32 215
Goedkeuring en uitvoering van het op 31 oktober 2009 te Tilburg totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België over de terbeschikkingstelling van een penitentiaire inrichting in Nederland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van bij Belgische veroordelingen opgelegde vrijheidsstraffen (Trb. 2009, 202)

A
VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 5 januari 2010

Het voorbereidend onderzoek heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inbreng van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling van het wetsvoorstel en het verdrag kennisgenomen.

Zij stellen de verhouding tussen het verdrag enerzijds en de artikelen 17 en 113 Grondwet anderzijds aan de orde. In dit verband wijzen zij erop, dat in de eerder gevoerde debatten over de tribunalen inzake Lockerbie, het voormalige Joegoslavië, Sierra Leone en recent Libanon sprake was van een besluit van de VN-Veiligheidsraad, zodat met verwijzing naar artikel 90 en artikel 92 Grondwet rechtsmacht over voor die tribunalen te brengen verdachten kon worden toegekend met uitsluiting van bevoegdheid van de Nederlandse rechter. In geval van het onderhavige bilaterale verdrag is echter geen sprake van een verdrag dat in de zin van het VN-handvest Nederland als lidstaat dwingt op basis van besluiten in de zin van hoofdstuk VII van het Handvest j° artikel 92 Gw medewerking te verlenen aan bijvoorbeeld de berechting van internationale misdadigers. Evenmin kan gezegd worden, dat het onderhavige verdrag ertoe strekt om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Hier doet zich dus op een andere en in zekere zin nog klemmender wijze de vraag voor of het derde lid van artikel 91 Grondwet toepassing vereist. De voorgelegde goedkeuringswet bevat geen verwijzing naar artikel 91, derde lid Grondwet. De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering nadrukkelijk om een uitgebreide reactie op het voorgaande en tevens om de toezegging dat het punt aan de Staatscommissie Grondwet wordt voorgelegd.

In het verlengde van het voorafgaande stellen de leden van de CDA-fractie nog enkele specifieke vragen. Aannemende dat België een strafrechtelijke herzieningsprocedure kent, is deze vergelijkbaar met de Nederlandse? Is er geen herzieningsprocedure in België, is dan niet toch denkbaar dat de Nederlandse rechter zich bevoegd zal achten als bijvoorbeeld door DNA-bewijs en een bekentenis van een derde de onschuld van een Belgische gedetineerde overduidelijk is en deze zich tot de Nederlandse rechter zou wenden om in vrijheid te worden gesteld? Is in geval van civielrechtelijke geschillen (bijvoorbeeld een onrechtmatige daad van een Belgische gedetineerde jegens een medewerker van de Nederlandse Dienst Justitiële Inrichtingen) de Nederlandse rechter bevoegd en zal deze dan Nederlands recht toepassen?

Inbreng van de SP-fractie

De leden van de fractie van de SP hebben de volgende vragen naar aanleiding van het onderhavige verdrag en de goedkeuringswet.

Is het juist dat dit verdrag «uniek» is? Met andere woorden: zijn er bij de regering geen verdragen bekend waarbij geregeld wordt dat een land eigen gevangenen mag onderbrengen in een ander land? Klopt het dat een vergelijking met het verdrag inzake het Lockerbie-tribunaal niet opgaat, omdat daar grondgebied tijdelijk werd overgedragen, terwijl hier de gevangenis volstrekt Nederlands blijft? En hoe verhoudt dit verdrag zich met de regelingen rondom de detentie van personen die terechtstaan of hebben gestaan voor internationale tribunalen in Nederland?

Indien het onderhavige verdrag uniek is, heeft dat dan te maken met het uitgangspunt dat een land gehouden is degenen die door de rechter tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld, ook zelf te herbergen? Vindt de regering dat dit verdrag met dat uitgangspunt schuurt of zijn er redenen om in dit geval van een toelaatbare uitzondering op de hoofdregel te spreken, en zo ja, welke dan? Wat zou de regering vinden van een vergelijkbaar verdrag met een andere Europees land dat tijdelijk gevangenisruimte tekort komt? Welke normen zouden daarbij tenminste moeten gelden? En vindt de regering dat hier tot op zekere hoogte sprake is van privatisering van een gevangenis, in die zin dat Nederland een gevangenis vanwege financiële en personele argumenten tegen betaling aan een andere staat beschikbaar stelt voor het onderbrengen van mensen aan wie in Nederland geen strafveroordeling is opgelegd?

Vindt de regering dit verdrag een noodmaatregel om een bevriend land tijdelijk te helpen om gevangenen te herbergen vanwege de overbevolking van de Belgische gevangenissen? Is dit een «eens maar nooit meer»-regeling of kan de regering zich voorstellen dat na het beëindigen van het verdrag met België vrijvallende detentieruimte opnieuw aan een ander land verhuurd zal worden? Is de regering voornemens om eventueel gebruik te maken van de verlengingsmogelijkheid die het verdrag noemt?

Had het niet meer voor de hand gelegen de 214 in Belgische gevangenissen verblijvende Nederlanders naar huis te halen, vooraleer een verdrag te sluiten over onderbrengen van 500 Belgische gevangenen in Nederland?

Heeft de regering erover nagedacht dat door het aanbieden van Nederlandse gevangeniscapaciteit de Belgische regering wellicht opnieuw in gebreke blijft om op zo kort mogelijke termijn in voldoende eigen gevangeniscapaciteit te voorzien en meer gebruik te gaan maken van alternatieve straffen? De Belgische regering betaalt Nederland 30 miljoen euro voor de beschikbaarstelling van capaciteit voor 500 van haar gevangenen. Dat geld wordt daarmee niet ingezet in eigen land, terwijl bekend is dat het gebrek aan adequate, humane gevangenisruimte er alarmerend groot is.

Hoe beoordeelt de regering het verdrag, afgemeten aan het EVRM, meer in het bijzonder artikel 3 EVRM? Is dit verdrag «EVRM-proof»?

Artikel 2 van de goedkeuringswet bepaalt dat Nederlands recht niet van toepassing is op de Belgische gevangenen die in Tilburg worden ondergebracht. Is het in dit verband denkbaar dat straks in Tilburg mensen een gevangenisstraf gaan uitzitten voor delicten die in Nederland niet of minder strafbaar zijn? Of kunnen alleen personen die in België veroordeeld zijn voor een delict waarvoor ze ook in Nederland op vergelijkbare wijze veroordeeld zouden zijn geworden, in de gevangenis in Tilburg worden ondergebracht? Hoe verhoudt zich een en ander met de bepalingen in onze Grondwet?

Onder voorbehoud van tijdige en adequate beantwoording acht de commissie het wetsvoorstel gereed voor openbare behandeling op 19 januari 2010.

De leden van de commissie Justitie zien de reactie van de regering met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de commissie,

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Kim van Dooren


XNoot
1

Samenstelling:

Holdijk (SGP), Dölle (CDA), Tan (PVdA), Van de Beeten (CDA), voorzitter, Broekers-Knol (VVD), De Graaf (VVD), Kneppers-Heynert (VVD), Kox (SP), Westerveld (PvdA), vice-voorzitter, Doek (CDA), Engels (D66), Franken (CDA), Peters (SP), Quik-Schuijt (SP), Haubrich-Gooskens (PvdA), Ten Horn (SP), Janse de Jonge (CDA), Koffeman (PvdD), Böhler (GL), Van Bijsterveld (CDA), Strik (GL), Lagerwerf-Vergunst (CU), De Vries (PvdA), Duthler (VVD) en Yldirim (Fractie-Yldirim).

Naar boven