen liepen echter vast op de opt- out. Voor een aantal lidstaten, waaronder het VK, is het handhaven van deze mogelijkheid in de richtlijn essentieel. Andere hechten daarentegen sterk aan een uitfasering van de opt out. Beide kampen zijn ongeveer even groot. Voor een aantal lidstaten geldt daarnaast dat zij omwille van een compromis bereid zijn zich flexibel op te stellen.

Daarnaast speelt de vraag of de gemiddelde maximale arbeidstijd van 48 uur per week geldt per werknemer of per contract. Een groot aantal lidstaten is de mening toegedaan dat de norm geldt per contract. Werknemers met meer dan één werkgever kunnen dan uitkomen op een totaal aantal arbeidsuren dat meer bedraagt dan 48 uur per week. Nederland heeft zich altijd op het standpunt gesteld, en de richtlijn ook op die manier geïmplementeerd, dat de maximale gemiddelde arbeidstijd van 48 uur per week geldt per werknemer. Nederland is van mening dat de richtlijn op dit punt voldoende duidelijk is, zeker nu de Commissie heeft aangegeven deze interpretatie te onderschrijven. Nederland vindt dan ook dat expliciteren van de richtlijn op dit punt niet noodzakelijk is, maar meent wel dat de Commissie vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het toezien op een juiste toepassing van de richtlijn, maatregelen moet nemen om de verschillen in implementatie op te heffen.

Agendapunt: Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering

Aard van de bespreking: informatie van het Voorzitterschap

In de Raad zal het Voorzitterschap de stand van zaken toelichten. Er wordt geen discussie voorzien.

Inhoud Commissievoorstel

In maart heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd voor de uitwerking van het Europees Globaliseringsfonds. Het voorstel vloeide voort uit een verzoek van de Europese Raad van december. De doelstelling van het Globaliseringsfonds is de verlening van steun aan werknemers die overbodig geworden zijn als gevolg van grote structurele veranderingen in wereldhandelspatronen (lees: globalisering) als dit een significant gevolg heeft voor de regionale of lokale economie. In concreto wordt gesproken over een enorme toename van de import in de EU, een progressieve afname van het EU-marktaandeel in een sector of verplaatsing van bedrijven naar derde landen. De discussie concentreert zich op de criteria om in aanmerking te komen voor het Fonds en de bestedingsdoelen.

Nederlandse opstelling

Nederland heeft constructief kritisch meegesproken over de uitwerking van het Europees Globaliseringsfonds. Wat Nederland betreft is de te ruime toegang tot het Fonds een aandachtspunt. Nederland vindt het waarborgen van toegang tot het Fonds voor alle lidstaten dan ook van belang. Nederland is tegen het voorstel om vanuit het fonds ook inkomenstoeslagen voor individuele werknemers te financieren. Daarentegen zou eerder gedacht moeten worden aan steun aan activerende maatregelen.

Toelichting

Als criteria voor het doen van een beroep op het fonds worden voorgesteld:

a) het overbodig worden van minimaal 1000 werknemers in één bedrijf, inclusief de werknemers in de productieketen (toeleveranciers en/of eindproducenten), in een regio waar de werkloosheid op NUTS III-niveau hoger is dan het EU-gemiddelde of het nationale gemiddelde;

b) het overbodig worden van minimaal 1000 werknemers, over een periode van 6 maanden, in één of meerdere bedrijven in een sector als deze meer dan 1% van de regionale werkgelegenheid (gemeten op NUTS II-niveau) vertegenwoordigen.

Agendapunt: Commissie Mededeling: Richtsnoeren betreffende de detachering van werknemers met het oog op het verrichten van diensten

Aard van de bespreking: Informatie van de Commissie

Inhoud Commissievoorstel

Het doel van deze Mededeling is om lidstaten, ondernemingen en werknemers door middel van deze richtsnoeren duidelijkheid te bieden over hun rechten en plichten wanneer werknemers naar een andere lidstaat worden gedetacheerd. Aan de hand van jurisprudentie van het Hof van Justitie geeft de Commissie richtsnoeren ten aanzien van controlemaatregelen door de ontvangende lidstaat, samenwerking inzake informatie-uitwisseling en handhaving in geval van niet-naleving van verplichtingen op grond van richtlijn 96/71/EG (de detacheringsrichtlijn).

Nederlandse opstelling

Nederland is een voorstander van een volledige operationele interne markt voor diensten. Nederland verwelkomt dan ook de richtsnoeren van de Commissie op het gebied van de controle door het gastland door middel van een meldingsplicht voor de dienstverlener. De bestaande notificatieplicht in Nederland geldt overigens specifiek en alleen voor personeel uit landen (binnen en buiten EU) waarvoor in Nederland geen vrij verkeer van werknemers geldt. Nederland is geen voorstander van het instellen van een meldingsplicht voor personeel uit EU-lidstaten waarvoor wel vrij verkeer van werknemers geldt: de oude EU-15, Malta en Cyprus.

Daarnaast is Nederland voorstander van intensivering van de samenwerking tussen de landen van oorsprong en ontvangende lidstaten op het gebied van informatie-uitwisseling ter bestrijding van illegale activiteiten en oneerlijke arbeidsvoorwaarden.

Toelichting

Naar aanleiding van een op 16 februari 2006 door het Europees Parlement aangenomen wetgevingsresolutie over het voorstel voor een richtlijn betreffende diensten op de interne markt heeft de Commissie een gewijzigd voorstel ingediend waarin de artikelen 24 en 25 van het oorspronkelijke voorstel niet meer voorkomen.

De Commissie heeft hierbij toegezegd richtsnoeren vast te stellen om het bestaande Gemeenschapsrecht inzake de in de artikelen 24 en 25 behandelde administratieve procedures te verduidelijken. Deze richtsnoeren zijn neergelegd in de voorliggende mededeling.

Agendapunt: Mededeling Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Aard van de bespreking: Informatie van de Commissie

Commissievoorstel

Op 22 maart heeft de Europese Commissie een Mededeling gepubliceerd over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) onder de titel «Implementing the partnership for growth and jobs: making Europe a pole of excellence on corporate social responsibility».

De Commissie kiest voor een pragmatische aanpak. MVO moet bezien worden in het kader van de vernieuwde Lissabonstrategie en de Duurzame ontwikkelingsstrategie. Daarnaast wordt het internationale kader geschetst (o.a. OESO-richtlijnen en ILO fundamentele arbeidsnormen). De nadruk ligt nadrukkelijk op vrijwillige deelname door bedrijven. De Commissie stelt een Europese Alliantie van bedrijven voor nieuwe en bestaande MVO-initiatieven van bedrijven voor. Verder stelt de Commissie uitwisseling van «best practices», informatievoorziening, verbeteren transparantie, onderzoek en onderwijs en ondersteuning van midden- en kleinbedrijf voor.

Nederlandse opstelling

Nederland staat in grote lijnen positief tegenover de mededeling. De vrijwilligheid van het bedrijfsleven mag echter niet leiden tot vrijblijvendheid, vooral als het gaat om de naleving van fundamentele arbeidsnormen.

Toelichting

De Mededeling is gezamenlijk opgesteld door Commissaris Verheugen (DG Enterprise) en Commissaris Spidla (DG Employment). Lidstaten zijn via een zgn. «Group of High Level Representatives on Corporate Social Responsibility» bij het proces betrokken.

Naar boven