21 490
Hoofdlijnen van het veteranenbeleid

nr. 19
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 augustus 1995

In de vergadering van de vaste kamercommissie voor Defensie op 18 mei jl. en het daarop volgende plenaire debat op 20 juni jl., heb ik u naar aanleiding van een vraag van de heer Verkerk toegezegd na te gaan of er mogelijkheden zijn in plaats van de aan de veteranenpas verbonden reisfaciliteiten telefoonkosten te vergoeden.

In overleg met de Stichting Dienstverlening Veteranen (SDV) is bezien of er onder veteranen behoefte is aan een vergoeding van telefoonkosten en zo ja, of dit praktisch uitvoerbaar zou zijn. De bevindingen van de SDV zijn dat er geen algemene behoefte is aan deze vorm van vergoeding. Bij de administratie van de keuze tussen reisfaciliteiten en telefoonkosten zou een aantal praktische problemen ontstaan, in het bijzonder bij de registratie. Hierdoor zouden de uitvoeringskosten te hoog worden.

Ik beschouw reünies als een belangrijke uitdrukking van zorg en erkenning voor veteranen. Deelneming aan reünies bevordert de sociale contacten en het groepsaspect heeft toegevoegde waarde. Ter ondersteuning hiervan zijn de reisfaciliteiten in het leven geroepen. Vergoeding van telefoonkosten is op individuele veteranen gericht en zou niet bijdragen aan de doelstellingen van het veteranenbeleid.

Met een dergelijke uitbreiding zou bovendien een precedent worden geschapen, waardoor mogelijk ook anderssoortige kosten ter discussie komen te staan. Ik noem bijvoorbeeld de kosten van eigen vervoer naar een reünie, of postzegels en dergelijke voor schriftelijke contacten. Dit zou leiden tot een te grote versnippering van de financiële middelen die Defensie ter beschikking staan en tot een buitensporige toename van de uitvoeringskosten.

Ik heb daarom besloten niet in te gaan op de suggestie van de heer Verkerk en mij te beperken tot het vergoeden van treinkaartjes van veteranen die de reünies bezoeken.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Naar boven