17 213
Vaststelling van titel 7.3 (Schenking) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek

nr. 114
VOORLOPIG VERSLAG VAN DE BIJZONDERE COMMISSIE VOOR DE HERZIENING VAN HET BURGERLIJK WETBOEK2

Vastgesteld 13 november 2001

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Artikelen 7.3.1 lid 2 j° 7.3.5 lid 1

De commissie zou gaarne vernemen hoe de verhouding is tussen de mogelijkheid van een herroepelijk schenkingsaanbod enerzijds (vgl. artikel 7.3.5 lid 1) en de bepaling dat een tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod als aangenomen geldt, wanneer die persoon het niet onverwijld heeft afgewezen? Kan de minister aangeven aan wat voor concrete gevallen hij denkt bij een nog herroepelijk aanbod tot schenking nu dit blijkens art. 7.3.2 lid 2 vrijwel steeds als aanvaard zal gelden en een aanvaard aanbod niet meer kan worden herroepen (vgl. artikel 219 lid 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)?

In aansluiting op het vorenstaande vroeg de commissie zich nog af of het bepaalde in artikel 7.3.1 lid 2 niet tot merkwaardige risico's leidt gelet op het bepaalde in artikel 7.3.9? De commissie signaleert – kort samengevat – dat een begiftigde die niet onverwijld een schenkingsaanbod ten aanzien van een gebrekkige zaak afwijst met de nadelige gevolgen daarvan wordt opgezadeld, zonder dat hij zulks behoeft te beseffen op het tijdstip dat hij kennisneemt van het desbetreffende schenkingsaanbod. De schenking behoeft derhalve voor de begiftigde niet steeds voordelig te zijn. Voorts wijst de commissie erop dat een schenking onder het huidige recht steeds uitdrukkelijk moet worden aanvaard. Hier ligt een verschil tussen de schenking enerzijds en de afstand van recht en omzetting van een natuurlijke verbintenis in een civiele anderzijds. Van laatst vermelde twee rechtshandelingen werd onder het oude recht wel aangenomen dat deze eenzijdig konden geschieden. Toen de wetgever in het nieuwe boek 6 ervoor koos om deze rechtshandelingen tweezijdig te maken, werd om praktische redenen daaraan in artikel 5 lid 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en 160 lid 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek dezelfde regel toegevoegd als thans in art. 7.3.1 lid 2 voor de schenking is neergelegd (zie TM, Parl. Gesch. 6, blz. 87). Bij de schenking bestaat daarvoor echter – gelet op de hiervoor genoemde redenen – naar de mening van de commissie geen aanleiding. De commissie vroeg zich dan ook af of een en ander niet zou moeten leiden tot een heroverweging van het bepaalde in artikel 7.3.1 lid 2?

De voorzitter van de bijzondere commissie,

Van de Beeten

De bijzondere griffier van de commissie,

Huijgen


XNoot
1

Het eerder verschenen stuk inzake dit wetsvoorstel is gedrukt onder EK nr. 333, vergaderjaar 2000–2001.

XNoot
2

Samenstelling: Holdijk (SGP), Le Poole (PvdA), Ruers (SP), Van de Beeten (CDA) (voorzitter), Hessing (D66), De Wolff (GL) en Broekers-Knol (VVD).

Naar boven