Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 21501-17 nr. 125 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 21501-17 nr. 125 |
Vastgesteld 10 juli 2002
De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 en de algemene commissie voor Europese Zaken2 hebben op 6 juni 2002 overleg gevoerd met staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over:
– haar brief d.d. 7 januari 2002 inzake verslag Visserij Raad van 17–18 december 2002 (21 501-17, nr. 118);
– haar brief d.d. 29 mei 2002 inzake agenda Visserij Raad van 11 juni 2002 te Luxemburg (21 501-17, nr. 120);
– haar brief d.d. 15 april 2002 inzake het Aalplan (LNV-02-353);
– haar brief d.d. 4 juni 2002 inzake voorstellen Europese Commissie inzake Gemeenschappelijk Visserijbeleid (21 501-17, nr. 121);
– de brief van de griffier van de EU van 28 februari 2002 over fiche verordening vaststelling vangstmogelijkheden diepzeevissen voor 2002 (LNV-02-163);
– de brief van de griffier van de EU van 14 maart 2002 over fiche verordening vaststelling herstelmogelijkheden kabeljauw en heek (LNV-02-218);
– haar brief van 5 juni 2002 inzake herziening Gemeenschappelijk Visserijbeleid (Nederlandstalige versie) (21 501-17, nr. 122H).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Buijs (CDA) begrijpt uit het verslag van de afgelopen Visserijraad dat de staatssecretaris zich fors heeft ingezet om de belangen van de Nederlandse visserij te verdedigen. Dat blijkt onder andere uit de opmerking in het verslag dat de grote onevenwichtigheid in de noodmaatregelen die eerder dit jaar zijn genomen en die de Nederlandse platvisvloot disproportioneel hebben getroffen, in de meerjarenherstelplannen moet worden voorkomen. Eveneens blijkt dat uit de zinsnede: «Hoewel niet geagendeerd, heb ik de Commissie in bilateraal overleg gewezen op de problemen die vanaf 1 januari 2003 kunnen ontstaan ten gevolge van de vrije toegang tot de Noordzee. De Commissie heb ik verzocht actief te zoeken naar oplossingen bij de herziening van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid.» De heer Buijs waardeert het zeer dat deze staatssecretaris de problemen voor de Nederlandse visserij zo ernstig opneemt en zich ook in Brussel sterk inzet om die zo klein mogelijk te laten zijn.
In de stukken wordt de filosofie van Commissaris Fischler in grote lijnen verwoord, maar nog niet duidelijk is welke uitwerking die voor Nederland heeft. Het is een goede zaak dat de staatssecretaris dat nauwkeurig in de gaten wil houden, maar het is vreemd dat zij er nog niets over kan zeggen, terwijl er in de media al een voorlopige uitwerking is verschenen van wat een en ander voor de Nederlandse visserij kan gaan betekenen. Er moeten in totaal 7600 schepen uit de vaart worden gehaald, waarmee de werkgelegenheid voor 28 000 personen gemoeid is, terwijl in de jaren 1990–1998 al zo'n 66 000 banen verloren zijn gegaan. Volgens die voorlopige uitwerking zou het voor Nederland betekenen dat 60 van de 400 kotters uit de vaart moeten worden genomen, oftewel 25 000 brutoton. De heer Buijs hoopt niet dat die cijfers kloppen, want dat zou voor zijn fractie onaanvaardbaar zijn.
Natuurlijk is ook zijn fractie de mening toegedaan dat er uiteindelijk een duurzame visserij moet komen, hetgeen zowel in het belang van de vissers als van de vissen zelf is. Echter, waar het de Nederlandse visserij betreft, moet toch met een aantal aspecten rekening worden gehouden. De afgelopen jaren is er sprake geweest van een goed co-management, is Nederland toch wel het beste jongetje van de klas geweest en daar moeten de Nederlandse vissers nu eens niet voor worden gestraft, maar eerder voor worden beloond. Qua omvang is de huidige vloot nauwelijks in staat om de toegestane quota op te vissen. De toegestane tong- en scholquota zijn vooral vastgesteld op basis van de bijvangsten kabeljauw. Daarom zijn ook die tong- en scholquota in beeld gekomen, maar er is voldoende tong en voldoende schol, zodat met de reductie van 16% voor dit jaar de Nederlandse vissersvloot naar de mening van de CDA-fractie onevenredig zwaar wordt getroffen.
Als er een visserijbeleid met heldere doelstellingen wordt gevoerd, is het toch wat merkwaardig dat in Brussel is besloten om het quotum voor de kabeljauw, toch de meest bedreigde vissoort, met 2% te verhogen. Dat lijkt niet op een goed en duurzaam visserijbeleid. De Nederlandse vissers zijn zelf gekomen met voorstellen voor een stilligregeling, zij hebben aan alles willen meewerken, zodat zou moeten worden erkend dat ze hun eigen verantwoordelijkheid meer dan genomen hebben. Zij nemen bovendien nog deel aan het zgn. F-project, waarin wordt geprobeerd om gemeenschappelijke afspraken te maken tussen vissers, de visserijorganisatie en biologen om het gehakketak over en weer te voorkomen. Een dergelijke poging op Europees niveau zou naar de mening van de heer Buijs zeker aanbeveling verdienen.
Hij merkt met nadruk op dat de Spanjaarden niet in de Noordzee behoren te vissen. Bovendien gaan ze daar andere vissoorten vangen die ook weer een hoge bijvangst aan kabeljauw kennen, zodat daar weer een druk van uitgaat op de thans toegestane tong- en scholquota. Al met al moet de staatssecretaris voldoende redenen hebben om aan te tonen dat een duurzame visserij zeker niet gediend is met de komst van Spanjaarden en Fransen in de Noordzee.
Vervolgens vraagt hij of de staatssecretaris al iets meer kan zeggen over de tussenrapportage van de ICES over het scholbestand.
Ten slotte merkt hij op dat hij het op zich eens is met het nationaal aalplan, maar dat een dergelijk plan zijns inziens onuitvoerbaar is zonder een internationale aanpak. Als de glasaal voor zo'n 95% in Spanje en omgeving wordt opgevist, zou Nederland daar niet zulke grote nadelen van mogen ondervinden. Ook internationaal zullen er dus maatregelen moeten worden genomen om het bestand glasaal te vergroten.
De heer Cornielje (VVD) had aanvankelijk de indruk dat de volgende week al een eerste oriënterende bespreking zou plaatsvinden van voorstellen inzake de hervormingen van het Europese visserijbeleid, maar heeft uit de brief van de staatssecretaris begrepen dat de heer Fischler dan alleen zijn voorstellen nader gaat presenteren. Zijn fractie is daar eigenlijk wel gelukkig mee, omdat zij de voorstellen nogal ingrijpend vindt en die eigenlijk graag aan een missionair kabinet zou willen overlaten. Dat betekent dat ze waarschijnlijk in de raad van oktober inhoudelijk aan de orde kunnen komen en dat die behandeling ook beter kan worden voorbereid. De tussentijd moet haars inziens worden gebruikt om meer duidelijkheid te krijgen over de exacte gevolgen voor de Nederlandse vloot. Volgens het Productschap Vis zou het om een sanering van ongeveer 60 kotters gaan, terwijl de Federatie van visserijverenigingen bij deze cijfers vraagtekens zet. Kan de staatssecretaris enigszins aangeven wat naar haar oordeel de gevolgen voor de Nederlandse vloot zullen zijn?
Die tussentijd lijkt de heer Cornielje ook noodzakelijk om een goed draagvlak voor deze ingrijpende hervormingen te bewerkstelligen. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse vissers al een goed beleid gevoerd zonder subsidie, bijvoorbeeld via vangstbeperking en de introductie van verhandelbare visrechten. Als de hervormingen nog verder moeten gaan, moet ook gezorgd worden voor een goed draagvlak. Als de Nederlandse visserijsector aanzienlijk zou kunnen profiteren van de door Fischler in het vooruitzicht gestelde middelen, zou dat alleen maar helpen.
De richting van de voorstellen van Fischler spreekt de heer Cornielje op zich wel aan, want een gezonde visserijsector is een noodzaak. Een duurzame sector, mensen die werken met levende have, is er het meest bij gebaat dat de ecosystemen in evenwicht zijn. Overbevissing leidt op enig moment onherroepelijk weer tot vangstbeperking, hetgeen uit bedrijfseconomisch perspectief ook niet zo wenselijk is. Dus moeten de maatregelen gericht zijn op een duurzame visserij.
De heer Cornielje memoreert dat zijn fractie in het verleden verschillende malen heeft aangedrongen op wetenschappelijk onderzoek naar de hoeveelheid vangst zonder dat de ecosystemen te zeer worden belast. De biologen zijn het daar nog niet over eens. Net als de heer Buijs zou hij willen aandringen op zo'n onderzoek door een gerenommeerd instituut dat op Europees niveau gezag geniet, zodat eenieder zich aan de resultaten kan committeren en er een einde kan komen aan discussies over quota. Hij ziet liever dat gewerkt gaat worden met onderling verhandelbare visrechten.
De heer Van den Brand (GroenLinks) is wel tevreden met de contouren van de hervormingen van het gemeenschappelijke visserijbeleid die zich voorzichtig beginnen af te tekenen. De Commissie ziet eindelijk in dat het bestaande beleid van steeds maar kleinere vangsten, te veel schepen, afnemende werkgelegenheid, oneerlijke concurrentie door gebrek aan toezicht, heeft gefaald. Of dat nieuwe beleid er komt, hangt af van de vraag of alle lidstaten eraan meewerken en of het mogelijk is om zowel de visbestanden als de visserij een duurzame toekomst te geven. Continuïteit is immers essentieel, zowel voor de visbestanden als voor de vissers.
Zijn fractie is groot voorstander van het vervangen van de jaarlijkse quota door meerjarenplannen en hecht eraan dat meer rekening wordt gehouden met ecosystemen en biodiversiteit. De Commissie wekt de indruk dat zij daartoe wil komen via het promoten van selectiever vistuig en grotere maaswijdten. Dat promoten lijkt hem wat te vrijblijvend. Wat zou volgens de staatssecretaris een effectief beleid zijn en wat zal haar inzet zijn in de komende onderhandelingen om te komen tot een multisoortenbenadering in het visstandbeheer?
In de meerjarenplannen wordt de mogelijkheid geboden om maatregelen vast te leggen inzake vistuig, gesloten gebieden en periodes, minimumaanlandingsmaten, niet doelsoorten, enz. Het raamwerk is er wel, maar zal dat ook daadwerkelijk worden ingevuld? Wat is de inschatting van de staatssecretaris ter zake en welke borgen zou zij daarvoor willen inbouwen?
In plaats van nieuwbouwsubsidies komt er meer geld voor programma's voor omscholing, e.d. Hij heeft begrepen dat dit voor de Nederlandse vissector wat minder van belang zou zijn. Zijn fractie zou echter wat zwaarder willen inzetten voor subsidies voor het omschakelen naar milieuvriendelijke en selectievere technieken. Is de staatssecretaris bereid zich ervoor in te zetten dat voorlopers in de ecologische modernisering worden ondersteund: met andere woorden, goed gedrag belonen! Lidstaten kunnen zelf bepalen hoe zij ervoor willen zorgen dat er minder wordt gevist, maar er zijn nog geen heldere doelen geformuleerd. Wat zijn de inschattingen van de staatssecretaris op dit punt?
Wat betreft de controle is hij van mening dat de plannen voor een gezamenlijke inspectie moeten worden ondersteund, ook al omdat zowel het productschap als de milieuorganisaties daarachter staan. Het is van belang dat er een einde komt aan de situatie dat elk land zijn eigen inspectie en eigen sancties heeft, terwijl het toch om een gezamenlijk beleid gaat.
De heer Van den Brand ziet graag dat de regionale adviescommissies wat meer worden dan alleen adviescommissies en dat zij ook wat medeverantwoordelijkheid krijgen voor het beheer. Het gaat immers inderdaad niet alleen om vissers, maar ook om verwerkers, wetenschappers en maatschappelijke organisaties. Dat zal het draagvlak vergroten voor de noodzakelijke acceptatie van de hervormingen. Gelet op de te verwachten Spaanse armada zou het hem ook een goede zaak lijken om de lokale vissers wat meer zeggenschap te laten houden over de Noordzee.
Met anderen verwacht hij dat als gevolg van het voorgestelde beleid de Zuid-Europeanen inderdaad de neiging zullen hebben om te gaan voor de ongequoteerde vissoorten, maar dat het effect daarvan zal zijn dat gequoteerde soorten als bijvangst worden opgehaald. Er zullen dan toch voorzieningen in de hervorming moeten worden ingebouwd om te voorkomen dat de overbevissing van de Noordzee door de achterdeur via het zuiden doorgaat. Is er op Europees niveau overigens voldoende onderzoekscapaciteit beschikbaar om met name voor de niet gereguleerde vissoorten de quota wat zuiverder vast te stellen?
Een voordeel zou kunnen zijn dat de lidstaten binnen de 12-mijlszone beheersmaatregelen mogen nemen in het kader van het behoud van ecosystemen die verder gaan dan alleen maar de eigen schepen, maar ook gelden voor schepen uit andere lidstaten. Heeft de staatssecretaris al een nationale invulling van die mogelijkheid voor ogen?
Door de hervormingen kan er een stabielere toekomst komen, zij het voor minder vissers, maar je kunt nu eenmaal geen economisch paradijs bouwen op een ecologisch kerkhof!
De heer Van der Ham (D66) merkt op dat zijn fractie het helemaal niet erg vindt als Nederland het beste jongetje van de klas wil zijn, vooral niet op dit punt. Hij maakt zich er eerder zorgen om dat andere landen te weinig doen.
De voorstellen van Commissaris Fischler vindt hij op zich prima. De nood is immers heel hoog. Het probleem lijkt hem te liggen in de handhaving, met name in de Zuid-Europese landen. Hoe wil de staatssecretaris ervoor zorgen dat ook die landen zich aan de afspraken gaan houden? Hij heeft er begrip voor dat er een Europese inspectie op de handhaving moet komen, maar is Europa daar al voldoende voor toegerust?
Hij deelt de zorgen dat Spanje en Portugal straks toegang krijgen tot de Noordzee. Kan die toegang niet afhankelijk worden gesteld van de vraag of ook deze landen zich houden aan de afspraken?
Het aalplan ziet er volgens hem uitstekend uit en hij kan zich vinden in de voorstellen die er voor Nederland liggen.
Ook de heer Van Dijke (ChristenUnie) complimenteert de staatssecretaris met haar opstelling in Brussel ten opzichte van de voorstellen van Fischler.
Hij heeft de indruk dat er enige verwarring is ontstaan over de feitelijke dreiging van de zgn. Spaanse armada en het antwoord dat daarop kan worden geformuleerd.
De komende Visserijraad zal er blijkbaar geen besluit worden genomen, maar dat wordt meer een informatiebijeenkomst. Hoe vrijblijvend zal die discussie echter zijn? Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er dan een proces op gang komt dat gestaag zal doorgaan. Wat is het streven van de staatssecretaris op het gebied van de regulering van de diepzeevisbestanden en wat zijn daar de beweegredenen van?
Over de eventuele gevolgen van de plannen van Fischler bestaat volgens hem ook de nodige verwarring, ook onder deskundigen. Kan de staatssecretaris aangeven wat de precieze gevolgen zijn voor de Nederlandse vloot als die plannen doorgaan? Wordt de Nederlandse vloot wel rechtvaardig bejegend, want alle soorten schepen worden immers meegeteld?
De aalstand ziet hij als een gezamenlijk Europees probleem. Het lukt de Europese Commissie blijkbaar niet om een internationaal beheersplan op te stellen. Het knelpunt is dat alle lidstaten naar elkaar wijzen. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om die vicieuze cirkel te doorbreken?
Hij memoreert ten slotte dat zijn fractie altijd heeft gepleit voor een gezamenlijk overlegplatform voor degenen die vooral de milieubelangen in het oog houden en degenen die hun economische belang hebben te behartigen, bijvoorbeeld de visserij. Hij kan zich niet aan de indruk onttrekken dat die twee groepen elkaar nog niet helemaal hebben gevonden. Wil de staatssecretaris bevorderen dat beide groepen zich gezamenlijk buigen over de thans voorliggende voorstellen en tot overeenstemming komen?
De heer Van Ruiten (LPF) verzoekt de staatssecretaris te bevorderen dat elke besluitvorming wordt uitgesteld totdat het nieuwe kabinet is aangetreden.
De plannen van Commissaris Fischler zijn bij de platvisvisserij als een bom ingeslagen, omdat die sector van mening is dat de voorgestelde korting totaal ongefundeerd is. Gelet op de huidige tong- en scholbestanden in de Noordzee is er helemaal geen aanleiding om de quota's te verkleinen. De buffer aan schol in de Noordzee is vastgesteld op 300 000 ton, terwijl de TAC in 1992 op 180 000 was bepaald waarvan Nederland 38% mocht vangen, dus 70 000 ton. Op dit moment is de TAC al gereduceerd tot 77 000 ton waarvan Nederland 30 000 ton mag vissen, inclusief uitruil met andere landen 33 000 ton. In tien jaar tijd is dat dus meer dan gehalveerd. De bokkervloot die tien jaar geleden uit 600 schepen bestond, met totaal 600 000 pk, is in die tijd gereduceerd tot een vloot van nog geen 400 schepen met 400 000 pk. Bovendien hebben de Nederlandse platvisvissers op vrijwillige basis het aantal vaardagen teruggebracht tot 180 en vissen zij sinds 1993 geheel binnen de toegewezen quota. Dat komt niet alleen door de scherpe controle, maar ook door het inzicht dat de laatste tien jaar bij de Nederlandse vissers is gerijpt dat het in hun eigen belang is om zich aan de afgesproken regels te houden.
Hij wijst er vervolgens op dat biologen op hun eigen manier de hoeveelheid vis in de Noordzee bepalen en dat bij dat onderzoek jarenlang geen visser betrokken is geweest. De visserij heeft zelf verzocht om onderzoek te verrichten met bokkers, zodat ze ook zelf kennis kan nemen van de vangst en het uitsorteren. Zo'n tien jaar geleden is de zgn. scholbox ingevoerd, een areaal van 10 000 vierkante kilometer vanaf de Waddenzee tot aan Noorwegen, waarin niet gevist zou mogen worden door schepen met meer dan 300 pk. Vanuit Nederland wordt daar een uitstekend toezicht op uitgeoefend, maar in de praktijk blijkt dat Deense schepen wel met een groter vermogen in die box vissen terwijl Nederlandse controleurs daar niets tegen kunnen doen. Die box is mede uit ecologisch oogpunt afgesproken, maar de duur is niet gelimiteerd. Hij bestaat nu al zo'n tien jaar maar onderzoek naar de effecten ervan vindt niet plaats.
Hij herhaalt dat er volgens hem totaal geen tekort aan platvis is en dat het derhalve absoluut niet noodzakelijk is om de quota nog verder af te knijpen.
De heer Tichelaar (PvdA) kan namens zijn fractie alleen nog maar een voorlopig standpunt verwoorden, maar wil de staatssecretaris toch nog wel een boodschap meegeven voor de komende Visserijraad, want hoewel het is aangekondigd als een oriënterende bespreking weet hij uit ervaring dat daarmee vaak al het proces wordt gestart.
Hij stemt in met het doel van het voorstel-Fischler, het duurzaam maken van de visserij in Europa. Dat moet voortdurend in het oog worden gehouden. Het nationaal belang mag daarbij best worden betrokken, maar het uiteindelijke belang moet blijven het duurzaam maken van de visserij in Europa. Daarover zijn in het verleden al afspraken gemaakt die zijn fractie in ieder geval wenst na te komen. Dat is te meer noodzakelijk in het belang van de vissers. Tien jaar lang is met de kaasschaafmethode van de TAC's ervoor gezorgd dat de tekorten van vandaag de overschotten van morgen zijn. Elke keer opnieuw wordt het beleid aangepast aan nieuwe inzichten in tekorten en overschotten. Daar zou een einde aan moeten komen, maar dan moet de Visserijraad wel de rug recht houden, want hij vraagt zich af of er wel een voorstel uit zal komen dat gedragen wordt en ook recht doet aan het duurzaam maken van de visserij. De financiële gevolgen voor de Nederlandse visserij moeten daarbij natuurlijk wel in het oog worden gehouden en zoveel mogelijk worden opgevangen. Dat hoeft niet alleen met Europees geld, maar kan ook via een eigen Nederlandse bijdrage. Ook mogen de sociale gevolgen voor de Nederlandse visserij niet uit het oog worden verloren, zowel voor werkgevers als voor werknemers. Ook moet de proportionaliteit in het oog worden gehouden. Het is immers niet uitgesloten dat heel moderne Nederlandse schepen moeten worden afgestoten, terwijl de Europese subsidies altijd op modernisering van de schepen zijn gericht. Dat zou onzinnige kapitaalvernietiging zijn.
Hij is het eens met het stopzetten van Europese subsidies voor vlootvergroting en -vernieuwing, het stopzetten van het systeem van de jaarlijkse quota en de overgang naar meerjarenquota gebaseerd op een natuurlijke visstand, het oprichten van een Europese inspectie en het zowel op Nederlands als Europees niveau opzetten van een sociaal flankerend beleid.
Hij vraagt vervolgens hoe moet worden omgegaan met de saneringsvoorstellen in relatie tot de in ieder geval op dit moment niet bedreigde vissoorten. Is het juridisch en technisch gezien überhaupt wel mogelijk om daar rekening mee te houden?
De brief over het aalplan vindt hij niet erg consistent. De ernst van de situatie is hem wel duidelijk, maar dan begrijpt hij niet de zinsnede dat het handelen op nationaal niveau nauwelijks zoden aan de dijk zet als de staatssecretaris toch overweegt te komen met een nationaal plan om de aalstand op peil te houden.
De heer Teeven (LN) kan zich in grote lijnen vinden in de opstelling en de standpunten van de staatssecretaris maar moet daar wel enkele kanttekeningen bij plaatsen. Hij is het met de heer Van Dijke eens dat moet worden uitgegaan van een samenwerking tussen natuurbeschermers, biologen en vissers om tot goede afspraken over vangstbeperking te kunnen komen. Zijn fractie vindt het uiteraard belangrijk dat de ecologie van de zee in evenwicht blijft, maar ook dat het voor de Nederlandse vissers leefbaar blijft. Daarom vraagt hij de staatssecretaris om wat de aal betreft toch vooral niet vooruit te lopen op Europese besluitvorming, te bevorderen dat de besluiten worden gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek van onder andere het RIVO en het productschap. Ook hij is uiteraard voorstander van een duurzame visserij, maar ziet toch graag dat besluiten in Europees verband worden genomen. Inderdaad is Nederland lange tijd het beste jongetje van de klas geweest maar wellicht is het verstandig om dat niet langer te willen blijven, om niet vooruit te lopen, maar om de besluitvorming van Brussel te volgen.
De heer Van der Vlies (SGP) hecht eveneens aan een duurzame visserij. Hij wijst op de discrepantie tussen hetgeen zeebiologen noodzakelijk vinden en de vissers zelf op zee waarnemen. Het is noodzakelijk om in dit spanningsveld zorgvuldig te werk te gaan en te proberen het ecologische en het economische belang te laten harmoniëren. Daarvoor is inderdaad nodig een intensief contact tussen de visserijsector, de beleidsmakers en de biologen. De staatssecretaris heeft toegezegd dat te zullen bevorderen en uit de stukken blijkt inderdaad dat op majeure momenten overleg met de visserijsector en milieuorganisaties is voorzien over de uitwerking van bepaalde voorstellen.
Het plan van Fischler heeft inderdaad de nodige deining veroorzaakt. Een groot winstpunt ervan is wel dat er in Europa begrip lijkt te gaan ontstaan voor en ook consequenties verbonden gaan worden aan de Nederlandse vrijwillige visserij-inspanningen onder andere op het punt van de zeedagenregeling. Hij vindt dit een compliment waard in de richting van de staatssecretaris. Een en ander zou moeten inhouden dat die reductie van 25 000 ton ook van tafel kan.
Hij memoreert dat in november 2000 voor de kabeljauw de stormbal is gehesen. Vanwege de bijvangst van kabeljauw hebben door de toen genomen maatregelen de tong- en scholquota geleden. Het verbaast hem dan ook zeer dat pas volgend jaar over een kabeljauwplan wordt beslist. Hij vindt het onbegrijpelijk dat daar nu zoveel tijd voor nodig is, terwijl het toch aanvankelijk de bedoeling was om dat binnen een halfjaar voor elkaar te krijgen.
Wat betreft de aal erkent hij zonder omwegen een nationale verantwoordelijkheid. Het is in Nederland een probleem, maar ook elders. Het is een gezamenlijk probleem in de Europese wateren. Dat zou dan ook in internationale context moeten worden aangepakt, zonder voorbij te gaan aan de nationale verantwoordelijkheid ter zake. De staatssecretaris heeft expliciet toegezegd dat met de sector zal worden gesproken over omzetting daarvan in activiteitenplannen. Het is een goede zaak dat de sector er zo nadrukkelijk bij wordt betrokken.
Antwoord van de staatssecretaris
De staatssecretaris herinnert eraan dat al lange tijd bekend is dat er vanaf 2003 een nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid in werking moet treden en dat Nederland daar ook al geruime tijd mee bezig is. In 1999 heeft zij de Tweede Kamer al in een notitie geschetst hoe dat nieuwe visserijbeleid er naar de mening van het kabinet uit zou moeten komen te zien. Vervolgens is de Europese Commissie met een zogenaamd Groenboek gekomen in reactie waarop Nederland haar een memorandum heeft voorgelegd dat net als de notitie met de Kamer besproken is. Inderdaad is er een beweging te constateren van de Europese Commissie in de richting van het Nederlandse standpunt. De Europese Commissie heeft altijd op het standpunt gestaan dat het belangrijkste instrument om de visserij-inspanning te verminderen alleen maar het sturen op de vlootcapaciteit zou zijn, terwijl Nederland vanaf het begin heeft gezegd dat het verstandiger is om te sturen via de TAC's, de quota, selectieve technische maatregelen en co-management, de zgn. Biesheuvelgroepen. Dat laatste is in ieder geval in Nederland als een heel sterk instrument ervaren. Onder leiding van de heer Nijpels wordt daar nu een follow up aan gegeven. Ook zij is er dus zeer verheugd over dat de Europese Commissie nu eindelijk is afgestapt van het sturingsinstrument van de vlootcapaciteit alleen en er een breder instrumentarium van wil maken.
Zij geeft toe dat er enige commotie is ontstaan omdat Fischler er enige berekeningen bij heeft gedaan die in de pers zijn verschenen. Zij heeft die berekeningen wel en heeft er uiteraard geen bezwaar tegen om die direct aan de Kamer toe te sturen, maar zij heeft dat niet gedaan omdat die slaan op ontwerpverordeningen. Aanstaande dinsdag wordt er nog geen debat over gevoerd, maar licht Fischler het plan alleen maar toe. Wellicht zullen enkele lidstaten er wel op reageren als zij daartoe de gelegenheid krijgen, maar dat is het dan ook. Er zal zelfs geen oriënterend debat over plaatsvinden. De ontwerpverordeningen die zijn gebaseerd op het voorstel van Fischler zijn al helemaal niet aan de orde. Pas als de Visserijraad in hoofdlijnen over dat voorstel heeft besloten – dat zal waarschijnlijk in het najaar gebeuren – zullen de daarbij behorende verordeningen aan de orde komen. Aan één daarvan hangt een berekening van Fischler. Die berekening kan enkel en alleen maar worden gezien als een vingeroefening. Het zou wel heel inconsequent zijn als de Commissaris met een voorstel komt om af te zien van het alleen maar sturen op vlootcapaciteit om er vervolgens een berekening aan te hangen waaruit blijkt dat die capaciteit met zoveel procent gereduceerd moet worden. Fischler heeft inderdaad gezegd dat er niet meer alleen maar zal worden gestuurd op vlootcapaciteit, maar op visserij-inspanningen en dat zal waarschijnlijk betekenen dat de markt zijn werk gaat doen. Hoogstwaarschijnlijk zal dat uiteindelijk leiden tot reductie van de vloot omdat vissers er geen brood meer in zien. Dat betekent dat er Europees geld en een sociaal plan nodig zijn. Via die vingeroefening is geprobeerd in te schatten welke consequenties een en ander zou kunnen hebben. De visserijsector zelf is er ook van overtuigd dat dit een vingeroefening is, heeft de stukken heel goed gelezen en heeft er goede gesprekken in Brussel over gevoerd.
In het memorandum dat Nederland naar aanleiding van het Groenboek aan de Commissie heeft voorgelegd, is gepleit voor een grotere nadruk op een meer op duurzaamheid gericht instandhoudingsbeleid en gesteld dat toepassing van dat TAC- en quotabeleid op basis van meerjarige strategieën vorm moet krijgen en dan ook meer gericht moet zijn op de ecosysteembenadering. Tegelijkertijd betekent dat meer rekening houden met het meersoortenkarakter van de visbestanden, de kwetsbare bodemfauna en de zogenaamde niet-doelsoorten. Al deze punten kunnen terug worden gevonden in de huidige voorstellen van Fischler, maar een probleem is wel dat de Europese Commissie op dit punt wel erg veel bevoegdheden naar zich toetrekt: als eenmaal die TAC en de quota in een meerjarenstrategie zijn vastgesteld, mag de Visserijraad er een keer over praten en is het de jaren daarna niet meer dan een technische uitwerking die wel aan het Europese beheercomité kan worden overgelaten. Hoe goed het ook is dat de discussie wordt gedepolitiseerd, dat die is gericht op een meerjarige strategie en wordt gebaseerd op deugdelijke, eensluidende en niet voor velerlei uitleg vatbare wetenschappelijke onderbouwingen, ergens moet er volgens de staatssecretaris toch een moment zijn waarop lidstaten kunnen zeggen of zij het wel of niet eens zijn met die technische uitvoering. Als het lukt om die wetenschappelijke onderzoeken beter en eensluidender te maken en als daarop de meerjarenstrategie wordt gebaseerd, kunnen de politieke deals die veelal 's nachts worden gesloten ook worden voorkomen.
Het co-management en de zgn. Biesheuvelgroepen heeft zij regelmatig in de Visserijraad over het voetlicht gebracht en ervoor gepleit om die op Europees niveau te tillen, in ieder geval op het niveau van de regionale adviescommissies. Het is een stap vooruit dat de Europese Commissie erkent dat dit een mogelijkheid is, maar jammer genoeg is het nog te vrijblijvend. Die commissies mogen alleen maar advies geven en krijgen geen enkele verantwoordelijkheid en dat wijkt nogal af van het systeem dat in Nederland wordt gehanteerd. Als zij aanstaande dinsdag de gelegenheid krijgt om een eerste reactie te geven, zou zij de Europese Commissaris dat in ieder geval willen voorhouden.
Als haar wordt gevraagd of zij het ermee eens is dat er geen enkel argument te vinden is om de quota voor tong en schol te verlagen, moet zij daar met een duidelijk «neen» op antwoorden. Iedere Visserijraad van december worden aan de hand van wetenschappelijke adviezen de TAC's en quota van welke vissoort dan ook vastgesteld. Als uit die onderzoeken en analyses blijkt dat de bestanden zodanig zijn dat er alle reden is om de TAC's te verlagen, dan moet daartoe worden besloten. De beslissing daarover mag niet politiek bepaald worden, maar moet steeds meer gedragen worden door een meerjarenstrategie op basis van gedegen wetenschappelijke onderzoeken. De visserijsector heeft haar meegedeeld dat de scholbestanden zoveel positiever zijn dan de aannames uit het najaar op grond van de wetenschappelijke adviezen en heeft haar om een interventie gevraagd om te proberen die TAC alsnog te verhogen. Voordat zij daartoe bereid is, wil zij dat wel onderzocht hebben door de eigen visserijbiologen, in casu het RIVO. Op 7 juni zal het RIVO het rapport daarover uitbrengen en dan zullen de resultaten bekend zijn. Inmiddels heeft zij wel van het RIVO begrepen dat de visserijsector zich op dit punt niet rijk moet rekenen. Desgevraagd zegt zij toe dat zij dat rapport alsmede haar conclusies zo spoedig mogelijk aan de Kamer zal doen toekomen.
De toegang van de zuidelijke lidstaten tot de Noordzee is volgens de staatssecretaris geregeld in het toetredingsverdrag. Het zal moeilijk, zo niet onmogelijk zijn om daaraan te tornen. Die landen mogen dus op de Noordzee vissen op de niet gequoteerde vissoorten, maar er zijn er nogal wat gequoteerd, met name alle commercieel interessante. Of het zo'n vaart zal lopen als wel wordt gevreesd, moet dus nog maar worden afgewacht. Het voorstel van het productschap om alle niet gequoteerde bestanden dan maar te gaan quoteren, is volgens haar in de praktijk gewoon niet uitvoerbaar en lijkt haar ook niet de oplossing te zijn. In de Noordzee leven zo'n 5000 soorten. Wel is zij van mening dat de Europese Commissie er heel weinig woorden aan besteedt en op geen enkele manier aangeeft hoe dat enigszins kan worden gereguleerd en begeleid. Zonder precies voor ogen te hebben hoe dat zou kunnen – dat zal ingewikkeld genoeg zijn – zal zij er op de Visserijraad in ieder geval wel de aandacht voor vragen.
De gezamenlijke inspectie op Europees niveau is al vaker aan de orde geweest. Enerzijds bestaat er behoefte aan het opschalen van de controle naar het Europees niveau, anderzijds hebben de lidstaten nog eigen bevoegdheden waar het gaat om de sancties. Bezien moet dan ook worden of er in het geval van de visserij op dat punt iets communautairs moet worden geregeld. Zij heeft in ieder geval het gevoel dat de Europese Commissie iets te snel zegt dat het maar op Europees niveau moet. Bovendien is niet zeker dat de Commissie daarvoor wel alle instrumenten heeft. Ook is het de vraag op welke punten zij het recht krijgt om in te grijpen. Het is toch moeilijk voorstelbaar dat bijvoorbeeld de AID vanuit Brussel wordt aangestuurd.
De staatssecretaris wijst er voorts op dat de fases 1 (het noodplan) en 2 (technische maatregelen) van het kabeljauwherstelplan al zijn afgerond en dat fase 3 nu gemaakt kan worden. Ook zij had het graag wat sneller gezien, maar er kan niet gezegd worden dat er op dat punt niets is gebeurd.
Zij is het ermee eens dat haar brief over het aalplan wellicht wat inconsistent lijkt. Enerzijds is het een juiste constatering dat nationale maatregelen niet zoveel zin hebben als er op internationaal niveau niets gebeurt, anderzijds kun je niet wachten op Europese maatregelen. Dat zou ook niet in het voordeel van de desbetreffende vissers zijn. Het lijkt haar niet verstandig om te wachten met het overleg met die sector over maatregelen die wel op nationaal niveau kunnen worden genomen, want de aalstand in Nederland is zonder meer slecht te noemen. Zij heeft slechts suggesties gedaan om op basis daarvan het overleg met de sector aan te gaan, maar ook met de milieuorganisaties. Als de sector het eens is met alle maatregelen, behalve bijvoorbeeld met verlaging van de visserijdruk, dan zou dat volgens haar wel inconsequent zijn. Tegelijkertijd blijft zij zich natuurlijk inzetten voor Europese maatregelen, want die zijn zonder meer noodzakelijk.
Ten slotte merkt de staatssecretaris op dat zij het ermee eens is dat het heel goed zou zijn als biologen, de visserijsector en de natuurorganisaties gezamenlijk gaan praten over dat nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid. Als ze het op sommige punten eens worden, zou dat prachtig zijn; waar ze het niet over eens kunnen worden, moet ook maar eens duidelijk worden, opdat de Kamer in alle wijsheid op basis van alle argumenten de nieuwe bewindspersoon die verantwoordelijk zal zijn voor de visserij met goede argumenten naar de Visserijraad kan sturen.
Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), fng. voorzitter, Te Veldhuis (VVD), Van Heemst (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Duivesteijn (PvdA), Kamp (VVD), Crone (PvdA), Vos (GroenLinks), Cornielje (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Meijer (CDA), Buijs (CDA), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Van Ruiten (LPF), Van den Brink (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Teeven (LN), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), De Jong (LPF), Groenink (LPF).
Plv. leden: Van Dijke (ChristenUnie), Jager (CDA), Mosterd (CDA), Spies (CDA), Van Lith (CDA), Ross-van Dorp (CDA), Eerdmans (LPF), Dekker (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Jense (LN), Mastwijk (CDA), Van Geen (D66), Vergeer-Mudde (SP), Jukema (LPF), Smolders (LPF).
Samenstelling:
Leden: Te Veldhuis (VVD), fng. voorzitter, Melkert (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Voûte-Droste (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Verhagen (CDA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Van der Staaij (SGP), Janssen van Raay (LPF), Van Winsen (CDA), Palm (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Jager (CDA), Teeven (LN), Wolfsen (PvdA), Schonewille (LPF), De Jong (LPF), De Nerée tot Babberich (CDA).
Plv. leden: Koenders (PvdA), Hessels (CDA), Van Haersma Buma (CDA),Vietsch (CDA), Dittrich (D66), Van Geel (CDA), Vos (GroenLinks), Van Velzen (SP), Rouvoet (ChristenUnie), De Graaf (LPF), Sterk (CDA), Varela (LPF), Ormel (CDA), Jense (LN), Zeroual (LPF), Smulders (LPF), Mastwijk (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21501-17-125.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.