28 509
Verandering in de Grondwet, strekkende tot wijziging van de bepaling inzake de benoeming van de commissaris van de Koning en de burgemeester

A
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 november 2004

Graag vraag ik uw aandacht voor het volgende. Recentelijk is bij Uw Kamer het voorstel tot herziening van de Grondwet in tweede lezing ingediend, strekkende tot wijziging van de bepaling inzake de benoeming van de commissaris van de Koningin en de burgemeester (Kamerstukken 28 509).

Afhandeling van dit voorstel in 2e lezing heeft in de Tweede Kamer lang op zich laten wachten. Dit hing samen met vervroegde verkiezingen en mitsdien ontbinding van de Tweede Kamer in januari 2003 en daarna opgekomen discussie over de grondwettelijkheid van behandeling van 2e lezings-voorstellen door de Tweede Kamer, die niet mede op grond van het voornemen tot grondwetsherziening is ontbonden. Daarover heb ik met de Tweede Kamer overleg gevoerd en met Uw Kamer schriftelijk van gedachten gewisseld.

Ik moge U verzoeken om te bevorderen dat dit voorstel door Uw Kamer voortvarend wordt behandeld.

Mijn verzoek wordt mede ingegeven door de overweging dat inmiddels bij de Tweede Kamer twee wetsvoorstellen zijn ingediend die voorzien in een andere aanstellingswijze van de burgemeester. De Tweede Kamer heeft vooralsnog voorzien in behandeling van de wetsvoorstellen in de maanden februari en maart 2005.

Uw medewerking aan een spoedige behandeling stel ik ten zeerste op prijs.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,

Th. C. de Graaf

Naar boven