21 195
Algemene regels ter verzekering van de beveiliging door waterkeringen tegen overstromingen door het buitenwater en regeling van enkele daarmee verband houdende aangelegenheden (Wet op de waterkering)

nr. 13
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG

Ontvangen 27 juni 1995

ALGEMEEN

I. Inleiding

Blijkens de inleidende opmerkingen in het eindverslag zijn de leden van de fracties van de PvdA, het CDA, de VVD, D66, de SGP, het GPV en Groen Links van mening dat de uitgebreide – maar met grote vertraging uitgebrachte – memorie van antwoord niet toereikend is voor het verschaffen van voldoende duidelijkheid. Dit betreft in het bijzonder de uitgangspunten voor de in het gewijzigd voorstel van wet opgenomen regeling van de onderhoudsbijdrage aan beheerders van de primaire waterkeringen. Ook is van verschillende kanten teleurstelling geuit over het feit dat het regeringsstandpunt met betrekking tot de Commissie Toetsing Uitgangspunten Rivierdijkversterkingen (Commissie-Boertien) niet ook in het gewijzigd wetsvoorstel tot uitdrukking is gebracht.

Betreurd moet worden dat de wetgeving voor de bestuurlijke en financiële verhoudingen voor een zo essentieel deel van de overheidstaak – de veiligheid van ons land tegen overstroming vanuit het zg. buitenwater – ernstige vertraging heeft opgelopen. Inmiddels is in de voortgang van de behandeling van het wetsvoorstel opnieuw ernstige vertraging opgetreden.

Lopende de voorbereiding van de nota naar aanleiding van het eindverslag, ontstond de situatie van dreigend overstromingsgevaar en van wateroverlast tengevolge van extreem hoge watergolven op de Rijn (met zijtakken) en de Maas. Die situatie maakte het voor de regering noodzakelijk om zich, wat de rivierdijkversterking betreft, te beraden op het bevorderen van een versnelde uitvoering daarvan. Essentieel daarvoor zou zijn een versnelling van de wettelijke procedure(s). Het voornemen daartoe is de Kamer bekendgemaakt bij brief van 10 februari 1995 (Kamerstukken II, 18 106, nr. 53) van mij en mijn ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Dit voornemen gold primair het wettelijk instrumentarium voor de realisering van de meest urgente maatregelen, nl. de versterking van de dijkvakken met een veiligheidsniveau lager dan 1/100 en van de aanleg van kades langs het onbedijkte deel van de Maas. Dit heeft geleid tot de Wet van 13 april 1995, Stb. 210 (Deltawet grote rivieren). Ten aanzien van de overige dijkversterkingsprojecten is als doel gesteld dat het daarvoor opgestelde programma op een aanzienlijk eerder tijdstip, nl. reeds in 2000 is voltooid. Het betreft hier de versterkingswerken die moeten worden uitgevoerd om dijkringgebieden, waar dat nog niet het geval is, voor de eerste maal te laten voldoen aan het daarvoor in artikel 3 van het wetsvoorstel bedoelde veiligheidsniveau, zoals aangegeven in bijlage 2 bij het wetsvoorstel. Naar aanleiding daarvan is besloten om te komen tot een voor (uitsluitend) die projecten bestemde wettelijke procedure die zodanig is ingericht dat het daarlangs inderdaad mogelijk wordt het bedoelde dijkversterkingsprocedure volgens dat gestelde doel te hebben gerealiseerd.

De ontwikkeling van een zodanige procedurele versnelling waarvoor een wettelijke grondslag is vereist, had absolute prioriteit. Tegelijk behoort dit tot de onderwerpen die thuis horen in de algemene wettelijke regeling op het punt van de beveiliging van het land tegen overstromingsgevaar vanuit het buitenwater, dus in het wetsvoorstel dat nu is belichaamd in het ontwerp van de Wet op de waterkering. Het had onder die omstandigheden geen zin om, afgezien nog van de beschikbare schaarse capaciteit, daaraan voorafgaand de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor te zetten en daarvoor eerst nog een nota naar aanleiding van het eindverslag uit te brengen. Daarbij komt, dat in het eindverslag tal van vragen zijn gesteld met betrekking tot de (zeer summiere) procedurele regeling van de vaststelling en goedkeuring van plannen voor werken tot aanleg of wijziging van primaire waterkeringen. Deze vragen betroffen vooral de doorwerking van de aanbevelingen van de Commissie-Boertien en het voorkomen van dubbele beroepsprocedures. Deze onderwerpen zouden direct aan de orde zijn bij de bovenbedoelde ontwikkeling van een samenstel van wettelijke voorzieningen.

Een en ander heeft inmiddels ook geleid tot de eerder aangekondigde aanvulling van het wetsvoorstel, bij tweede nota van wijziging. Dit heeft er verder toe geleid dat, om redenen van duidelijkheid en overzichtelijkheid, op die vragen zo min mogelijk afzonderlijk wordt ingegaan in deze nota naar aanleiding van het eindverslag doch dit zo veel mogelijk wordt overgelaten aan de uiteenzetting in de toelichting op die nota van wijziging. De nota naar aanleiding van het eindverslag zal zich vrijwel geheel kunnen richten op de vragen die betrekking hebben op de (regeling van de) financiële bijdrage, en de beveiliging tegen het buitenwater alsmede op enkele andere onderwerpen, te behandelen in het artikelsgewijze gedeelte.

II. De regeling van de financiële bijdrage

Alvorens nader in te gaan op de vragen en opmerkingen over dit onderwerp in het eindverslag, stel ik er prijs op hieraan enkele opmerkingen van mijn kant aan te doen voorafgaan.

In de afspraken die in de vorige kabinetsperiode zijn gemaakt tussen het Rijk en het Interprovinciaal Overleg (IPO) inzake de decentralisatie-impuls is omtrent de decentralisatie van waterkeringsubsidies opgenomen, dat in een bestuursovereenkomst zal worden vastgelegd dat de provincies jaarlijks zullen rapporteren over de stand van zaken aan de Minister van Verkeer en Waterstaat en dat deze minister daarover weer verslag uitbrengt aan de Tweede Kamer.

Dit heeft geleid tot het sluiten van een bestuursovereenkomst op 18 december 1993, waarbij het Rijk enerzijds en het IPO anderzijds verklaren welke uitgangspunten bij hun beleid op het terrein van de waterkeringsubsidies zullen worden gehanteerd. Als uitvloeisel hiervan is tussen de betrokken ministers overeengekomen dat met ingang van het begrotingsjaar 1994 het budget dat binnen de begroting van Verkeer en Waterstaat bestemd was voor de waterkeringsubsidies (rivierdijkversterking, beheer en onderhoud primaire waterkeringen, muskusrattenbestrijding) wordt overgeheveld naar het Provinciefonds. Vervolgens is voor 1994 deze overheveling al geëffectueerd met een daarmee corresponderende verhoging van het uitkeringspercentage, bedoeld in artikel 234 van de Provinciewet.

Het voorgaande was als gezegd onderdeel van het beleid van dat kabinet met betrekking tot de decentralisatie-impuls, dat als geheel de brede instemming had van de Tweede Kamer. Hoofddoel van dit onderhavige onderdeel was, zoals ook bij memorie van antwoord uiteengezet, te komen tot een model waarbij het verlenen van bedoelde bijdragen gaat behoren tot de taak van de provincies. Die taak vereist een wettelijke basis waarin niet was voorzien in het ingediende ontwerp van Wet op de waterkering, zodat dat ontwerp bij nota van wijziging daartoe is aangepast. De Tweede Kamer heeft, laatstelijk nog met de aanvordering van de motie-Van den Berg (Kamerstukken II 1993/94, 23 400 XII, nr. 21) uitdrukkelijk haar instemming voorbehouden ten aanzien van afspraken die beogen een structureel karakter te verbinden aan bedoelde overgang van middelen naar het Provinciefonds. Dit voorbehoud hield verband met de hierover – met inbegrip van de voor de provincies beoogde decentrale taak – nog te voeren discussie bij de behandeling van het wetsontwerp; in het bijzonder nu het ging om wijzigingen van de bestuurlijke en financiële verhoudingen op het terrein van de waterkeringszorg.

Een dergelijk voorbehoud past ook bij een behoorlijk wetgevingsproces, zoals in het eindverslag door de leden van de SGP-fractie is opgemerkt. De beoogde decentralisatie van het onderhavige stelsel van bijdragenverlening zal dan ook eerst zijn voltooid wanneer het parlement ook met de daarop toegesneden wettelijke basis in de Wet op de waterkering zal hebben ingestemd.

Ik meen dat laatste hier uitdrukkelijk te moeten voorop stellen. In het eindverslag zijn immers vraagtekens geplaatst bij de rol van de Tweede Kamer in deze als medewetgever. Deze spitsten zich toe op de regeling van de onderhoudsbijdragen. Gesteld werd nl. dat de decentralisatie al werd geëffectueerd vooruitlopend op de discussie in de Tweede Kamer over de waardering van het nationaal belang, terwijl er juist op het punt van de onderhoudsbijdragen een principieel meningsverschil lag met de regering. Door de leden van de fractie van het CDA is opgemerkt dat een dergelijk meningsverschil niet kan worden opgelost langs de weg van een decentralisatie. Door de leden van de fractie van D66 en ook door die van de SGP is gevraagd of hiermee de Tweede Kamer als medewetgever toch niet voor een voldongen lijkt te zijn gesteld, met voorbijgaan aan de bovenaangehaalde motie-Van den Berg.

Zoals ik echter hierboven al heb gezegd, kan het niet anders zijn dan dat de definitieve besluitvorming hierover pas plaatsvindt bij de behandeling van dit wetsontwerp.

De kritiek in het eindverslag betrof ten principale het effect van het decentraliseren van de bijdrageregeling, bezien vanuit de relatie tussen regering en parlement en wel omdat er – bij gebreke ook van enige wettelijke normering – sprake zou zijn van uitholling van de medeverantwoordelijkheid van het parlement. Op dit aspect is vooral gewezen door de leden van de fracties van het CDA, van D66, van het GPV en van het SGP. In dit verband is, met verwijzing ook naar het door het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen bij brief van 27 juni 1994 geleverde commentaar, zowel door de leden van de fractie van D66 alsook die van de PvdA en de VVD, gewezen op het geheel ontbreken van een wettelijke norm, ofwel meer concreet de hoogte van de factor van het nationaal belang. Dit klemde blijkbaar des te meer vanwege de vraag naar een door de wetgever te verschaffen garantie aan de betrokken waterschappen .

Blijkens deze reactie van de kant van de Tweede Kamer zijn hier – onlosmakelijk – twee te onderscheiden zaken aan de orde. De ene betreft de aard van de verantwoordelijkheid die het rijk in deze heeft en die het rijk zou dienen te behouden. De andere betreft de aard en omvang van de financiering in verband met het deels bovenwaterschappelijke, nationale aspect van de veiligheid tegen overstromingsgevaar. Hieronder zal dan ook allereerst worden ingegaan op dit onderscheid en de verdere consequenties daarvan.

Zoals in eerste instantie al aangegeven bij memorie van toelichting, is de algemene doelstelling van het wetsvoorstel gelegen in de consolidatie van de veiligheid tegen het overstromingsgevaar dat optreedt vanuit het zg. buitenwater (stormvloed, hoog opperwater van grote rivieren en het IJsselmeer). Dit laatste is temeer gewenst uit het gezichtspunt van artikel 21 van de Grondwet, dat de bewoonbaarheid van het land tot de zorg verklaart van de overheid (hier derhalve het rijk samen met de betrokken provincies en waterschappen). De rijksverantwoordelijkheid ligt op het vlak van het zeker stellen (garanderen) van die veiligheid van overheidswege. Wettelijk vindt dit zijn weerslag in o.m. die taak voor het rijk om, aan de hand van de periodiek aan de Minister van Verkeer en Waterstaat uit te brengen verslagen over de primaire waterkeringen, de vinger aan de pols te houden en zonodig bestuurlijk actief op te treden om te verzekeren dat de wettelijke veiligheidsnorm wordt gehandhaafd. De uitvoering van de taak èn de verantwoordelijkheid daarvoor is per definitie niet vatbaar voor enige vorm van decentralisatie omdat zij eigen is aan de centrale overheid. Ten principale ligt dit anders ten aanzien van de wijze waarop financiële verplichtingen worden vervuld. Vast staat immers dat het rijk vanwege de nationale betekenis voor die veiligheid tot op zekere hoogte verplichtingen heeft. Dit dient tot uitdrukking te komen in het bijdragen aan de door waterschappen te maken kosten, en wel niet alleen voor het bereiken van de voor het betreffende dijkringgebied wettelijk vast te leggen veiligheidsniveau (de geaccepteerde doorbraakkans van de betreffende primaire waterkering) maar ook voor het in goede staat houden van de primaire waterkeringen. Dat sluit ook aan op het beginsel van artikel 98 van de Waterschapswet, zoals ook is gesteld door de leden van de SGP-fractie.

De wijze echter waarop dat geschiedt kan niet los worden gezien van de diverse posities van onderscheidenlijk het rijk en de betrokken provincies en waterschappen. Voor de wetgever doen zich – daargelaten de uiteindelijke beslissing omtrent de omvang van de door het rijk ter beschikking te stellen geldmiddelen – verschillende mogelijkheden voor met betrekking tot wijze waarop het rijk zich van zijn financiële verplichtingen in deze kan kwijten. De bestaande situatie bij de indiening van het wetsvoorstel was belichaamd in de vanaf 1969 geldende buitenwettelijke regeling op grond waarvan door de minister van Verkeer en Waterstaat, op basis van door waterschappen opgestelde aanvragen, bijdragen worden verleend. Dit is het stelsel dat inhoudelijk en historisch in hoge mate bepaald is geweest – niet alleen wat betreft de hoogte van het uitkeringspercentage maar ook wat betreft het gecentraliseerde karakter daarvan – door de sterk verbrokkelde waterschapsorganisatie van destijds en verder door het door allerlei oorzaken beperkte financiële draagvlak van de beherende waterschappen (de gebiedsomvang van de beherende waterschappen, de omslagplichtigheid van enkel het onroerend goed etc.). Dat laatste had nl. destijds geleid tot soms aanzienlijke achterstanden bij niet alleen het bereiken van de vereiste veiligheid maar ook in het noodzakelijke niveau van onderhoud van bepaalde hoogwaterkeringen. Al deze bijzondere medebepalende factoren van destijds nemen echter niet weg dat het – onverminderd de specifieke financiële draagplicht van het rijk – realistisch is aan andere mogelijkheden te denken. Zo'n andere mogelijkheid is dat het rijk overgaat tot het wettelijk vrijmaken van de noodzakelijk te achten geldmiddelen, door deze te storten in een fonds.

Aanvankelijk is in het wetsontwerp, zoals het in 1989 is ingediend, gekozen voor een voortzetting van de bestaande gecentraliseerde structuur (met als verschil dat van tussenkomst van de provincies ter besparing van bestuurslasten is afgezien). Later is door het daarna optredende kabinet, hangende de behandeling van het wetsontwerp maar in lijn met het algemene decentralisatiestreven (dat overigens ook behoort tot het beleid van het huidige kabinet), overgegaan op een gedecentraliseerd model.

Dit laatste geschiedde in het kader van meergenoemde decentralisatie-impuls. Afgezien van het algemene motief voor die decentralisatie-impuls, t.w. een zo duidelijk mogelijke, eenduidige structuur en een beëindiging zoveel mogelijk van open-einderegelingen en «de gouden koorden», gold voor het onderhavige onderdeel het meer specifieke motief van de bestuurlijke doelmatigheid bij het toezicht op het handhaven van het vereiste veiligheidsniveau. Door de vervolgens bij nota van wijziging (artikel 9 nieuw) opgenomen wettelijke opdracht aan de provincies om in medebewind zorg te dragen voor het verlenen van de onderhoudsbijdragen wordt immers bewerkstelligd dat de verantwoordelijkheden voor toezicht op, respectievelijk de medefinanciering van, de goede staat van de waterkering in één – provinciale – hand komen (volgens de Commissie-Boertien was juist een deel van de problematiek van de dijkverbetering veroorzaakt door het niet in één hand zijn). Door deze opdracht aan de provincies wordt het rijk geenszins bevrijd van zijn eigen verantwoordelijkheden maar wel van bestuurslasten die, volgens de principes ook van deregulering, voor dit beleidsterrein bij voorkeur niet thuis horen op het gecentraliseerde niveau. Dit laatste sluit bovendien ook beter aan op wat tot de wezenlijke rijksverantwoordelijkheid hoort en (dientengevolge ook in het wetsontwerp tot uitdrukking is gebracht) nl. dat het rijk tot taak heeft niet alleen om kennisontwikkeling ter beschikking te stellen op het gebied van de technische veiligheidnormering maar ook de vinger aan de pols te houden van de algemene veiligheidssituatie van de primaire waterkeringen.

Daarnaast blijft bij de provincies het ook reeds in de Waterstaatswet 1900 vastgelegde eerste-lijnstoezicht, met name ook op de veiligheidssituatie, met de verplichting daaromtrent – zoals uitgewerkt in artikel 7 van het ontwerp – verslag uit te brengen aan de Minister van Verkeer en Waterstaat (die dat ook aan de Tweede Kamer overlegt).

Alles bijeengenomen kan ik niet inzien dat de voorgestelde wettelijke decentralisatie ertoe zou kunnen strekken het rijk te bevrijden van bepaalde verantwoordelijkheden, zoals de opmerking van de leden van de CDA-fractie wat suggereert. Evenmin valt in te zien dat de mogelijkheid voor de Tweede Kamer om de Minister van Verkeer en Waterstaat ter verantwoording te roepen voor de onderhoudstoestand van de primaire waterkeringen – zeker gezien vanuit het aspect nationaal belang – hierdoor wordt uitgehold of verzwakt.

In het eindverslag kwam verder ook de principiële vraag aan de orde, of het mogelijk is om met een zo beperkte regeling op het punt van de onderhoudsbijdragen te volstaan, temeer waar bepaalde verplichtingen, zoals de bijdrageplicht, gelet ook op de tekst van artikel 98 van de Waterschapswet, rechtstreeks zouden rusten op het rijk zelf. De leden van de GPV-fractie merkten op dat in het gewijzigde wetsvoorstel zonder meer aan de provincie wordt overgelaten de hoogte te bepalen van het percentage waarin aan de waterschappen bijdragen in de onderhoudskosten worden verleend, hetgeen – aldus deze leden – strikt genomen eventueel afhankelijk zou kunnen worden gesteld van de ruimte op de provinciale begroting. Verder is in dit verband zowel door de leden van de fractie van D66 als door die van de PvdA naar mijn mening gevraagd ten aanzien van de stellingname van het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen in zijn bovengenoemde brief. Daarin wordt nl. gevraagd, of niet bij wet een vast uniform bijdragepercentage voor de onderhoudskosten zou behoren te worden vastgelegd. De leden van de PvdA-fractie vroegen ook nog of het althans niet mogelijk zou zijn in de wet te bepalen dat de provincies het nationaal belang tot uitgangspunt (algemene norm) nemen voor de bepaling van de hoogte van de bijdragen.

Het voorgaande betreft primair de vraag, of het beëindigen van een openeinde regeling – door overheveling van een bestaande uitkeringsregeling naar het Provinciefonds – te verenigen zou zijn met het handhaven in enigerlei vorm van een vast uitkeringspercentage. Naar mijn mening is dat niet het geval, en wel omdat een decentrale structuur nu eenmaal ontegenzeggelijk zekere beperkingen inhoudt voor het binden aan vaste regels van bovenaf, ook voor de wetgever. Doch afgezien daarvan valt in elk geval een decentralisatie naar de provincies – dus naar zelfstandige bestuurslichamen en niet naar uitvoeringsorganen van het rijk – niet te rijmen met een wettelijke instructie waaraan de door het provinciale bestuur te nemen beslissingen omtrent de hoogte van de onderhoudsbijdrage al te voren zouden zijn gebonden. Wel is het zo, dat de betrokken provincies zich zelf gebonden kunnen achten aan het bij de bovengenoemde bestuursovereenkomst met het rijk overeengekomen uitgangspunt dat zij de door het rijk gevoerde lijn zoveel mogelijk zullen voortzetten. Het enkel vastleggen ook in deze wet van het nationale belang als de algemene norm voor onderhoudsbijdragen voegt naast het bepaalde in artikel 98 van de Waterschapswet niets wezenlijks toe en kan dan ook moeilijk worden beschouwd als een tegemoetkoming aan de geuite bezwaren. Bovendien past een minder volledige of zwakkere vorm van decentralisatie naar mijn mening – wil men althans niet geraken in een halfslachtigheid – niet bij de aard van het overleg en de daaruit resulterende afspraken zoals die er nu tussen het rijk en het IPO op grond van dat bestuursakkoord liggen. Het komt er op neer dat ik geen mogelijkheid zie om, met handhaving van de wezenlijke zin van de decentralisatie-impuls, het dagelijks bestuur van de Unie van Waterschappen tegemoet te komen in het namens haar leden naar voren gebrachte bezwaar dat in het wetsontwerp met betrekking tot de onderhoudsbijdragen niet een directe rijksgarantie is opgenomen voor de waterschappen zelf.

Duidelijk moge zijn dat het gedecentraliseerde model mijn voorkeur heeft. Wanneer echter het parlement als medewetgever van oordeel mocht zijn dat een percentage – hetzij het percentage van de eerder beëindigde buitenwettelijke regeling, hetzij het lagere waarop de hoogte van de overheveling naar het Provinciefonds is gebaseerd – wettelijk moet worden gefixeerd, vervalt daarmede in wezen de grondslag aan het voorstel voor een gedecentraliseerd bijdragestelsel als zodanig (dus ook dat voor de dijkversterkingswerken). Dit zou er toe leiden dat het Rijk het doen van uitkeringen weer op zich zal hebben te nemen en dat de overheveling naar het Provinciefonds wordt beëindigd. Dit zou vervolgens ook de consequentie in zich dragen van een meer rechtstreekse rijksbemoeienis met de toestand van de primaire waterkeringen.

De leden van de SGP-fractie verzochten om een nadere reactie in verband met de bijdrageregeling van artikel 11 die betrekking heeft op het uitvoeren van nieuwe of versterkingswerken ten behoeve van het voor de eerste maal bereiken van het wettelijk vereiste veiligheidsniveau van het dijkringgebied. Deze leden vroegen of, het wel juist is om te stellen dat de aanpassing van het waterkerend vermogen aan de zeespiegelrijzing kan worden meegenomen met het groot onderhoud. Eenzelfde vraag stelden zij voor het geval een dergelijke aanpassing kort na het gereedkomen van versterkingswerken nodig wordt geacht uit een oogpunt van nieuwe berekeningsmethodieken. Deze leden vreesden het ontstaan van een ongewenste situatie uit een oogpunt van handhaven van de veiligheid, gezien ook de stellingname van het IPO, wanneer niet duidelijk is hoe in dat geval een rijksbijdrage wordt verstrekt.

Tien eeuwen waterkeren laten zien dat het handhaven van de veiligheid betekent dat dijken bij voortduring aangepast worden aan hogere waterstanden. De taak van de waterkeringbeheerder richt zich dan ook specifiek op het handhaven van de veiligheid en het daarmee steeds aanpassen van de dijken mag zeker niet uitgelegd worden als het handhaven van een eenmaal overeengekomen dijkprofiel.

Vanwege de in de jaren vijftig en zestig geconstateerde grote achterstand in het aanpassen van zowel de zeedijken (Deltawet) als de rivierdijken aan de nieuwe veiligheidseisen, is sprake geweest van éénmalige rijksbijdrage om deze grote achterstand in te lopen. Na het opheffen van de achterstandssituatie is de consolidatie van de veiligheid een verantwoordelijkheid – ook financieel – van de waterkeringbeheerder.

Aanpassingen aan gelijkmatige trends zoals zeespiegelrijzing kunnen dus zeer wel beschouwd worden als groot onderhoud.

Nieuwe berekeningen gebaseerd op nieuwe inzichten en kennis kunnen leiden tot de constatering dat de bestaande dijken als te licht of te zwaar moeten worden beschouwd. In het eerste geval betekent dit dat een extra (financiële) inspanning vereist is om de dijk op de vereiste sterkte te brengen. In het tweede geval betekent dat dat de bestaande dijk overgedimensioneerd is. Dit kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat aanpassingen aan bijv. zeespiegelrijzing uitgesteld kunnen worden. Ik heb geen reden om te veronderstellen dat de implementatie van nieuwe kennis over een iets langere termijn beschouwd, per saldo tot een grotere (of kleinere) financiële inspanning zal leiden. Ik zie dan ook geen reden om hiervoor nadere voorzieningen te treffen.

III. De uitwerking van financiële regeling

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA, D66 en het GPV stelden de vraag of het streven van de regering, de provincies in staat te stellen de onderhoudsbijdragen te handhaven op het niveau van de (vervallen) rijksbijdrageregelingen, realistisch is. Aanleiding tot die vraag was de overheveling van middelen naar het Provinciefonds, nadat daarin een halvering van de rijksbijdragen en een generieke korting was verwerkt. De leden van de VVD-fractie vroegen in verband daarmee om een overzicht van de gelden die het Provinciefonds heeft en van de gelden die nodig zijn voor een voldoende bijdrage in de kosten van beheer en onderhoud.

Met de rijksbijdrage inzake de kosten van beheer en onderhoud volgens de zg. 60/40-regeling was oorspronkelijk een jaarlijks bedrag van f 34 miljoen gemoeid. Deze rijksbijdrage werd door de provincies uitgekeerd op basis van door de waterschappen gemaakte directe kosten met betrekking tot het onderhoud aan waterkeringen.

Begin jaren '90 is de zgn. stofkamoperatie afgerond.

Deze operatie betrof een onderzoek naar de juiste toepassing van de bijdragehandleiding. De uitkomst van dit onderzoek, alsmede de invoering van de verplichting tot het opstellen van een accountantsrapportage, heeft er toe geleid dat in 1992 de rijksbijdrage beheer en onderhoud verminderd moest worden tot f 25 miljoen. De aanvankelijk naar het Provinciefonds over te hevelen gelden stemden, afgezien van een efficiencykorting die op het gehele DI-pakket is toegepast, overeen met de meerjarencijfers 1995–2001 zoals gepresenteerd bij het begrotingshoofdstuk van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor 1994. In deze meerjarencijfers is rekening gehouden met een gehalveerde rijksbijdrage van f 17 miljoen. Dit bedrag is daarmee niet gecorrigeerd in vervolg op het stofkameronderzoek. Feitelijk was dus geen sprake van een halvering van, maar van een reductie met f 8 miljoen op de voor het onderhoud bestemde rijksbijdrage.

Om met het IPO over de decentralisatie tot overeenstemming te komen, is aansluitend afgesproken om de in de meerjarenreeks genoemde bedragen te verhogen met (uiteindelijk) een jaarlijks bedrag van f 17 miljoen.

Naar mijn mening zijn met het bedrag van enerzijds f 17 miljoen, zijnde de oorspronkelijke gehalveerde en ongecorrigeerde bijdrage en anderzijds een deel van het bedrag van f 17 miljoen dat nodig was om met het IPO tot overeenstemming te komen, in principe voldoende middelen bij de provincies aanwezig om de bijdrage in de kosten van beheer en onderhoud op het oorspronkelijke niveau te kunnen handhaven. Daarbij komt nog dat de in de meerjarencijfers verwerkte bijdrage voor de rivierdijkversterking ook na afronding van (de voorfinanciering van) die versterking gecontinueerd blijft, zodat op dat moment (ca 2008) sprake is van een vrijval van ca. f 80 miljoen op jaarbasis.

Om het beeld volledig te maken is het zinvol om in dit kader tevens een beeld te schetsen van de financiële inspanningen van de waterschappen.

De omslagheffing van de waterschappen bedroeg in 1994 f 800 miljoen, waarvan 124 miljoen (16% bestemd is voor de waterkeringstaak. Het grootste deel (77%) is bestemd voor de waterbeheersing. Ter vergelijking: de opbrengst van de verontreinigingsheffing bedroeg voor de waterschappen in 1994 f 1 464 miljoen.

De feitelijk door het rijk in de meerjarenreeks verwerkte korting op beheer en onderhoud van f 8 miljoen (25–17), bedraagt daarmee gemiddeld 1% van de omslagheffing en bijna 7% van het bedrag dat de waterschappen jaarlijks besteden aan de waterkeringszorg.

In onderstaand overzicht, waarvoor de gegevens zijn ontleend aan het jaarverslag 1994 van de Unie van Waterschappen, is aangegeven hoe de oorspronkelijke lastenverdeling is tussen de (oorspronkelijke) categorieën gebouwd en ongebouwd en welke herverdelingseffecten globaal beschouwd kunnen optreden tengevolge van de invoering een ingezetenen en/of pachtervertegenwoordiging in waterschapsbesturen. Uit het overzicht is te zien dat de verlaging van de lasten voor het gebouwd respectievelijk het ongebouwd voor een klein deel zou worden teruggedraaid als de bijdragen die de betrokken provincies verlenen niet meer zouden omvatten dan f 17 miljoen op jaarbasis.

Kostenaandeel waterkeringszorg (in % van Mf 124)

   ingeval bijdrage Mƒ 17 is
kostenMf 124Mf 124Mf 132
gebouwd68,8%53,7%57%
ongebouwd30,2%8,2%9%
ingezetenen 37,3%40%
pachters 0,8%1%
totaal100%100%107%

De leden van de fracties van D66 en die van het GPV informeerden daarnaast hoe de regering staat tegenover de kritiek van het Interprovinciaal Overleg in haar brief van 14 juli 1994 dat niet f 17 mln. maar f 33 mln voor het Provinciefonds nodig is als aanvullende middelen. Ook vroegen zij of hogere uitgaven bij het handhaven van het niveau van de onderhoudsbijdragen niet zouden moeten leiden tot een herbezinning op de gestelde prioriteiten. De leden van de SGP-fractie zagen geen overtuigende argumenten voor een zo ver gaande beperking van die bijdragen ten opzichte van de 60–40 regeling, zeker nu er inmiddels sprake is een opwaartse druk op de kosten bij de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie Boertien. Deze leden vroegen zich daarom af daarmede in feite het rekening houden met de zg. LNC-waarden niet financieel onmogelijk wordt.

Ik ben van mening dat er in principe voldoende middelen naar het provinciefonds zijn overgegaan om – ook rekening houdend met een aantal onzekerheden – de waterkeringszorg ook in de toekomst op een adequaat niveau uit te kunnen blijven voeren.

Ik vind dat de decentralisatie-overeenkomst naar de toen – en ook nu nog – geldende inzichten op een verantwoorde wijze invulling geeft aan de verandering in de verantwoordelijkheden van rijk en provincies. Daarom zou het niet juist zijn om aanvullend op de gemaakte decentralisatie-afspraken thans nog afspraken te maken over het opvangen van eventuele tegenvallers en de eventuele meevallers op hetzelfde moment buiten beschouwing te laten. Naar mijn mening stelt het IPO de zaak op de juiste wijze wanneer aangegeven wordt dat een tekort aan waterkeringsgelden op enig moment moet leiden tot herbezinning op gestelde prioriteiten, waarbij naar mijn mening de besteding van alle middelen van het Provinciefonds aan de orde is.

IV. De beveiliging tegen het buitenwater

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA, D66, de SGP en het GPV waren niet overtuigd door de in de memorie van antwoord gegeven argumenten om het Markermeer niet als buitenwater aan te merken. Opgemerkt werd onder meer dat niet alleen de watervoorraad maar ook andere factoren, zoals het aantal inwoners, de inundatiediepte en de binnen een gebied aanwezige economische waarde, de omvang van de gevolgen van een dijkdoorbraak bepalen. Volgens de reactie van de Unie van Waterschappen zouden die gevolgen in sommige delen van Noord-Holland even erg zijn als bij een dijkdoorbraak van het IJsselmeer. Verwezen werd verder naar het standpunt van het IPO dat het al dan niet tot buitenwater bestempelen van het Markermeer zich slechts door middel van een risico-analyse laat onderbouwen. De leden van de SGP vroegen in dit verband om nadere een toelichting op de overschrijdingsfrequenties voor de waterkeringen langs de randmeren.

Door de provincie Noord-Holland is een effecten-analyse uitgevoerd waarbij de effecten van een calamiteit met betrekking tot de dijken rond het IJsselmeer vergeleken zijn met de effecten van eenzelfde calamiteit voor het Markermeer. Uit de analyse is naar voren gekomen dat de effecten ongeveer van dezelfde grootte zijn.

De kans op een calamiteit, dat wil zeggen de kans op een maatgevende belasting van de dijken, is op het IJsselmeer een factor 20 tot 100 groter dan op het Markermeer. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat de waterstand op het Markermeer veel beter te beheersen is dan die op het IJsselmeer.

Aangezien het risico van een overstroming gelijk is aan de kans op een maatgevende belasting maal het effect van de overstroming, betekent dit dat de risico's van een overstroming vanuit het Markermeer een factor 20 tot 100 kleiner zijn dan de risico's van een overstroming vanuit het IJsselmeer. Dit verschil, voortvloeiend uit de grotere mate van peilbeheersing op het Markermeer, is naar mijn mening voldoende om het Markermeer niet als gevarenbron in de zin van deze wet aan te merken.

V. De dijkversterkingsprocedure

In het eindverslag zijn enkele onderwerpen aan de orde gesteld die direct dan wel indirect betrekking hebben op de procedurele bepaling (artikel 6) in het wetsvoorstel.

Algemeen werd er in het eindverslag op aangedrongen om gevolg te geven aan de conclusies en aanbevelingen van de Commissie-Boertien, zowel in de tekst van die wettelijke bepaling zelf, alsook trouwens in verder uit te werken beleidsvisies en in technische leidraden.

Zo is er door de leden van de fractie van het CDA op gewezen dat de Commissie-Boertien heeft geconcludeerd dat een integrale visie op de gewenste kwaliteit van de nieuwe versterkte dijk, ook anders dan de functie als waterkering, ontbrak op alle niveaus van besluitvorming, en dat daartoe derhalve instrumenten van overheidsbeleid zouden moeten worden aangepast. De leden van de PvdA-fractie onderstreepten hun eerdere opmerking over de in de praktijk gebleken noodzaak om in het gebied van de waterkering rekening te houden met vooral ook de belangen van landschap, natuur en cultuurhistorie. De leden van de fractie van D66 vroegen in verband hiermee hoe de handhaafbaarheid van deze zg. LNC-waarden gegarandeerd kan worden. De leden van de SGP-fractie informeerden, hoe – binnen het kader van de vigerende wettelijke voorschriften – een afweging van alle bij de waterkeringszorg betrokken belangen gegarandeerd kan worden. De leden van de PvdA-fractie zagen het aangrijpingspunt daarvoor in de regeling van het provinciaal goedkeuringsvereiste van de dijkversterkingsplannen.

De leden van de GPV-fractie daarentegen wezen op het ontbreken van enig aangrijpingspunt voor het stellen van rijksnormen ten behoeve van (het rekening houden met) de meergenoemde waarden van landschap, natuur en cultuurhistorie.

Zoals recent gebleken uit het bevorderen van de Deltawet grote rivieren (Stb. 1995, 210) en nog meer recent uit het uitbrengen van een tweede nota van wijziging – tegelijk met deze nota naar aanleiding van het eindverslag – is de regering het volledig eens met de noodzaak de dijkversterkingsprocedure uit een oogpunt van zowel kwaliteit als voortgang van de besluitvorming een wettelijk stramien te geven dat tot een reeks fundamentele verbeteringen moet leiden.

In die context is ook aangegeven – in eerste instantie door de aanvaarding van het amendement-Schutte (TK 1994/95, 2409, nr. 9) bij de behandeling van die Deltawet grote rivieren – dat het omgaan met de aanbevelingen van de Commissie-Boertien zichtbaar moet worden gemaakt in het uiteindelijk opgestelde plan, en derhalve ook in de dijkversterkingsprocedure als zodanig. Daaraan doet niet af dat de materie waarop de conclusies en aanbevelingen van de Commissie-Boertien betrekking hebben – afgezien van de aanpassing van de wettelijke veiligheidsniveaus waaraan al bij de eerste nota van wijziging gevolg is gegeven – zich niet leent voor uitwerking in bindende normen bij of krachtens de wet. Naar mijn mening ligt voor het geven van doorwerking aan die conclusies en aanbevelingen de verantwoordelijkheid allereerst bij de beheerder van de primaire waterkering en verder bij het toezichthoudend provinciaal bestuur. Voorbeeld hiervan is het initiatief van de provincie Gelderland tot vaststelling van een provinciaal beleidsplan. Echter zal het rijk niet achter mogen blijven met het verder ontwikkelen en aanreiken van een meer uitgewerkte visie op de noodzakelijke brede benadering (zoals eerder al voor het integraal waterbeheer en de «brede kijk»). Mede door de relatie – binnen het algemene begrip waterhuishouding – tussen waterbeheersing en zorg voor de waterkering, lijkt de aangewezen gelegenheid daarvoor de op grond van artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding uit te brengen vierde nota waterhuishouding. Verder deel ik ook de algemene conclusie dat met het aspect van meergenoemde LNC-waarden ook rekening zal zijn te houden bij het opstellen of herzien van de technische leidraden waarmee de Technische Adviescommissie Waterkeringen (TAW) is belast.

Van belang voor de procedurele bepaling in artikel 6 van het wetsvoorstel zijn de conclusies en aanbevelingen van de Commissie-Boertien ook in die zin, dat zij een niet meer weg te denken element vormen voor het toetsingskader. Ook dit geldt zowel voor de procedure van voorbereiding en vaststelling van het dijkverbeteringsplan als voor de provinciale goedkeuringsprocedure. Reeds in het voorlopig verslag over dit wetsvoorstel werd door de leden van de PvdA-fractie de vraag gesteld of verzekerd is dat de toetsing niet eenzijdig betrekking zal hebben op veiligheid als waterstaatkundig belang.

Uiteengezet is in de memorie van antwoord dat gedeputeerde staten bij het nemen gehouden zijn aan het ook in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vastgelegde beginsel dat alle betrokken belangen in aanmerking zijn te nemen, tenzij de wet daarop een afwijking zou toestaan. Daarvan is immers noch in het wetsontwerp, noch in de Waterstaatswet 1900 waarop het huidige goedkeuringsvereiste is gebaseerd, sprake. Toch heeft die uiteenzetting deze leden kennelijk niet voldoende duidelijkheid gebracht, wellicht ook tegen de achtergrond van eerdere bevindingen waarvan de neerslag te vinden is in het rapport van de Commissie Boertien.

De leden van de PvdA-fractie stelden voor, het goedkeuringsvereiste aan te scherpen, door daarbij op te nemen dat goedkeuring wordt geweigerd wegens strijd met de wet of het algemeen belang. Aangezien dat echter de algemene bestuursrechtelijke regel is, zou het opnemen van die algemene grond in feite aan het bestaande niets toevoegen.

Intussen hebben de bovengenoemde onderwerpen de intense aandacht gekregen bij de voorbereiding van meergenoemde tweede nota van wijzigingen. Zeker is dat bij die bijzondere wettelijke voorziening het accent ligt op versnelling van procedure, zij het met behoud van de vereiste kwaliteit van besluitvorming en van de rechtsbescherming voor belanghebbenden.

Niettemin zijn bij de gedachtenvorming, die in eerste instantie was gericht op die bijzondere procedure, een aantal duidelijke verbeteringen naar voren gekomen die voor de dijkversterkingsprocedure als geheel en dus ook voor de «reguliere» procedure algemene gelding behoren te verkrijgen. Dit heeft er toe geleid dat ook artikel 6 van wetsvoorstel, dat betrekking heeft op de «reguliere» gevallen van aanleg of wijziging van primaire waterkeringen, fundamenteel moest worden herzien. Bij diezelfde nota van wijziging is dan ook dat oorspronkelijke artikel 6 vervangen door drie nieuwe artikelen 6 t/m 6b. Onverminderd is daarbij het uitgangspunt dat de buitengewone versnellingsmogelijkheden in de bij tweede nota van wijziging voorgestelde artikelen 15a t/m 15o, zijn voorbehouden aan de realisering van de versnelde uitvoering van het dijkversterkingsprogramma tot het jaar 2000; zeker waar deze ingrepen bevatten in de bestaande reguliere procedure (o.a. op het punt van termijnen. Dat sluit niet uit dat de evaluatie van de werking van die bepalingen, die ingevolge het bij die nota van wijziging voorgestelde artikel 15o moet plaatsvinden binnen vier jaar na de invoering van het wettelijke procedure voor dat programma, tot de conclusie leidt dat ook ten aanzien van de nieuwe artikelen 6a t/m 6b («de reguliere procedure») nadere structurele aanpassingen gewenst zijn. Een punt dat daarbij bijvoorbeeld nadere overweging zou kunnen verdienen is de concentratie van de rechtsbescherming ter voorkoming van eventuele dubbele beroepsprocedures.

Voor de verdere toelichting daarop moge worden verwezen naar de toelichting op die nota van wijziging.

ARTIKELEN

Artikel 5

Zowel de leden van de fractie van het CDA als die van D66 informeerden nader naar de wenselijkheid van een wettelijke regeling voor de Technische Adviescommissie Waterkeringen (TAW). De leden van de D66-fractie wezen daarvoor op het standpunt van de Unie van Waterschappen dat deze adviescommissie beleidsvormend is. Zelf noemden zij in dat verband de rol van deze adviescommissie bij eventuele bijstellingen van de veiligheidsfilosofie.

Voorop staat dat binnen de TAW op efficiënte wijze tot een advies gekomen kan worden, doordat advisering en beleidsvoorbereiding van elkaar gescheiden zijn. Advisering over bijvoorbeeld de veiligheidsfilosofie als zodanig vindt plaats door de Raad voor Verkeer en Waterstaat en overleg met de belangengroepering in het Overlegorgaan.

Wijziging in de huidige status van de TAW zou ook kunnen leiden tot een feitelijk andere betekenis van de adviezen van de TAW. Hierdoor worden de gescheiden verantwoordelijkheden met elkaar vermengd, waardoor binnen de TAW een ander en naar mijn mening minder effectief proces van besluitvorming zou gaan optreden.

In de memorie van antwoord (blz. 11, derde alinea) is al aangegeven dat de TAW niet op grond van het enkele feit dat haar adviezen doorwerken in beleidsbeslissingen kan worden bestempeld als een adviesorgaan dat tot taak heeft te adviseren over het beleid. Dit wordt niet anders indien, afgezien nog van de door haar opgestelde leidraden, de wijze waarop de TAW haar technisch-specialistische adviestaak uitoefent, leidt of kan leiden tot bijvoorbeeld een andere benadering van veiligheidsnormen in het algemeen. In de kern gaat het erom dat de technische-wetenschappelijke kennis, gedragen door een breed samengestelde commissie van deskundigen, beschikbaar is en in geactualiseerde vorm beschikbaar blijft ten behoeve van bestuursorganen die het beheer van en het toezicht op de primaire waterkeringen tot taak hebben.

Overigens is de vraag, of deze commissie moet worden beschouwd als adviesorgaan voor het beleid, ook nog eens onderzocht in het kader van het project herziening adviesstelsel en daar ontkennend beantwoord.

De leden van de fracties van D66 en Groen Links wezen op de behoefte aan een meer duidelijke omschrijving van het karakter van technische leidraden van de TAW. Zij wezen er daarbij op dat – zoals ook door de Stichting Natuur en Milieu in haar brief van 18 oktober 1994 gesteld en met zorg geconstateerd – blijkens het advies van de Commissie-Boertien de technische leidraden door waterschappen en ingenieursbureaus veelal als bindend worden ervaren. Door de starre interpretatie zou het in de praktijk zeer moeilijk zijn gebleken om van de leidraden af te wijken om huizen, natuur of landschap te sparen. De leden van de fractie van Groen Links vroegen meer concreet de interpretatie van de technische leidraden zodanig aan te passen dat deze overeenkomst met die van de «handreikingen» van de TAW.

Het eerste lid bepaalt in de tweede volzin dat de technische leidraden, na de vaststelling daarvan door de Minister van Verkeer en Waterstaat, strekken tot aanbeveling.

Alhoewel met dat laatste het karakter van de onderscheidene leidraden voldoende duidelijk lijkt te zijn aangegeven, blijkt dat daarover toch misverstanden zijn ontstaan. Het gaat daarbij om de eerder tot stand gekomen, in boekvorm gepubliceerde leidraden en dan met name die welke betrekking hebben op de constructie van waterkeringen. Dit zullen ongetwijfeld de leidraden zijn waarop in genoemde brief van de Stichting Natuur en Milieu wordt gedoeld. De TAW heeft naar aanleiding eerdere reacties zelf geconcludeerd, dat blijkbaar toch onvoldoende duidelijk is dat bepaalde leidraden de mogelijkheid openlaten tot een eigen, op goed technisch en bestuurlijk inzicht te baseren interpretatie. Dit heeft er toe geleid dat de TAW sindsdien een aantal van haar eigen produkten heeft gekwalificeerd als «handreikingen».

Het komt er dus op neer dat de door de Minister van Verkeer en Waterstaat krachtens dit artikel vast te stellen leidraden enigszins van karakter zullen verschillen op het punt van de vrijheid tot interpretatie.

Ook nu bevat de leiddraad die ingaat op de waardering van de zg. LNC-waarden aanzienlijk meer ruimte dan de leidraad «Toetsing» die terecht ten aanzien van de veiligheidstoets nauwelijks ruimte laat voor eigen beleid aan de beheerder van de primaire waterkering. Het voorgaande betekent ook dat bij het opstellen van een nieuwe leidraad de TAW nadrukkelijk aandacht zal moeten geven aan de vraag hoe deze gehanteerd kan (of moet) worden en waar al dan niet beleidsruimte wordt gelaten.

Teneinde ook verder het wetsvoorstel te verduidelijken, wordt bij nota van wijziging voorgesteld de formulering in de eerste volzin van het eerste lid iets te wijzigen. In de gewijzigde tekst wordt tot uitdrukking wordt gebracht dat de technische leidraden er zijn ten behoeve van degenen die de bestuurlijke verantwoordelijkheid hebben voor het beheer van respectievelijk het toezicht op de primaire waterkeringen.

Artikel 7

De leden van de CDA-fractie verklaarden zich er nogmaals voorstaander van de verplichting van de beheerder, de primaire waterkering zodanig te beheren dat aan de veiligheidsnorm wordt voldaan, rechtstreeks in de wet (artikel 7, eerste lid) op te nemen. De leden van de VVD-fractie stelden dat, wanneer daarmee de duidelijkheid wordt vergroot, dit niet zou moeten worden nagelaten. De leden van de SGP-fractie, die overigens de opvatting in de memorie van antwoord onderschreven dat het hier betreft een verplichting die impliciet rust op de beheerder, vroegen zich niettemin af of de thans in artikel 7, derde lid, omschreven verplichting voor gedeputeerde staten, om in hun verslag zonodig te omschrijven welke voorzieningen uit een oogpunt van veiligheid nodig zijn te achten, niet eerder expliciet bij de beheerder zou moeten worden gelegd.

In de memorie van antwoord is betoogd, dat het in artikel 7, derde lid, gaat om een verplichting die niet zozeer nodig is voor de beheerder maar die typisch noodzakelijk is om het actieve gehalte van de vereiste provinciale verslaglegging buiten twijfel te stellen. Blijkbaar heeft dat deze leden niet kunnen overtuigen. Goed beschouwd komt het er op neer dat er in de omschrijving van de verplichting voor respectievelijk de beheerder en de gedeputeerde staten tot verslaglegging een onevenwichtigheid is blijven bestaan. Deze onevenwichtigheid kan worden opgeheven door de in het eerste lid omschreven verplichting ook te doen gelden voor de beheerder. Daarom voorziet de nota van wijziging in die aanvulling.

Wat overigens de algemene verplichting van de beheerder betreft, drukt het eerste lid met de bijzin in de eerste volzin met zoveel woorden uit dat op de beheerder de zorg rust voor de handhaving van de veiligheidsnorm van de primaire waterkering. Het komt mij voor dat die bewoording ten aanzien van de eigen verantwoordelijkheid van de beheerder niet aan duidelijkheid te wensen overlaat.

Artikel 15

De leden van de SGP-fractie vroegen of de evaluatie van de overstromingsramp in Limburg nog tot een nadere beschouwing voert en wel met name met betrekking tot een wettelijke verplichting voor de beheerder tot vaststelling van een calamiteitenplan.

De jongste ervaringen, in het bijzonder bij de evacuatie van direct bedreigde gebieden, geven het beeld te zien van goed samenspel van gemeenten en waterschappen, overeenkomstig de bedoeling van de Rampenwet.

Zeer belangrijk is dat de waterschappen voor hun eigen handelen binnen dat verband beschikken over een calamiteitenplan, waartoe een model is ontwikkeld door de Unie van Waterschappen. Feitelijk zie ik geen aanleiding om de verplichting tot het vaststellen van dergelijke plannen op te nemen in de wet.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Naar boven