nr. 311
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de leeftijd
waarop een kind leerplichtig wordt te verlagen, dat het gewenst is de leeftijd
te verlagen van de kinderen ten behoeve van wie voorschoolse activiteiten
kunnen worden verricht in het kader van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
en dat in verband daarmee de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra
en de Leerplichtwet 1969 dienen te worden gewijzigd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 39, tweede lid, wordt de zinsnede «op ten minste eenmaal
per maand» vervangen door: op tenminste de eerste schooldag van elke
maand.
B
In artikel 167 wordt de zinsnede «die de leeftijd van 3 jaren hebben
bereikt» vervangen door: die de leeftijd van 2 jaar hebben bereikt.
ARTIKEL II
In artikel 39, eerste lid, onder b, van de Wet op de expertisecentra wordt
«4,5 jaar» vervangen door: 4 jaar.
ARTIKEL III
De Leerplichtwet 1969 wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 3, eerste lid, aanhef, wordt de zinsnede «waarin de
jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt» vervangen door: waarin de
jongere de leeftijd van vier jaar bereikt.
2. Aan artikel 11a wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
3. Naast de vrijstellingen bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan
het hoofd, op schriftelijk verzoek van en na redelijk overleg met de in artikel
2, eerste lid, bedoelde personen, in het belang van de jongere die nog niet
de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt, schriftelijk vrijstelling voor een
bepaalde duur en van een bepaalde omvang verlenen van de verplichting om te
zorgen dat deze de school waarop hij is ingeschreven, geregeld bezoekt.
ARTIKEL IV
1. Artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 zoals luidend op de dag onmiddellijk
voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing ten
aanzien van de jongere die de leeftijd van 5 jaar heeft bereikt in de eerste
vier maanden na die inwerkingtreding.
2. Ten aanzien van de jongere die de leeftijd van 4 jaar heeft bereikt
in de periode tot de inwerkingtreding van deze wet en op wie het eerste lid
niet van toepassing is, gaat de verplichting om te zorgen dat een jongere
als leerling van een school is ingeschreven, in afwijking van artikel 3, eerste
lid, aanhef, van de Leerplichtwet 1969 zoals gewijzigd door deze wet, in op
de eerste schooldag van de vierde maand volgend op die inwerkingtreding.
ARTIKEL IVA
Indien het bij koninklijke boodschap van 8 mei 2001 ingediende voorstel
van wet tot wijziging van de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair
onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering
van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra
(regeling leerlinggebonden financiering) (Kamerstukken I, 2000/01, 27 728,
nr. 199) tot wet wordt verheven en eerder dan of tegelijk met deze wet in
werking treedt, vervalt artikel II van deze wet.
ARTIKEL V
1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
2. In het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald dat artikel
I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 augustus 2002.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,