28 099
Aanpassing van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten aan de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof

nr. 364a
MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 31 mei 2002

De leden van de CDA-fractie kunnen instemmen met het onderhavige voorstel, maar stellen over enkele aspecten nadere vragen. De regering hoopt deze in het onderstaande naar bevrediging te beantwoorden.

Op de vraag van deze leden of artikel 70 van het Statuut van het Internationaal Strafhof (Statuut ISH), betreffende de misdrijven tegen de rechtspleging van het Strafhof, ook ziet op raadslieden, adviseurs van verdachten en zogenoemde Vrienden van het Hof (zoals die door het Joegoslaviëtribunaal zijn aangewezen in de zaak-Milosevic) en of het Strafhof zelf rechtsmacht heeft om door deze personen begane misdrijven te berechten, kan bevestigend worden geantwoord. Artikel 70 strekt er immers toe om het Strafhof de mogelijkheid te geven om zichzelf te beschermen, althans zelf te kunnen optreden, tegen pogingen om de betrouwbaarheid van het bewijs en de onpartijdigheid van het besluitvormingsproces te ondermijnen. Deze mogelijkheid strekt zich uit tot eenieder die de in artikel 70 omschreven handelingen verricht.

Naar aanleiding van de vraag van deze leden naar de juridische status van de criteria, neergelegd in regel 162, paragraaf 2, van het Reglement voor Proces- en Bewijsvoering, betreffende de vraag of het Strafhof al dan niet zelf rechtsmacht zal uitoefenen over een misdrijf tegen de rechtspleging, zij het volgende opgemerkt. Deze bepaling geeft slechts mogelijke criteria, die het Strafhof in aanmerking kan nemen. Afgewacht moet worden hoe het Strafhof deze criteria in de praktijk zal toepassen, en of het daarbij een algemene «beleids»lijn zal ontwikkelen waaraan eventuele verdachten zelfs rechtens te honoreren vertrouwen zouden kunnen ontlenen. Dit alles staat uiteraard ter beslissing van het Internationaal Strafhof. Een andere vraag is of de wijze waarop het Strafhof deze criteria toepast, door de verdachte zelfs zou kunnen worden ingeroepen voor de Nederlandse strafrechter. De regering meent dat dit niet het geval is. Voor de Nederlandse autoriteiten – OM en rechter – is slechts relevant of er een verzoek is van het Strafhof als bedoeld in artikel 70, vierde lid, onder b, Statuut ISH en of er naar Nederlands recht sprake is van een misdrijf.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of het Internationaal Strafhof de berechting van een misdrijf tegen de rechtspleging aan Nederland kan overlaten onder de voorwaarde dat de Nederlandse justitie de zaak in ieder geval op de zitting brengt, zij het volgende opgemerkt. Zoals in de memorie van toelichting aangegeven behoudt het openbaar ministerie onder artikel 70, vierde lid, onder b, Statuut ISH de vrijheid om een verzoek van het Strafhof tot overneming van de strafvervolging niet in te willigen. Het Strafhof kan Nederland dus niet verplichten de zaak daadwerkelijk te vervolgen en op de zitting te brengen. Een andere vraag is of het Strafhof zich – reeds in de omschrijving van het verzoek aan Nederland – rechtsmacht kan voorbehouden voor het geval Nederland inderdaad besluit niet tot vervolging over te gaan. Dit staat ter beoordeling van het Strafhof. Hierbij is met name de vraag of sprake is van een verboden bis in idem. In het licht van artikel 20, derde lid, Statuut ISH – dat overigens niet rechtstreeks van toepassing is op misdrijven tegen de rechtspleging, zie regel 163, paragraaf 2, van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering – lijkt dat niet het geval.

Naar aanleiding van de vraag van deze leden of, indien het Strafhof misdrijven tegen de rechtspleging behandelt, de met die misdrijven overeenkomende commune delicten niet meer voor de Nederlandse strafrechter kunnen worden gebracht, zij het volgende opgemerkt. De vraag of het ne-bis-in-idembeginsel zoals dat is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrechter en zoals dat krachtens het tweede lid van dat artikel ook werkt in relatie tot gewijsden afkomstig van een andere rechter dan de Nederlandse, in het door de vragenstellers bedoelde geval in de weg staat aan een vervolging voor de Nederlandse strafrechter, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Of sprake is van «hetzelfde feit» hangt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad af van de omstandigheden van het geval, in het licht van de strekkingen van de twee betrokken strafbepalingen en van het verwijt dat met de respectieve strafvervolgingen aan de betrokken persoon wordt gemaakt. Ingeval er bijvoorbeeld sprake zou zijn van een geweldsdelict (mishandeling, poging tot doodslag) gepleegd tegen een functionaris van het Strafhof, en het Strafhof zou dit behandelen als een misdrijf tegen de rechtspleging (bijvoorbeeld intimidatie of wraakneming in de zin van artikel 70, eerste lid, onder d respectievelijk e), is er naar de mening van de regering ruimte voor een tweede vervolging in Nederland op basis van het commune delict. In dat geval zijn de door het misdrijf tegen de rechtspleging respectievelijk het commune, Nederlandse delict beschermde rechtsbelangen namelijk zeer verschillend.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Naar boven