28 263
Uitvoering van de verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12) (Uitvoeringswet EG-executieverordening)

nr. 180b
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 17 juni 2003

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en vragen van de leden van de fractie van het CDA. Op de door deze leden nog gestelde vragen zal ik hierna uitgebreid ingaan.

De leden van de CDA-fractie vragen of voortaan als vast onderdeel van de memorie van toelichting de geïmplementeerde Europese besluiten integraal als bijlage bijgevoegd kunnen worden evenals eventuele adviezen van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht.

De teksten van Europese regels zoals richtlijnen en verordeningen kunnen worden geraadpleegd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PbEG). Het nummer van het betreffende publicatieblad staat in beginsel in het opschrift of de aanhef van het wetsvoorstel of in de memorie van toelichting vermeld. Deze teksten zijn eveneens raadpleegbaar via de website van de Europese Unie (http://europa.eu.int) of via de website van de Eerste Kamer waar onder «Kamerstukken», onder het betreffende wetsvoorstel, een link is opgenomen naar de teksten van de betreffende Europese Besluiten.

De adviezen van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht dienen ingevolge artikel 80 lid 2 van de Grondwet (GW) in beginsel aan de Staten-Generaal te worden overgelegd. In nr. 291 van de Aanwijzingen voor de regelgeving is eveneens voorgeschreven dat adviezen over wetsvoorstellen aan de Tweede Kamer worden toegezonden. In nr. 49 van het Draaiboek voor de wetgeving is beschreven hoe in de praktijk uitvoering kan worden gegeven aan artikel 80 lid 2 GW. Bij de indiening van het wetsvoorstel dienen de adviezen aan de Tweede Kamer te worden aangeboden, tenzij deze reeds eerder aan de Kamer werden toegezonden. Volgens het Draaiboek kan het advies als bijlage bij de memorie van toelichting of als afzonderlijk stuk worden gepresenteerd. Van belang is bovendien dat ingevolge nr. 286 van de Aanwijzingen voor de regelgeving van alle wetsvoorstellen en van in het kader van de behandeling daarvan door de regering aan de Tweede Kamer toegezonden stukken altijd een kopie dient te worden gezonden aan de griffie van de Eerste Kamer. Het advies van de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht over dit wetsvoorstel is raadpleegbaar via de website van Justitie (http://www.justitie.nl) en is daarom niet tevens aangeboden aan de Kamer. Er bestaat echter geen enkel bezwaar tegen om deze adviezen zoals gebruikelijk was totdat zij te raadplegen waren op de Justitiesite, voortaan weer standaard aan de Tweede Kamer te zenden alsmede een kopie daarvan aan de Eerste Kamer.

De leden van de fractie van het CDA vragen een reactie op het feit dat schending van de bevoegdheidsbepaling van afdeling 5 van de verordening niet leidt tot een weigering van de erkenning (en wel op grond van artikel 35 EEX-verordening) terwijl dit wel het geval is bij schending van de bepalingen inzake verzekeringen (artikel 18 tot en met 14) en bepalingen inzake consumentenovereenkomsten.

Wat betreft de uitvoerbaarheid van rechterlijke beslissingen in arbeidsrechtelijke geschillen kan het volgende worden opgemerkt. De Brussel-I verordening heeft een eigen systeem van erkenning en tenuitvoerlegging. Het verlenen van een exequatur gebeurt in beginsel bij wege van «stempelvonnis». Artikel 41 van de verordening bepaalt dat de uitvoerbaarverklaring plaats dient te vinden zodra de formaliteiten daarvoor vervuld zijn en dat daarbij niet getoetst wordt aan de vraag of de beslissing al of niet erkend kan worden op grond van het bepaalde in de artikelen 34 en 35. Het verzoek om een exequatur gebeurt ex parte, de partij tegen wie uitvoerbaarverklaring gevraagd wordt, wordt daarbij niet betrokken. Is een exequatur gegeven dan kan die andere partij daartegen opkomen en aanvoeren dat de exequatur niet gegeven had mogen worden omdat er een beletsel voor de erkenning, als bepaald in de artikelen 34 en 35, aanwezig is. Het verweer dat de rechter aan wiens beslissing exequatur verleend is volgens de verordening daartoe niet bevoegd was, kan in het algemeen niet gevoerd worden: dat had in de bodemprocedure moeten gebeuren. Slechts in enkele in artikel 35 genoemde gevallen is dit verweer toegelaten, en wel indien het betreft geschillen in verzekerings- en consumentenzaken, en in gevallen, waarin de verordening exclusieve bevoegdheden heeft toegekend. Arbeidsovereenkomsten vallen daar niet onder omdat controle van bevoegdheid op dit gebied slechts ten nadele kan zijn van de eiser in de bodemprocedure, dat wil zeggen, in bijna alle gevallen, de werknemer (zie COM (1999)348 dd 14.07 1999, blz. 25 ad art. 42).

In het in de tweede alinea aangevoerde arbeidsrechtelijke voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat de Nederlandse rechter in een arbeidsrechtelijk geschil in strijd met zijn verplichting tot toepassing van de verordening nr. 44/2001, en in het bijzonder artikel 20 daarvan, zich op grond van het commune internationaal privaatrecht bevoegd verklaard heeft. In een dergelijk ongebruikelijk geval zal in België aan de beslissing van deze rechter om die reden geen exequatur kunnen worden onthouden.

De CDA-fractie geeft aan ongelukkig te zijn met de omstandigheid, dat het niet langer mogelijk is een zaak te brengen voor de rechter van de plaats waar de werknemer die in het buitenland woont, gewoonlijk zijn arbeid binnen Nederland verricht. Deze leden vragen daarom nogmaals uitdrukkelijk deze kwestie op enig moment opnieuw in de Raad aan de orde te stellen teneinde de verordening op dit punt tezijnertijd te wijzigen conform het EEX-verdrag.

De Nederlandse regering heeft op 17 juli 2002 inzake artikel 20 van de verordening een initiatief-voorstel ingediend tot wijziging van artikel 20 van de Brussel-I verordening (Raadsdocument 14363/02 JUSTCIV 181, dd 19 november 2002). Dit voorstel is in behandeling genomen door de Raad van Ministers, het Europese Parlement en de Economische en Sociale Commissie (Ecosoc). Dit voorstel ondervond echter noch van de zijde van de werkgevers noch van de zijde van de werknemers steun. Door het Verdrag van Nice zijn de middelen van de Nederlandse regering nu uitgeput en dient te worden afgewacht of de Europese Commissie dit voorstel overneemt.

De leden van de CDA-fractie stelden voorts nog enkele vragen met betrekking tot de weigeringsgrond in verband met een ontijdige en onregelmatige betekening (artikel 34 van de verordening). Deze weigeringsgrond kan niet worden aangevoerd, indien de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe wel in staat was. De leden van de CDA-fractie begrepen het aldus, dat bij de Nederlandse rechter dan een debat kan ontstaan over de toepassing van die weigeringsgrond betreffende een verzocht exequatur op een beslissing van een rechter in een van de andere Lidstaten. Zij vragen zich af of dit betekent dat de Nederlandse rechter zich dan over buitenlands procesrecht moet uitlaten alsmede hoe de Nederlandse rechter dit op moet, respectievelijk kan, oplossen.

Dat de Nederlandse rechter in bepaalde gevallen verplicht zal zijn zich over buitenlands procesrecht uit te laten in die zin dat hij moet vaststellen dat een voor hem verschenen partij een hem naar dat recht ter beschikking staand rechtsmiddel niet heeft aangewend, is juist. Dat de verordening de rechter verplicht rekening te houden met regels van buitenlands procesrecht, is overigens niet ongebruikelijk, ik verwijs naar de artikelen 11, eerste lid, 13, onder 3, 17, onder 3, 22, onder 2, 28, tweede lid, en 59, tweede lid. Doorgaans zal de rechter de inhoud van dit recht, daartoe voorgelicht door procespartijen, kunnen achterhalen. Zo nodig kan hij daarbij een beroep doen op de Europese Overeenkomst inzake het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht of op in buitenlands recht gespecialiseerde onderzoeksinstituten als het Internationaal Juridisch Instituut te 's-Gravenhage.

De leden van de CDA-fractie vragen naar aanleiding van een artikel van prof. mr Vlas («EEX-Verordening (Brussel I) vastgesteld», Ondernemingsrecht 2001–4) hoe kan worden voorkomen dat een rechter een exequatur weigert omdat het certificaat onvolledig is ingevuld, waarna op grond daarvan hoger beroep bij het gerechtshof zou kunnen worden ingesteld.

Zoals prof. mr Vlas zelf reeds opmerkt, is hoger beroep in een dergelijk geval denkbaar maar zeer uitzonderlijk. Zover behoeft het naar mijn mening dan ook niet te komen. Voorzover dit niet reeds uit artikel 55 van de verordening voortvloeit dat bepaalt dat indien een certificaat niet wordt overgelegd het gerecht voor de overlegging een termijn kan bepalen of gelijkwaardige documenten kan aanvaarden, dan wel, indien het gerecht zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling kan verlenen, kan de rechter die in eerste instantie over het verzoekschrift oordeelt, op grond van artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de verzoekende partij vragen om een volledig ingevuld certificaat. De herstelprocedure van artikel 120, vierde lid Rv is hier niet van toepassing omdat een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging bij verzoekschrift en niet bij dagvaarding plaatsvindt.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of een tegen het verleende verlof aangewend rechtsmiddel niet ook zou moeten worden aangetekend in het register als bedoeld in artikel 3: 301 BW.

Artikel 3:301 lid 2 BW bepaalt dat verzet, hoger beroep en cassatie tegen een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of deel van een zodanige akte, dient te worden ingeschreven. Deze plicht geldt voor verzet, hoger beroep en cassatie dat tegen een door een Nederlandse rechter gewezen uitspraak wordt ingesteld. In het geval dat over de verplichting tot levering in Nederland een kort geding wordt gevoerd, zoals in het door de leden van het CDA gegeven voorbeeld, is artikel 3:301 BW dan ook van toepassing. Het geval echter dat in Nederland enkel nog een exequaturprocedure wordt gevoerd over een in het buitenland gewezen uitspraak, zal zich in beginsel niet kunnen voordoen. In verband met artikel 22 van de verordening kan immers slechts de Nederlandse rechter – exclusief – bevoegd geacht worden tot het geven van een zodanige in plaats van de leveringsakte tredende uitspraak en zal de buitenlandse rechter zich zo nodig ambtshalve onbevoegd moeten verklaren (artikel 25 verordening). Zou de buitenlandse rechter niettemin een zodanige uitspraak hebben gedaan en zou daarvan verlof tot tenuitvoerlegging worden verzocht, dan zal bovendien de Nederlandse rechter dit weigeren (artikel 35, eerste lid, verordening). Slechts wanneer het in weerwil van het voorgaande toch zou komen van een verlof als door de genoemde leden bedoeld, dan kan daartegen een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 43 verordening worden ingesteld. Naar mijn oordeel is er onvoldoende grond om aan te nemen dat het rechtsmiddel tegen een zodanig uitzonderlijke exequatur, dat in artikel 3:301 BW niet wordt genoemd, op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden ingeschreven in de in artikel 433 Rv bedoelde registers.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

Naar boven