29 608
Voorstel van wet van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham tot wijziging van het voorstel van wet van de leden Karimi, Dubbelboer en Van der Ham betreffende het houden van een raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie (Wet raadplegend referendum Europese Grondwet) in verband met het tijdstip van het referendum

D
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 25 november 2004

Wij danken de leden van de fracties van het CDA, de SP en D66 voor hun inbreng. In onderstaande memorie van antwoord zullen wij de gestelde vragen zo goed mogelijk proberen te beantwoorden.

De leden van de CDA-fractie beginnen hun inbreng met de opmerking dat zij niet expliciet om een novelle hadden gevraagd maar dat deze wel enkele van de juridisch-technische bezwaren wegneemt die zij bij het oorspronkelijke wetsvoorstel (Kamerstukken 28 885) hadden opgeworpen. Vervolgens stellen zij de vraag of er wel voldoende rekening mee is gehouden met de mogelijkheid dat de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet in werking treedt op het moment dat de Tijdelijke referendumwet (Trw) is geëxpireerd.

Zoals al enkele keren is opgemerkt, biedt het wetsvoorstel voor deze situatie een voorziening in artikel 28.

Deze leden vragen zich af wat het mandaat van de voorzitter van de Tweede Kamer is met betrekking tot de procedure van een initiatiefwetsvoorstel. Dit omdat vragen van leden uit de Eerste Kamer werden beantwoord door de Voorzitter van de Tweede Kamer. Artikel 85 van de Grondwet bepaalt dat de Tweede Kamer een initiatiefwetsvoorstel bij de Eerste Kamer indient. Artikel 118 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer stelt dat het initiatiefwetsvoorstel in de Eerste Kamer in beginsel verdedigd wordt door de Tweede Kamerleden die het oorspronkelijk bij de Tweede Kamer aanhangig hebben gemaakt.

Overigens moet wederom worden opgemerkt dat de voorzitter van de Tweede Kamer in zijn reactie op genoemde brief van de voorzitter van de Eerste Kamer niet slechts de opvattingen van de oorspronkelijke indieners weergeeft, maar tevens opmerkt dat hij daaraan niets heeft toe te voegen. De brief geeft daarmee ook de opvatting van de voorzitter zelf weer, die bovendien moet worden geacht namens de Kamer als geheel te spreken.

De leden van deze fractie vragen of naar opvatting van de Tweede Kamer het mogelijk moet zijn om te allen tijde zonder grondwettelijke basis een nationaal raadplegend referendum over welk onderwerp dan ook, met of zonder drempels, te houden. Wij hebben deze vraag al eerder (in de memorie van antwoord bij het oorspronkelijke wetsvoorstel) bevestigend beantwoord. Of dit wetsvoorstel moet worden gezien als opmaat of precedent voor een eventuele referendumpraktijk, wordt aan het oordeel van de wetgever overgelaten. De hypothetische vraag of in een regeerakkoord raadplegende referenda kunnen worden aangekondigd over bepaalde zaken beantwoorden wij bevestigend. Op dit moment is dat echter niet aan de orde.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Grondwet, als dragend document voor de Nederlandse samenleving, de meest belangrijke staatsrechtelijke bevoegdheden van de centrale staatsorganen moet vestigen en of vermelden. Uiteraard beantwoorden wij deze vraag bevestigend. Het wetsvoorstel doet daar ook geen afbreuk aan. De uitslag van het raadplegend referendum over het grondwettelijk verdrag is niet bindend. Het is uiteindelijk aan de wetgever om zich uit te spreken over de goedkeuring van dit verdrag. De uitslag van het referendum geldt als een zwaarwegend advies. Overigens is er geen sprake van dat het wetsvoorstel het instrument van het nationaal raadplegend referendum in algemene zin introduceert. Onderhavig wetsvoorstel biedt inderdaad de mogelijkheid tot het houden van een nationaal raadplegend referendum maar alleen over het onderwerp van de Europese Grondwet. Ook de rechtsvergelijking met Malta en Zweden brengt ons niet tot een ander oordeel. Wij zijn het overigens fundamenteel oneens met de expliciete veronderstelling van de leden van de CDA-fractie dat het voorgestelde referendum materieel een beslissend referendum is. Een en andermaal is betoogd dat de wetgever in alle opzichten het laatste woord houdt.

Deze leden vragen naar de principiële reden die ten grondslag ligt aan de keuze om het electoraat voor het referendum gelijk te laten zijn aan het electoraat voor de verkiezingen van de leden van de Tweede Kamer. Wij willen nog eens benadrukken dat het electoraat dat de leden van de Tweede Kamer heeft gekozen om advies wordt gevraagd over een specifiek onderwerp. Het ligt dan in de lijn der redenering om het advies te vragen aan dezelfde groep mensen die op dat moment het electoraat vormt.

De uitslag van het referendum vatten wij op als een advies aan de Staten-Generaal. Wij stellen inderdaad vast dat de regering zich al onomwonden achter het verdrag heeft gesteld. Hierbij willen wij verwijzen naar hetgeen de Staatssecretaris voor Europese Zaken heeft gezegd tijdens de behandeling van de Staat van de Unie en de op 4 en 5 november 2004 te Brussel gehouden Europese Top (29 803, handelingen nr. 21). De vraag of een raadplegend nationaal referendum in alle gevallen primair beschouwd moet worden als een advies aan de Staten-Generaal of alleen als dit referendum het gevolg is van een initiatiefwetsvoorstel, is niet in algemene zin te beantwoorden.

De leden van de CDA fractie wensen een nadere uitleg over waarom de benoeming van de leden van de referendumcommissie louter een zaak is van de Tweede Kamer. Het zo simpel mogelijk houden van de procedure vinden zij geen afdoende verklaring. Wij hebben aan deze verklaring echter weinig toe te voegen. Het is van groot belang dat de leden van de referendumcommissie zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de wet benoemd worden.

De leden van de CDA-fractie geven aan dat zij niet stil wensen te staan bij de in hun ogen merkwaardige figuur dat de adviesbehoevende instantie niet zelf formuleert waarover zij advies wenst. Wij willen over deze onjuiste constatering wel het volgende opmerken. Het wetsvoorstel bepaalt waarover advies wordt gevraagd, niet de referendumcommissie. Die maakt alleen de samenvatting van het verdrag. In dit licht willen wij ook opmerken dat niet alles wordt overgelaten aan de referendumcommissie. De commissie heeft onder meer tot taak het verdrag samen te vatten en dus per definitie aan te geven wat daarin wordt geregeld. Daaruit blijkt dan automatisch ook wat er niet is geregeld in het verdrag.

Deze leden vragen nogmaals naar de betrokkenheid van de Nederlandse Antillen en Aruba bij het referendum. Dat het grondwettelijk verdrag de Nederlandse Antillen en Aruba raakt, staat wat ons betreft niet ter discussie. Dat het verdrag te zijner tijd door middel van een voorstel van rijkswet ter goedkeuring zal worden voorgelegd, evenmin. Dit wil echter geenszins zeggen dat ook het referendum over het verdrag bij rijkswet zou moeten worden geregeld.

Het verdrag zal, net als huidige Europese verdragen, anders uitwerken voor de Nederlandse Antillen en Aruba dan voor Nederland. Een eenvormige referendumregeling voor het hele Koninkrijk ligt dan ook niet in de rede. Wij beschouwen het referendum als een aangelegenheid van de afzonderlijke landen van het Koninkrijk. Het is aan de Nederlandse Antillen en Aruba of zij ook een referendum willen houden over het verdrag.

Ten slotte hadden de leden van de CDA-fractie nog enkele vragen met betrekking tot de duiding van de uitslag, de wijze van stemmen en het proces na een eventueel negatief advies van het electoraat (gevolgd door een eventuele afwijzing door de Staten-Generaal). Een kiezer zal zich inderdaad slechts voor of tegen het verdrag kunnen uitspreken. Er zal geen ruimte zijn voor een motivering van de keuze. Het is overigens ook mogelijk om blanco te stemmen. Dit laat onverlet dat kiezers zich op tal van manieren inhoudelijk kunnen uitspreken over de Grondwet. Dit gebeurt nu al maar zal in de aanloop naar een referendum in hevigheid toenemen. Op tal van plaatsen op het internet wordt er in discussiegroepen over gediscussieerd. Kranten publiceren erover en er staan met enige regelmaat ingezonden stukken op de opiniepagina's van verschillende kranten. Bij een eventuele negatieve uitslag moet ook nadrukkelijk naar het gevoerde publiek debat en de campagnes gekeken worden. Daaruit zal blijken welke bepalingen in het verdrag de meeste weerstand opriepen.

Of een eventueel gewijzigd constitutioneel verdrag, tot stand gekomen na een negatief advies van het electoraat, gevolgd door een afwijzing van de Staten-Generaal, opnieuw ter advies aan de bevolking zou moeten worden voorgelegd, is nu niet aan de orde. Onderhavig wetsvoorstel voorziet niet in een eventueel tweede referendum over een herzien verdrag.

De leden van de D66 fractie vragen of indieners vinden dat het referendum in het geval van een negatief advies van het electoraat gevolgd door goedkeuring door de Staten-Generaal niettemin goed heeft gewerkt. Op deze alsdan vraag kunnen we nu geen antwoord geven. Niet alleen de situatie als geschetst door de leden van de fractie van D66 kan aan de orde zijn, maar er zijn nog tal van andere situaties mogelijk. Het is niet alleen de uitslag die van belang is, maar ook het maatschappelijke debat, dat voorafgaand aan het referendum wordt gehouden. Pas na al die uitkomsten kunnen wij het totaalbeeld overzien. Op dat moment kunnen wij ook beter bepalen of het referendum al dan niet goed heeft gewerkt. Overigens willen wij wel benadrukken dat wij ervan overtuigd zijn dat het feit dat er een referendum gehouden zal worden, de maatschappelijke discussie over Europa, en de betrokkenheid van de burger bij de EU, zal stimuleren.

De leden van de fracties van het CDA en de SP vragen naar de totale kosten van het referendum. Uitgangspunt is dat de kosten voor de uitvoering van het referendum aan de gemeenten worden vergoed. De raming voor de totaalkosten voor het referendum worden, zo bleek tijdens de behandeling van de begroting van BZK in de Tweede Kamer, op dit moment bepaald op € 23 170 000. Tot de totaalkosten behoren niet alleen de kosten voor de uitvoering door gemeenten, maar bijvoorbeeld ook de kosten voor (de staf van) de referendumcommissie en een opkomstbevorderende campagne. Wij hebben vernomen dat over de vergoeding aan de gemeenten nog overleg plaatsvindt. Een definitief antwoord op de vraag naar de hoogte van de kosten kan dan ook op dit moment nog niet worden gegeven.

Voor groepen en of instellingen die campagne willen voeren is een bedrag beschikbaar van € 1 000 000. Dit volgt uit artikel 26, derde lid, van het wetsvoorstel. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de referendumcommissie de bevoegdheid krijgt om de subsidies onder de aanvragers te verdelen. De datum van het referendum wordt ook bepaald door de referendumcommissie in overeenstemming met de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. Het gaat dus om een gezamenlijke beslissing.

Op de laatste vraag van de leden van de SP-fractie wie de uiteindelijke vraagstelling bepaalt, kunnen wij antwoorden dat die vraag rechtstreeks voortvloeit uit het wetsvoorstel (voor of tegen het verdrag).

Karimi

Dubbelboer

Van der Ham

Naar boven