31 133
Wijziging van de Gemeentewet in verband met het schrappen van de beperking van de tarieven van de onroerendezaakbelastingen

B
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 23 november 2007

De regering heeft verheugd kennisgenomen van de snelle inbreng ten behoeve van het verslag door de leden van de Eerste Kamer. Voor gemeenten is snelle duidelijkheid van groot belang. Bij een tijdig afwikkelen van dit wetsvoorstel is het voor gemeenten nog mogelijk, indien ze dat wensen, hun belastingverordening en hun begroting daarmee in overeenstemming te brengen. Van de zijde van de regering is deze memorie van antwoord snel afgerond. Ik hoop dat de leden van de Eerste Kamer van mening zijn dat deze schriftelijke voorbereiding daarmee genoegzaam is afgerond, zodat het plenaire debat over de verschillen van opvatting op korte termijn kan plaatsvinden.

De leden van de fractie van het CDA hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. Het uitgangspunt dat daarbij het herstel van vertrouwen tussen overheden wenselijk is, onderschrijven zij. In het licht van het decentralisatiebeleid achten zij herstel van de gemeentelijke fiscale autonomie nastrevenswaardig.

De leden van de fractie van de VVD hebben daarentegen met scepsis van de voorgestelde wijziging kennisgenomen. Zij zijn van mening dat de regelgeving overhaast is, niet coherent en onverantwoorde open einden bevat.

De leden van de fractie van D66, mede namens het lid van de fractie OSF, hebben met veel belangstelling en positieve gevoelens kennis genomen van dit voorstel. Zij willen het voorstel, evenals de leden van de fractie van het CDA, met het oog op de begrippen decentralisatie en lokale autonomie in een wat breder perspectief plaatsen.

Eigen belastinggebied

Het kabinet stelt (nota naar aanleiding van het verslag, 2006–2007, TK 31 113, nr. 6) dat decentralisatie uitbreiding betekent van de verantwoordelijkheid van gemeenten, hetgeen ook een uitbreiding van financiële risico’s inhoudt. Daartoe moeten gemeenten kunnen terugvallen op voldoende eigen belastinggebied en een eigen «allocatieve ruimte», zodat het plaatselijke voorzieningenniveau kan worden afgestemd op de plaatselijke uiteenlopende voorkeuren. In dat kader, aldus het kabinet, is de afschaffing van de limitering van de Onroerende Zaak Belasting (OZB)-tarieven van belang. Nu stelt het kabinet tevens dat de invoering van de maximumtarieven (destijds) geen wezenlijke invloed heeft gehad op de tariefsontwikkeling: de tarieven OZB groeien naar elkaar toe. De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet aan te geven hoe zij de bijdrage van deze maatregel aan de gewenste vergroting van het lokale belastinggebied waarderen, en hoeveel ruimte zij ziet voor additionele maatregelen tot vergroting daarvan? In dat verband verwijzen de leden van de CDA-fractie naar het rapport Scenario’s gemeentelijk belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen (TK 2006–2007, 30 096, nr. 26) waarin naar aanleiding van de motie-Engels cs. (EK, vergaderjaar 2005–2006, 30 096, F) scenario’s worden uitgewerkt over de omvang van het gemeentelijke belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen. Hoeveel ruimte ziet de regering voor een (verdere) vergroting van het gemeentelijk belastinggebied? En van hoeveel ruimte tot differentiatie wenst het kabinet daarbij uit te gaan gezien de eerder aangegeven wens het plaatselijke voorzieningenniveau af te stemmen op de plaatselijk uiteenlopende voorkeuren?

De leden van de D66-fractie en de OSF-fractie hebben gezien dat ter voldoening aan het gestelde in de motie-Engels c.s. (EK 2005–2006, 30 096, F) het ministerie van Binnenlandse Zaken het rapport «Scenario’s gemeentelijk belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen» (TK 2006–2007, 30 096, nr. 26) heeft uitgebracht. De motie had tot strekking te komen tot een herstel van de omvang van het lokale belastinggebied onder een gelijkblijvende collectieve belastingdruk. In het rapport zijn scenario’s uitgewerkt over een vergroting van de omvang van het lokale belastinggebied in het licht van ontwikkelingen in de interbestuurlijke verhoudingen. Intussen is recentelijk ook het rapport «De eerste overheid» van de VNG-commissie Gemeentewet en Grondwet uitgebracht, waarin belangwekkende en samenhangende voorstellen worden gedaan voor een verruiming van de financiële en fiscale autonomie van gemeenten. Blijkens de stukken (TK 2007–2008, 31 133, nr. 6, p. 4) meent het kabinet dat met het schrappen van de limitering van het OZB-tarief een voldoende handreiking is gedaan in de richting van gemeenten en dat er bovendien geen urgentie bestaat om de omvang en samenstelling van het huidige lokale belastinggebied ten principale aan de orde te stellen. De leden van de D66-fractie en de OSF-fractie vragen het kabinet, zulks mede in het licht van op dit punt relevante teksten in het coalitieakkoord en tevens gelet op de betekenis van het Europees Handvest inzake Lokale Autonomie waarin wordt gesproken over een «substantieel» eigen belastinggebied, in hoeverre daarmee recht wordt gedaan aan de wens van gemeentebesturen voor meer financiële en beleidsmatige armslag en of dit het adequate antwoord behoort te zijn op de vraag naar de toekomstbestendigheid van in beginsel volwaardige en zelfstandige gemeenten.

Zoals ik tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer (Handelingen II, 18 oktober 2007, p. 15–1010) al heb aangegeven heb ik in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 2007–2008, 31 133, nr. 6, p. 4) wellicht de suggestie gewekt dat ik, met het schrappen van de huidige limitering, een voldoende handreiking heb gedaan richting gemeenten voor wat betreft de verdere discussie over de samenstelling van het gemeentelijke belastinggebied. Ik heb tijdens het plenaire debat aangegeven dat dit geenszins mijn bedoeling was. Wat ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb bedoeld aan te geven is dat de discussie over het gemeentelijke belastinggebied geen deel uitmaakt van de taskforce die conform het bestuursakkoord met de VNG wordt ingesteld. Dit met als achterliggende gedachte dat er inmiddels voldoende rapporten over het belastinggebied liggen (o.a. «Scenario’s gemeentelijk belastinggebied in relatie tot de bestuurlijke verhoudingen» en «De eerste overheid» van de VNG-commissie.

In het bestuursakkoord is afgesproken dat het kabinet en de VNG aan de hand van de bevindingen van de VNG-commissie de samenstelling van het belastinggebied zullen bespreken waarbij ook de genoemde onderzoeken zullen worden betrokken.

De volgende daarin opgenomen vragen zullen hierbij onder andere een rol spelen:

– hoeveel verschil in voorzieningencapaciteit vinden we acceptabel tussen gemeenten;

– hoe groot zou het effect van lokale voorkeuren op de koopkracht van inwoners mogen zijn;

– hoe belangrijk vinden we het om de financiële positie van gemeenten onafhankelijk van conjunctuurinvloeden te laten zijn.

Ik hecht er aan om de discussie over het belastinggebied in samenhang met het decentralisatievraagstuk te bekijken. Welke beleidsmatige vrijheid hebben gemeenten en op welke maatschappelijke thema’s. De vervolgvraag is welke financiële instrumenten daarbij het meest passend zijn.

Het streven is om in maart 2008 tot afspraken te komen met de VNG over de omvang en de samenstelling van het belastinggebied. Daarbij zal dus ook een relatie worden gelegd met de voorstellen die de taskforce zal doen in het kader van de decentralisatieagenda. Daarna kan dan een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Tariefstijging(en)

In de visie van de leden van de VVD-fractie kan het ingrijpen in de OZB leiden tot ongebreidelde tariefsverhogingen. In de periode 2001–2005 stegen de OZB-opbrengsten tenslotte ook met 25%. Ook de Vereniging Eigen Huis heeft deze bedreiging benoemd door te spreken over het feit dat een grenzeloze OZB gemeenten een eindeloze mogelijkheid geeft de huizenbezitter extra te belasten om tekorten weg te poetsen en nieuw beleid uit te voeren. Wat is de visie van het kabinet hierop? Is het kabinet bereid individuele gemeenten op een onverantwoorde tariefsstijging aan te spreken en maatregelen tegen die gemeenten te nemen?

Het kabinet is van mening dat de cijfers de visie van de VVD niet steunen: juist afgelopen week maakte de Vereniging Eigen Huis bekend dat de gemiddelde OZB-aanslag stijgt met 3%1. Deze cijfers dienen gecorrigeerd te worden met het te verwachten inflatiecijfer over 2007 van rond 1,6%.

De reële stijging van het gemiddelde OZB-opbrengst is daarmee slechts ongeveer 1,5%, hetgeen geenszins als «eindeloos»,«grenzeloos» of een «ongebreidelde tariefsverhoging» kan worden betiteld. De stijging van de OZB-opbrengsten ligt bovendien ruim beneden de door het rijk gehanteerde macronorm van 3,75%. De extra uitgaven van gemeenten zijn gerelateerd aan keuzes die zij met het oog op maatschappelijke ontwikkelingen en problemen maken. De gemeenteraad geeft een oordeel over de voorstellen van het college dienaangaande en die is in mijn optiek gewetensvol en serieus. Ook de Raad van State gaf in een eerder advies aan, dat de verhoging van belastingtarieven een van de meest bediscussieerde en omstreden aangelegenheden in de gemeenteraad vormt en dat dit niet lichtvaardig pleegt te geschieden.

Het kabinet zal geen individuele gemeenten aanspreken op haar tariefstelling. Het oordeel of de tariefstijging verantwoord is of niet maakt deel uit van de lokale autonomie.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe het kabinet denkt rekening te houden met het grote verschil in effecten van tariefstijgingen tussen grote en kleinere gemeenten? Hoe is te voorkomen dat de kleine gemeenten worden gestraft door te forse tariefsstijgingen bij grote gemeenten? Hoe denkt het kabinet evenwichtig uitvoering te kunnen geven aan een mogelijke korting op het gemeentefonds? Worden gemeenten die onverantwoord grote stijgingen hebben doorgevoerd anders behandeld dan gemeenten die wel voldaan hebben aan het door het Rijk gegeven vertrouwen?

Ik heb de Tweede Kamer aangegeven dat ik haar daarover in het voorjaar van 2008 zal informeren. Ook met de Tweede Kamer heb ik een intensief debat over de macronorm gevoerd. Over de vraag van het grote verschil in effecten van tariefstijgingen tussen grote en kleinere gemeenten heb ik daar aangegeven dat er bij eventuele ingrepen in het gemeentefonds mogelijkheden zijn om meer gedifferentieerd te werk te gaan. Te denken zou zijn aan een indeling van het gemeentefonds in drie of vier groepen naar rato van de belastingcapaciteit. Een eventuele korting zou dan alleen gelden voor de groep waar sprake is van een overschrijding van de macronorm. Er is momenteel echter geen noodzaak om te veronderstellen dat deze vragen in het komende begrotingsjaar 2008 relevant zijn. Ik ben er van overtuigd dat gemeenten een verantwoorde opbrengstontwikkeling van de OZB macro zullen laten zien. In de brief aan de beide kamers in voorjaar 2008 zal ik nader ingaan op het bovenstaande.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het ook goed zou zijn als gemeenten archaïsche heffingen, waarvan bijvoorbeeld de perceptiekosten onevenredig hoog zijn, afschaffen. De leden van de VVD-fractie vernemen graag de visie van het kabinet hierop.

Gemeenten zijn vrij in hun keuze om een wettelijk toegestane gemeentelijke belasting of heffing in te voeren of af te schaffen op grond van artikel 216 Gemeentewet. De keuze om een zogenoemde archaïsche heffing in te stellen of af te schaffen is dus geheel aan de gemeenteraad. Wel is de regering zich ervan bewust dat sommige gemeentelijke belastingen, zoals de hondenbelasting welke ooit is ingevoerd om de uitbreiding van trekhonden binnen de stadsmuren te beperken, wellicht niet meer van deze tijd zijn. Een moderniseringsslag van de gemeentelijke belastingen zal onderdeel uitmaken van de discussie over de samenstelling van het gemeentelijke belastinggebied.

Differentiatie

Om de gemeenten tegemoet te komen in de eigen financiële ruimte worden de lasten opnieuw eenzijdig afgewenteld op de eigenaren. Omdat daarbij kan worden gedifferentieerd tussen particulieren en eigenaren van bedrijfspanden, kan de ruimte leiden tot spanningen tussen beide categorieën eigenaren. VNO-NCW en de Raad Nederlandse Detailhandel hebben hier ook op gewezen. Graag vernemen de leden van de VVD-fractie de reactie van het kabinet hierop.

Zoals ook in het Rfv advies valt te lezen (p.10) bestond in 2006 al de vrees dat het loslaten van de onderlinge tariefsverhouding zou leiden tot een lastenverschuiving richting niet-woningen. In de praktijk is deze vrees ongegrond gebleken. In 2006 en 2007 zijn de tarieven (gecorrigeerd voor waardeontwikkeling) voor niet-woningen minder gestegen dan voor woningen. Dit terwijl er slechts twee gemeenten zijn (Nijmegen en Leiden) die met hun tarief voor niet-woningen op of boven het absolute maximumtarief zitten. In het geval van Leiden1 hebben de belastingplichtigen van niet-woningen daar expliciet akkoord op gegeven.

Ik heb geen enkele aanwijzing dat gemeenten een van beide categorieën belastingplichtigen onheus behandelen ten opzichte van de andere of dat er tussen beide categorieën spanning ontstaat als gevolg van de ruimte.

Ik heb er alle vertrouwen in dat gemeenten ook hier prudent mee omgaan.

Macronorm

De leden van de VVD-fractie stellen dat het uitspreken van vertrouwen in het vermogen van de gemeentebesturen tot matiging van de tariefsvrijheden en het tegelijk instellen van een macronorm strijdig is. Het gestelde vertrouwen wordt in enen weer ongedaan gemaakt. Waarom heeft het kabinet niet gekozen voor een individuele maximering (dus per gemeente) of voor het consequent vasthouden aan het vertrouwen in de gemeentebesturen en de macronorm achterwege gelaten? Dat voorkomt ook dat gemeenten voor het prisoner’s dilemma komen te staan.

Een uitspraak over wat een individuele gemeente met haar voorzieningenniveau en tariefstelling doet, acht ik geen verantwoordelijkheid voor het rijk. Die afweging en verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente. De huidige limitering staat daar haaks op. Zoals ik al heb aangegeven is de macronorm een instrument ter beheersing van de collectieve lastendruk. Dat is wél de verantwoordelijkheid van het kabinet en het parlement.

De macronorm leidt tot een collectieve correctie op individuele vrijheid. Het gevolg is ook onzekerheid bij de gemeenten inzake de eigen besluitvorming en onduidelijkheid over de gevolgen voor de individuele gemeente van collectief gedrag. Daarbij komt dat de wet geen invulling geeft aan het instrumentarium waaruit de macronorm bestaat. Dit is strijdig met deugdelijke wetgeving. De leden van de VVD-fractie vragen waarom het kabinet de hoofdlijnen van de macronorm niet in de wet heeft vastgelegd?

De vraagstelling van de VVD gaat uit van het beeld dat de macronorm bedoeld is om sturing te geven aan het begrotingsproces van individuele gemeenten. Dit is niet de strekking van de macronorm. Het wettelijk vastleggen van de macronorm is niet noodzakelijk omdat het kabinet haar positie kenbaar heeft gemaakt aan de VNG (maximale opbrengststijging: 3,75%). Het kabinet heeft de middelen om aan een overschrijding consequenties te verbinden. Indien nodig biedt de huidige wetgeving (het budgetrecht) al ruimte om een dergelijke correctie op het gemeentefonds door te voeren.

De huidige systematiek van de macronorm omvat rekenregels gevoegd bij een bestuurlijke weging. Het opnemen van deze beide elementen in een wettelijke regeling biedt geen extra voordeel boven de huidige regeling.

Het vastleggen van de macronorm in een overeenkomst van rijk en VNG is in feite het invoeren van corporatisme: een privaatrechtelijke overeenkomst met een belangengroep krijgt een publiekrechtelijke werking op individuele gemeenten. De leden van de VVD-fractie vragen welke rechtvaardiging het kabinet heeft voor deze uitweg uit tekortschietende wetgeving? Waarom begeleidt het kabinet ook deze overeenkomst met een sanctie: namelijk na een teleurstellende evaluatie alsnog een wettelijk mechanisme van limitering en compensatie via het gemeentefonds in te voeren? Waarom niet veeleer direct zo’n wettelijke regeling ingevoerd?

In reactie daarop wil ik allereerst het volgende zeggen: de macronorm is een instrument van het rijk in het kader van het beheersen van de collectieve lastendruk. Als het aandeel OZB in de lastendruk te hoog wordt kan het rijk ingrijpen. In het bestuursakkoord is afgesproken om een macronorm in te stellen. De VNG accepteert de verantwoordelijkheid van het kabinet voor de ontwikkeling van de collectieve lasten. Eveneens accepteert de VNG de verantwoordelijkheid van het kabinet en het parlement via het budgetrecht voor het gemeentefonds. Het kabinet gaat uit van een macronorm van 3,75% voor 2008 dat wil zeggen van een maximale stijging van 3,75% ten opzichte van de huidige opbrengsten. De VNG, in haar verantwoordelijkheid als onderhandelaar namens haar leden, heeft in het bestuurlijk overleg van 17 oktober 2007 aangegeven zich niet op voorhand op dit percentage te willen vastleggen. Het kabinet heeft in het bestuurlijk overleg van 17 oktober jl. aangegeven dat zij verwacht dat de VNG een actieve rol zal spelen richting gemeenten bij het nastreven van de macronorm. Hieruit blijkt overduidelijk dat zowel rijk als VNG in dezen een eigen en aparte rol en verantwoordelijkheid hebben. Er is dus geen sprake van een publiekrechtelijke werking van een privaatrechtelijke overeenkomst, zoals de leden van de fractie van de VVD opperden. De suggestie dat het hiermee het corporatisme wordt ingevoerd, werp ik verre van mij.

De leden van de D66-fractie en de OSF-fractie zouden graag de reactie van het kabinet vernemen op het advies van de Raad voor de Financiële Verhoudingen (Rvf) van 15 oktober 2007, waarin op een aantal fundamentele punten (lokale beleidsvrijheid, doeleffectiviteit, financiële onzekerheid en redelijkheid van de risicoverdeling) kritische kanttekeningen worden geplaatst bij de voor de werking van dit wetsvoorstel relevante macronorm die in het bestuursakkoord tussen Rijk en VNG is afgesproken.

De kritiek die de Rfv uit dat de macronorm de bestaande normeringsafspraken doorkruist deel ik niet. De normeringssystematiek is een set afspraken tussen het rijk en de VNG. De macronorm ook. In die zin past de macronorm prima in de normeringssystematiek. Bij overschrijding van de macronorm zal in het bestuurlijk overleg (waar ook de normeringssystematiek geagendeerd wordt) een bestuurlijke weging plaatsvinden. Dat kan zijn overeenstemming tussen de VNG en het kabinet. Dit kan echter ook zijn dat het kabinet besluit om als gevolg van de overschrijding van de macronorm zonder overeenstemming met de VNG het gemeentefonds te korten. Het is eerder voorgekomen dat VNG en rijk in het bestuurlijk overleg niet tot overeenstemming op alle punten kwamen. Uiteraard is dat niet de inzet van rijk of VNG: de inzet is gericht op overeenstemming. Het laatste oordeel hierover ligt uiteindelijk bij de Eerste en Tweede Kamer, in het kader van het budgetrecht.

Over de door de Rfv gesuggereerde extra financiële onzekerheid merk ik op dat ook nu sprake is van onzekerheid over de definitieve omvang van het accres, dat is dan ook reden voor de behoedzaamheidsreserve. Deze reserve is bedoeld om een tegenvallende ontwikkeling van het accres op te vangen. Een korting in verband met de macronorm zal dan ook in eerste instantie op die behoedzaamheidsreserve verhaald worden. De behoedzaamheidsreserve bedraagt voor 2008: € 110 mln.

De opmerking van de Rfv dat de grootste gemeenten duizend keer meer invloed hebben op overschrijding van de macronorm dan de kleinere gemeenten is strikt genomen juist. Ik heb echter geen signalen ontvangen uit de praktijk dat (grote) gemeenten de tarieven nu ineens fors gaan verhogen. De 100 000+ gemeenten hebben het signaal afgegeven dat zij voor 2008 een gepaste ontwikkeling van de opbrengsten zullen laten zien. Ik heb er alle vertrouwen in dat gemeenten zorgvuldig om zullen gaan met het belastinginstrumentarium. Dit is zeker niet anders voor gemeenten als Amsterdam en Rotterdam. De gemeente Den Haag zit zelfs nog onder het rekentarief.

De leden van de fractie van D66 en OSF achten het flankerende instrument van de macronorm tamelijk paradoxaal van aard. Het wetsvoorstel wordt nadrukkelijk opgehangen aan de wens van het kabinet om tot een herstel van vertrouwen met de gemeenten te komen. De vraag rijst hoe in dat perspectief een macronorm met sanctie-elementen zich verhoudt tot het uitgesproken vertrouwen in een beheerste en verantwoorde omgang van de lokale democratie met belastingtarieven, zoals tot uitdrukking gebracht in het loslaten van het plafond voor de OZB-tarieven. Graag ontvangen deze leden een reactie op deze vraag.

De kern van het schrappen van de individuele limitering van de OZB is, dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun tariefstelling in relatie tot het voorzieningenniveau. De verantwoording daarover ligt expliciet in de gemeenteraad, zonder de ballast dat de rijksoverheid daar impliciet of expliciet een oordeel over heeft en invloed daarop uitoefent.

Dat laat onverlet dat het rijk wel een verantwoordelijkheid heeft voor gezonde overheidsfinanciën. De macronorm dient dan ook ter beheersing van de collectieve lastendruk, waarvan de OZB wel onderdeel uitmaakt. Het gaat dan niet om een sanctie op een individuele gemeente in relatie tot het beleid wat die gemeente heeft gevoerd. Niet langer grijpt het rijk in in wat als de autonome ruimte van de gemeente wordt beschouwd. Door de wijziging wordt zoals de leden van de fractie van D66 dit signaleerden, ernst gemaakt met de daadwerkelijke invulling aan het streven naar een vergroting van de financiële ruimte en beleidsvrijheid van het gemeentelijk bestuur.

Ik ga er overigens in het licht van de recente berichten vanuit dat de bestuurlijke discussie over de totale opbrengsten van de OZB met de VNG in het voorjaar niet nodig zal zijn, omdat er geen signalen zijn dat de macronorm zal worden overschreden. Uiteraard zal ik ook de Eerste Kamer op de hoogte stellen van de stand van zaken.

De leden van de D66-fractie en de OSF-fractie hebben voorshands niet de neiging veel waarde te hechten aan de effectiviteit van het instrument van een mogelijk gesanctioneerde macronorm. Het gaat, als zij het goed begrijpen, om een facultatieve bevoegdheid, waarover eerst overleg zal worden gepleegd met de VNG. Daarmee is de indruk gewekt dat het uiteindelijk niet meer is dan een symbolische schijnmaatregel. Graag nodigen deze leden het kabinet uit deze indruk weg te nemen.

Binnen de verhoudingen met de VNG en de gemeenten is het passend om in bestuurlijk overleg te treden. Mocht in het voorjaar van 2008 toch blijken dat de OZB opbrengsten meer zijn gestegen dan de macronorm, zoals die door het kabinet is aangegeven, dan is het vanzelfsprekend om met de VNG in overleg te treden over de achtergronden van die overschrijding. Op basis daarvan zal dan een bestuurlijke weging plaatsvinden of een correctie op het gemeentefonds gewenst is. Een eventuele correctie op het gemeentefonds kan ook zonder overeenstemming met de VNG: het is dus geen symbolische schijnmaatregel.

De leden van de D66-fractie en de OSF-fractie begrijpen dat het uiteindelijke oordeel over een door het kabinet toe te passen correctie op het Gemeentefonds ingeval van overschrijding van de zogeheten macronorm op grond van het budgetrecht toekomt aan de Tweede Kamer. Deze leden verkeren als gevolg van deze opmerking van de bewindspersoon (TK 2006–2007, 31 133, nr. 6, p. 5) enigszins in onzekerheid over hoe nu precies de positie van de Eerste Kamer in het licht van de betekenis van het budgetrecht op dit punt moet worden gezien. Graag ontvangen zij een nadere toelichting van het kabinet.

Ik betreur het dat de formulering, die daar gekozen is, de suggestie heeft gewekt dat de Eerste Kamer als medewetgevend orgaan niet verantwoordelijk zou zijn voor het finale oordeel over de omvang van het gemeentefonds. In letterlijke zin ligt in de Eerste Kamer zelfs het echte finale oordeel.

Tot slot

De regering hecht er sterk aan dat het voorstel nog dit jaar in werking treedt. Gemeenten weten al een half jaar dat er een bestuursakkoord is gesloten over het schrappen van de maximering van de OZB. Er is het kabinet dan ook veel aan gelegen om snel duidelijkheid voor hen te verschaffen en het juridische kader in lijn te brengen met het Bestuursakkoord. Het is mijn inziens ook onnodig om twijfel te hebben over de mogelijke uitwerking van het voorstel, zoals ik al in mijn voorgaande betoog heb aangegeven. Bovenal ben ik echter van mening dat geen tijd verloren moet gaan, om buiten twijfel te stellen dat de verantwoordelijkheid voor het bestuur van een gemeente in het algemeen, maar voor de OZB-heffing in het bijzonder, ligt dáár waar hij grondwettig hoort: bij de gemeente zelf. Waar er nog verschil van opvatting resteert, kijk ik ernaar uit om hierover in de Eerste Kamer daarover het debat te voeren.

De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Th. B. Bijleveld-Schouten


XNoot
1

Vereniging Eigen Huis, 19 november 2007.

XNoot
1

Het zogenaamde «Leidse Ondernemersfonds»: De verhoging van de OZB niet-woningen was op verzoek van de ondernemersverenigingen en wordt uitgekeerd in een ondernemersfonds.

Naar boven