D
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 mei 2005
Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken doe ik u hierbij naar aanleiding
van uw verzoek over de uitvoering van de motie Van Gennip c.s. (29 200V,
letter E) de navolgende reactie toekomen.
Nederland geeft onverminderd uitvoering aan de zuivere oriëntatie
en opvatting van ontwikkelingssamenwerking zoals verwoord in de beleidsnota's
«Aan elkaar verplicht» en «Sterke mensen, zwakke staten»
over Afrika.
Zoals in genoemde nota's gesteld streeft de regering daarbij naar een
integrale aanpak, waarbij ontwikkelingssamenwerking met diplomatie, politieke
dialoog en druk, veiligheidspolitiek, eerlijke handel en markttoegang wordt
gecombineerd. De regering beschouwt daarbij stabiliteit als voorwaarde voor
ontwikkeling. Ontwikkeling kan ook alleen duurzaam zijn in een stabiele en
veilige omgeving.
In het Hoofdlijnenakkoord «Meedoen, meer werk, minder regels»
d.d. 16 mei 2003 is aangekondigd dat de Nederlandse regering bij de OESO
zal bepleiten dat een groter deel van de kosten van vredesoperaties in ontwikkelingslanden
alsmede het klimaatbeleid in ontwikkelingslanden (CDM) onder de ODA-definities
worden gebracht.
Nadat in 1968 de 0,7% doelstelling voor officiële hulp -Official Development Assistance (ODA) – was geïntroduceerd,
stelde de groep van bilaterale donoren, verenigd in het Development Assistance Committee (DAC) van de OESO, voor de eerste
maal de ODA-definitie vast. Dit werd nodig geacht om ontwikkelingshulp-stromen
te onderscheiden van andere officiële geldstromen.
Het DAC is sindsdien de gezaghebbende instantie gebleven waar interpretaties
van de overeengekomen definitie en nieuwe hulpinstrumenten worden
getoetst. Voor besluiten over wat al dan niet als ODA kan worden beschouwd
is consensus nodig.
De Nederlandse regering respecteert deze definitie ten volle en besteedt
derhalve jaarlijks 0,8% zuivere hulp volgens de OESO/DAC-definitie.
De afgelopen twee jaar is binnen het DAC gediscussieerd over de vraag
welke activiteiten op het gebied van vrede en veiligheid als ODA kunnen worden
aangemerkt. De Nederlandse inzet bij deze discussie in OESO/DAC-verband richtte
zich de afgelopen twee jaar op financiering uit ODA-middelen van een aantal
ontwikkelingsrelevante activiteiten op het raakvlak tussen vrede, veiligheid
en ontwikkeling die tussen wal en schip dreigen te vallen. Onder de 23 leden
van het DAC is er thans brede consensus over het feit dat veiligheid van doorslaggevend
belang is voor ontwikkeling, en zij hebben gezamenlijk besloten tot een nadere
operationalisering van de ODA-definitie op het terrein van vrede en veiligheid.
Het resultaat van de besprekingen in OESO/DAC-verband tot nu toe is dat meer
activiteiten in (post-)conflict situaties als ODA kunnen worden geregistreerd.
Ook activiteiten op de volgende terreinen voldoen aan de ODA-criteria: hervormingen
van de veiligheidssector, civiele vredesopbouw, conflictpreventie en -oplossing,
het voorkomen van kindsoldaten en het terugdringen van kleine en lichte wapens.
Met de instelling van het Stabiliteitsfonds is een flexibel instrument
gecreëerd om ontwikkelingsrelevante activiteiten te kunnen financieren
op het terrein van vrede en veiligheid. Indien deze activiteiten aan de ODA-definitie
voldoen, worden ze als ODA geregistreerd. Zo niet, dan worden ze ook niet
als zodanig aangemerkt. Hiermee wordt beoogd om een coherent en vooral beter
geïntegreerd beleid te kunnen inzetten.
Ik vertrouw erop U hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
A. M. A. van Ardenne-van der Hoeven