20 487
Natuur- en Milieu-educatie

nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 20 juli 1995

Hierbij informeren wij u, mede namens de bewindslieden van Verkeer en Waterstaat; Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Ontwikkelingssamenwerking, met betrekking tot de overgang van het project Natuur- en Milieu-educatie (NME) in het Onderwijs naar het bredere Kaderplan NME.

Mede in aansluiting op het verzoek van 17 maart 1994 van de vaste commissie voor Onderwijs en Wetenschappen (OenW 94-119) gaan wij allereerst in op de resultaten van het Onderwijsproject NME, dat per 1 juli is afgerond.

Evaluatie Onderwijsproject

Het meerjarig NME-onderwijsproject, vastgelegd in het meerjarenplan NME 1992-1995 (TK 20 487, nr. 10) en de sectorbeleidsplannen NME 1993-1995 (TK 20 487, nr. 12) heeft een proces van verandering van het onderwijs op de scholen in gang gezet. Veel scholen treffen inmiddels maatregelen om NME structureel in te bedden.

Uit evaluatie-onderzoek van Universiteit Utrecht1 blijkt dat het project een merkbaar effect heeft gehad. Het strategisch concept «Scholen Centraal» voor de beleidsinzet van NME vanuit de centrale overheidsfinanciering blijkt een goede keus te zijn geweest.

Er is een duidelijke toename van de mate waarin op scholen wordt getracht NME een vaste beleidsplaats in de onderwijsinhoud en de schoolorganisatie te geven. Voorts is en zal nog worden aangesloten bij andere ontwikkelingen in het onderwijs zoals de invoering van de basisvorming, tweede fase kerndoelen en eindtermen.

De werkwijze die met NME wordt nagestreefd past bijvoorbeeld heel goed in de aandacht die in de basisvorming wordt gevraagd voor toepassing, vaardigheid en samenhang, het TVS-model. Daarmee biedt NME een goede mogelijkheid om de invoering van genoemde ontwikkelingen in het onderwijs nader gestalte te geven. Daarnaast is in het NME-onderwijsproject getracht zoveel mogelijk de verschillende specifieke invalshoeken van de deelnemende departementen op een integrale wijze te verwerken in de verschillende projecten.

De vele activiteiten in het kader van het onderwijsproject NME hebben een basis gelegd voor duurzame ontwikkeling door middel van structurele inbedding van NME in het onderwijs. Verdere stimulering is in ieder geval nog een beperkt aantal jaren en in afnemende mate noodzakelijk. Het onderwijsproject NME is met een landelijke slotconferentie voor het voortgezet en primair onderwijs gemarkeerd op 31 mei 1995.

Voor het landbouwonderwijs vond dit plaats op 13 juni 1995, terwijl het beroepsonderwijs dit al eerder deed eind 1994 in eigen reguliere kaders.

Een zo'n breed programma als NME voor het gehele onderwijs kon alleen worden gerealiseerd door samenwerking en financiële steun van alle zes betrokken departementen en de inzet van het proces- en sectormanagement NME.

De praktijk van vijf jaar samen met zes departementen een dergelijk arrangement uitvoeren, wijst uit dat ontkokering, op basis van goede (politieke) regie, mogelijk is. Uiteraard kost dat opstarttijd. Dit interdepartementaal NME-arrangement heeft ook kwetsbare onderdelen gekend. De combinatie van kas en transfer (overdracht vanuit reguliere bekostiging) is een punt van veel zorg en overleg gebleken, bij zowel het coördinerende departement als bij de uitvoering door het proces- en sectormanagement. Ook blijkt dat interne departementale posterioriteitsdiscussies nauwelijks, dan wel niet, zijn in te passen in gezamenlijke financiële en onderling afhankelijke meerjarenafspraken.

Voorts blijkt er een spanning te bestaan tussen de eigen beleidsagenda's van de departementen enerzijds en het creëren van een algemeen, gezamenlijk kader voor NME anderzijds. Dit gezamenlijk kader behoort voorop te staan.

Toch blijken deze en ook andere kwetsbare punten, in onderling overleg wel opgelost te kunnen worden mits de bereidheid bestaat een praktische uitweg met elkaar te vinden. Bij de voorbereiding van het Kaderplan NME is met deze ervaringen rekening gehouden, door een sterker onderscheid te maken tussen de Extra Impuls (dat wil zeggen de tijdelijke extra investering voor innovatie en kwaliteitsverbetering) en de reguliere, min of meer structurele, NME-inspanningen van departementen.

Uitwerking Kaderplan

Het Kaderplan NME (T 20 487, nr. 13) is aan uw Kamer voorgelegd als verdere uitwerking van de motie Feenstra-Eisma (TK 20 487, nr. 4).

De doelen van dit Kaderplan zijn:

* vergroting van het rendement van de lopende inspanningen die door de verschillende departementen worden gefinancierd;

* verbetering van de balans tussen activiteiten die «van bovenaf» worden ingezet en activiteiten die «van onderop» worden ontwikkeld, waarbij wordt aangetekend dat de scheidslijn niet altijd haarscherp is;

* concretisering en operationalisering van de inhoud van NME over de volle breedte van het concept Duurzame Ontwikkeling;

* uitbreiding met de participatie door actoren in de samenleving, waaronder met name burgers en hun maatschappelijke organisaties (anders dan typische natuur- en milieu-organisaties);

* verbetering van de samenhang tussen, en het overzicht over, de NME-activiteiten;

* kwaliteitsverhoging van NME-activiteiten.

Het onderwijs is meegenomen als onderdeel van de bredere maatschappelijke NME-inzet. Om ook de praktische vertaalslag te kunnen geven hebben de zeven betrokken departementen Twijnstra Gudde als interim-management ingeschakeld om een uitgewerkt advies op te stellen. Over dit advies is overleg gevoerd met vertegenwoordigers van ondermeer IPO, VNG en NME-organisaties. De hoofdlijn van het advies gaat in op het punt van het aan te brengen verband tussen de zeven departementen op het terrein van extra en reguliere financiering. In dat kader zal enerzijds een extra financiële impuls worden gegeven in de komende jaren en anderzijds de afstemming inzake de reguliere inzet van NME middelen van de verschillende departementen door middel van een platform worden verbeterd. Tevens wordt het noodzakelijk geacht dat andere overheden zoals provincies en gemeenten bij de uitvoering van het Kaderplan worden betrokken.

Ter afstemming van de inzet van reguliere middelen wordt een platform ingesteld, waaraan vertegenwoordigers van de betrokken departementen, provincies, grote gemeenten en landelijk werkzame NME-organisaties deelnemen. Voor de uitvoering van de extra impuls en de activiteiten van het platform wordt een eenvoudig ingericht programma-management onder regie van de Stuurgroep onder voorzitterschap van LNV ingesteld. Dit programma-management draagt ook zorg voor de onderlinge afstemming van de extra impuls en de activiteiten van het platform.

Een meerjarig (1996–2000) strategisch uitvoeringsplan op hoofdlijnen wordt thans opgesteld. Op basis daarvan kan het algemeen programma-mangement, via jaarlijks op te stellen beknopte beleidsplannen, de extra financiële impuls aanbesteden. Daarbij wordt ook de inzet van NME-regulier via het platform uiteraard betrokken. Dit strategisch uitvoeringsplan zal in werking treden per 1 januari 1996 en zal ook de Kamer worden voorgelegd.

Kernelementen in dit plan zullen in elk geval zijn:

a. bindende (financiële) afspraken binnen de Rijksoverheid over taakstellingen (taakstellende overeenkomst);

b. de hoofdlijnen van het interdepartementale NME-beleid in relatie met duurzame ontwikkeling. De kern hiervan is reeds neergelegd in het Kaderplan (TK 20 487, nr. 13, blz. 9 t/m 11);

c. de aanvang en (kwaliteits)criteria voor brede programma's in het kader van de extra financiële impuls;

d. de wijze van sturing;

e. de inrichting van de financiële organisatie en verantwoording;

g. de wijze van inpassing van NME in de eigen departementale algemene beleidsontwikkelingen.

Voor het onderwijs zal bijvoorbeeld een dergelijke koppeling gevonden moeten worden met de nieuw ingerichte sectorale procesmanagements die verantwoordelijk worden voor brede invoeringsprocessen van nieuwe beleidskaders in het licht van de verdere groei naar de autonomievergroting van scholen.

f. de wijze van beleidsevaluatie.

Voor de extra financiële impuls (*,**) zullen voor wat betreft middelen en organisatie bindende taakstellende afspraken bij overeenkomst worden aangegaan volgens het volgende meerjarige schema (mln.):

 19961997199819992000***Totaal
LNV0,30,71,5204,5
OCenW4  2  1010  
OS2  2  2  208  
VROM4  3  1010  
VenW   02  
Totaal12,38,77,56034,5

* VWS bekostigt een aantal vormingswerkaktiviteiten op het gebied van NME en zal participeren in het Platform.

** EZ draagt conform het Kaderplan NME (TK 20 487, nr. 13, blz. 31) niet bij aan de Extra Impuls en ziet ondersteuning van het reguliere NME-werk niet als kerntaak.

*** Vanaf 2000 vindt bekostiging plaats op reguliere basis vanuit alle betrokken departementen.

Subsidieregelingen van een aantal departementen schrijven voor dat indiening van projecten voor het kalenderjaren 1996 ruim voor die tijd dient plaats te vinden. Daarom zal er voor 1996 zonodig gewerkt worden met een voorlopig beleidskader. Met het bovenvermelde voorzien wij een goede uitwerking aan de doelen van het Kaderplan, gericht op acceptatie van duurzame ontwikkeling, te hebben gegeven. Dit geldt zowel voor het onderwijs als voor andere maatschappelijke organisaties.

Per 2000 kan de extra financiële impuls dan verder achterwege blijven, aangezien de intermediaire NME-instellingen en organisaties, alsmede het onderwijs in staat geacht moeten worden zelf NME verder gestalte te geven op basis van de reguliere middelen.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos


XNoot
1

«Invoering NME halverwege? Van Kaderbrief tot kaderplan: een tussentijdse evaluatie van de invoering van natuur- en milieu-educatie in vier sectoren van het onderwijs» K.M. Stokking, febr-mrt 1994 en nog te verschijnen vervolgrapporten.

Naar boven