28 263
Uitvoering van de verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12) (Uitvoeringswet EG-executieverordening)

nr. 180a
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE1

Vastgesteld 12 mei 2003

Het onderhavige wetsvoorstel gaf de leden van de CDA-fractie aanleiding tot het maken van enkele opmerkingen en enkele vragen. Het was de leden hier aan het woord opgevallen, dat in de stukken betreffende implementatie van Europese regels nog wel een overzicht van bepalingen uit richtlijnen of verordeningen, dan wel kaderbesluiten is terug te vinden die geïmplementeerd moeten worden in de Nederlandse wetgeving, doch dat de teksten van dergelijke Europese besluiten ontbreken. Bij voorstellen als het onderhavige is vaak een belangrijk advies uitgebracht door de Staatscommissie Internationaal Privaatrecht. Omtrent de inhoud van het advies valt doorgaans het een en ander op te maken uit de memorie van toelichting, maar voor integrale kennisneming dient het advies afzonderlijk te worden opgevraagd. De leden van de CDA-fractie stelden naar aanleiding hiervan dan ook de vraag aan de minister of deze bereid is als vast onderdeel van de memorie van toelichting in de toekomst de desbetreffende Europese besluiten integraal als bijlage bij te voegen, alsmede waar zulks aan de orde is – het advies van de Staatscommissie Internationaal Privaatrecht.

In een artikel in Ondernemingsrecht 2001–4 onder de titel «EEX-verordening (Brussel I) vastgesteld» wijst Mr. P. Vlas erop, dat schending van de bevoegdheidsbepaling van afdeling 5 niet leidt tot een weigering van de erkenning (en wel op grond van artikel 35 EEX-verordening) terwijl dit wel het geval is bij schending van de bepalingen inzake verzekeringen (artikel 18 tot en met 14) en bepalingen inzake consumentenovereenkomsten. Mevrouw Mr. I. H. Vermeeren-Keijzers wijst op dit zelfde aspect in een artikel in Arbeidsrecht 2002/5 onder de titel «Arbeidsrecht in internationaal perspectief». In dat artikel wordt de door Mr. Vlas genoemde problematiek toegespitst op de casus van een arbeidsrechtelijke zaak. Mevrouw Vermeeren wijst erop, dat in theorie de in Nederland gevestigde werkgever de Nederlandse rechter kan verzoeken een naar Nederlands recht beheerste arbeidsovereenkomst met een in België woonachtige werknemer te ontbinden, deze rechter zich op grond van het commune internationale privaatrecht bevoegd verklaart kennis te nemen van het geschil om vervolgens het verweer van de werknemer inzake de toepasselijkheid van artikel 20 lid 1 EEX-verordening opzij te zetten. Een dergelijk vonnis zou niet onuitvoerbaar zijn. De leden van de CDA-fractie zouden graag een reactie krijgen van de minister op dit punt.

Van de gelegenheid maakten deze leden gebruik om ook nog op te merken, dat zij bijzonder ongelukkig zijn met de omstandigheid, dat het niet langer mogelijk is een zaak te brengen voor de rechter van de plaats waar de werknemer die in het buitenland woont, gewoonlijk zijn arbeid binnen Nederland verricht. De leden van de CDA-fractie achtten de beantwoording door de voorganger van de huidige minister van Justitie van vragen zijdens het Tweede-Kamerlid Weekers (Kamerstukken II 2002/03, 977) onbevredigend. Zij wezen ook op de kritiek van mevrouw Mr. Vermeeren in genoemd artikel. Een en ander gaf aanleiding aan de leden van de CDA-fractie de minister nog eens uitdrukkelijk te vragen deze kwestie op enig moment opnieuw in de Raad aan de orde te stellen, teneinde in de verordening te zijner tijd op te nemen een bepaling als destijds ook al was te vinden in het EEX-verdrag op het punt van de bevoegdheid van de rechter van de plaats waar gewoonlijk de arbeid werd verricht.

De leden van de CDA-fractie stelden voorts nog enkele vragen met betrekking tot de weigeringsgrond in verband met een ontijdige en onregelmatige betekening (artikel 34 van de Verordening). Deze weigeringsgrond kan niet worden aangevoerd, indien de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe wel in staat was. De leden van de CDA-fractie begrepen het aldus, dat bij de Nederlandse rechter dan een debat kan ontstaan over de toepassing van die weigeringsgrond betreffende een verzocht exequatur op een beslissing van een rechter in een van de andere Lid-staten. Betekent dit dan niet, dat de Nederlandse rechter zich over buitenlands procesrecht moet uitlaten? Hoe moet, respectievelijk kan de Nederlandse rechter dit probleem oplossen?

Mr. Vlas wijst in meergenoemd artikel nog op de situatie dat een certificaat onvolledig is ingevuld en dat op grond daarvan het exequatur wordt geweigerd, waarna beroep bij het Gerechtshof kan worden ingesteld. Afgezien van het tijdrovende karakter en de belasting voor rechtelijke macht, zo vroegen de leden van de CDA-fractie aan de minister, zou een dergelijke onvolledigheid in een certificaat niet ook door middel van een herstelprocedure ex 120, vierde lid Rv kunnen worden weggenomen. Acht de minister het denkbaar, dat de Nederlandse rechter bij aanbieding van een onvolledig certificaat de verzoekende partij een termijn geeft om het certificaat alsnog te completeren? Acht de minister het denkbaar, dat de Nederlandse rechter ambtshalve een dergelijk verzoek doet aan het rechtelijk college waarvan het certificaat afkomstig is? En hoe zou – in het laatste geval – een en ander dan formeel zich moeten voltrekken?

Indien een verleend exequatur rechtstreeks of indirect – na «conversie» via een kort geding bijvoorbeeld – ertoe strekt om de eigendom van een registergoed te doen overgaan van de verwerende partij naar de verzoekende partij, zou dan niet een tegen het verleende verlof aangewend rechtsmiddel ook moeten worden aangetekend in het register als bedoeld in artikel 3: 301 BW? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vergt dit dan geen aanpassing van art. 3:301 BW?

De voorzitter van de commissie,

Van de Beeten

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Holdijk (SGP), Rensema (VVD), Jurgens (PvdA), Le Poole (PvdA), Ruers (SP), Rosenthal (VVD), (plv. voorzitter), Dölle (CDA), Kohnstamm (D66), De Wolff (GL), Lodders-Elfferich (CDA), Van de Beeten (CDA), (voorzitter) en Broekers-Knol (VVD).

Naar boven