A
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID1
Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel heeft de leden van de
vaste commissie aanleiding gegeven tot het stellen van de navolgende vragen
en het maken van de navolgende opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie wilden bij dit
wetsvoorstel volstaan met een enkele opmerking en vraag.
Allereerst is in de Tweede Kamer in het kader van enkele voorstellen met
betrekking tot het niet-gebruik van de bijzondere bijstand gesteld, dat het
voorliggende wetsvoorstel er net was. Dit moet een vergissing zijn: het wetsvoorstel
werd 6 februari 2004 ingediend. De leden van de CDA-fractie betreurden
het dan ook, dat een voor de betrokken groep van chronisch zieken en gehandicapten
zo urgent wetsvoorstel, dat bovendien slechts een beperkte wijziging inhield,
een behandeling van ruim 4 maanden in de Tweede Kamer heeft gevergd. Mede
hierdoor is kostbare tijd verloren gegaan, bijv. om meer inzicht te krijgen
op het «niet-gebruik». Ook de leden van de CDA-fractie maakten
zich hierover zorgen. Voor de cliënten zal dit niet-gebruik ongetwijfeld
ook samenhangen met de ingewikkeldheid van de materie.
Ook na de uitvoerige uiteenzetting in de diverse stukken is het nog moeilijk
bijv. de samenhang tussen B.U./T.B.U. en bijzondere bijstand goed in het vizier
te krijgen. De leden van de CDA-fractie, die met erkentelijkheid kennis hebben
genomen van de drieslag in de voorlichting, wilden dan ook een dringend appel
op de staatssecretaris doen om bij alle voorlichting transparantie helder
woordgebruik en eenvoud te betrachten. Deze leden vroegen zich hierbij tevens
af of al het voorlichtingsmateriaal in samenspraak met de gehandicapten en
chronisch zieken tot stand is gekomen en/of nog zal komen?
Voorts wilden de leden van de CDA-fractie begrip tonen voor de noodzaak
geen extra-beleidsuitvraag in dit stadium te genereren, mede omdat dit tot
een terughoudende opstelling bij de gemeenten zou kunnen leiden. Hierbij hadden
deze leden niet zozeer de bezuinigingen op het oog, die overigens door de
getroffen maatregelen voor een groot deel zijn gecompenseerd,
maar meer de onzekerheid over de in de toekomst te verwachten rijksbijdragen.
De leden van de PvdA-fractie sloten zich aan
bij deze opmerking.
De leden van de CDA-fractie wilden weten of
de staatssecretaris zich kan voorstellen, dat de toekomstige aanpassingen
in het objectieve verdeelmodel hiervan mede de oorzaak kunnen zijn. Waarom
voor het jaar 2005 nieuwe verdeelkenmerken, zoals bijv. de granieten voorraad,
toegevoegd? Met alle gevolgen vandien voor gemeenten die altijd een effectief
bijstandsbeleid hebben gevoerd, zoals bijv. in de regio Haaglanden? Kan de
staatssecretaris zich voorstellen dat dit op zich een uitnodiging is om met
de categoriale bijstand voor gehandicapten en chronisch zieken maar even niet
voorop te lopen? Kan een en ander nog worden gewijzigd?
Deze leden hadden met erkentelijkheid genoteerd, dat de staatssecretaris
alsnog in overleg met de VNG een onderzoek zal laten uitvoeren naar maatregelen
die de gemeenten hebben getroffen om het niet-gebruik van de bijzondere bijstand
door chronisch zieken, gehandicapten en ouderen tegen te gaan.
Vóór 1 december a.s. zal informatie over de resultaten
te verwachten zijn. Kan tegen die tijd ook het resultaat van de eigen activiteiten
van de Rijksoverheid tegemoet worden gezien?
Met betrekking tot andere vragen, achtten de leden van de CDA-fractie
met de aan de Tweede Kamer gegeven antwoorden de plenaire behandeling voldoende
voorbereid.
De voorzitter van de commissie,
Van Driel
De griffier van de commissie,
Nieuwenhuizen