26 260
Wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Faillissementswet met betrekking tot het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en effectenafwikkelsystemen

nr. 100
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

26 november 1998

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ter uitvoering van richtlijn nr 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998, PbEG Nr L 166/45, regels te geven met betrekking tot de deelname van kredietinstellingen, financiële instellingen en effecteninstellingen in een betalingssysteem of effectenafwikkelsysteem en met betrekking tot het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in deze systemen; dat het, met het oog op het effectief functioneren van het girale betalingsverkeer en het girale effectenverkeer, daarom onder meer wenselijk is in de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Faillissementswet aanvullingen op te nemen op de regel dat de noodregeling, het faillissement en de surseance van betaling terugwerken tot het begin van de dag waarop de noodregeling wordt toegepast, het faillissement wordt uitgesproken, dan wel surseance van betaling wordt verleend;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Artikel 71 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

Onder vernummering van het negende en het tiende lid tot het veertiende en het vijftiende lid, worden na het achtste lid een nieuw negende tot en met dertiende lid ingevoegd, luidende:

9. In afwijking van de laatste volzin van het achtste lid, werkt de beschikking, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet terug ten aanzien van een door een kredietinstelling vóór het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven, gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b van de Faillissementswet.

10. De laatste volzin van het achtste lid en artikel 72, eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een kredietinstelling, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste of het tweede lid, bedoelde beschikking heeft gegeven, gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b, van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.

11. Het negende en het tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een goederenrechtelijk zekerheidsrecht dat door een kredietinstelling in verband met deelname aan een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b, van de Faillissementswet, is gevestigd ten behoeve van een centrale bank als bedoeld in artikel 212a, onder h, van de Faillissementswet of ten behoeve van een instelling die deelneemt aan het systeem.

12. De rechtbank vermeldt op de beschikking het tijdstip waarop de beschikking is gegeven tot op de minuut nauwkeurig.

13. De griffier van de rechtbank stelt de Bank terstond in kennis van de beschikking. De Bank stelt daarna terstond de door Onze minister op grond van artikel 212d van de Faillissementswet aangewezen systemen, alsmede de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten van de Europese Unie en van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in kennis van de beschikking.

ARTIKEL II

De Faillissementswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 212 wordt ingevoegd een afdeling 11A, luidende:

AFDELING 11A. VAN HET FAILLISSEMENT VAN EEN KREDIETINSTELLING, EEN FINANCIËLE INSTELLING, EEN EFFECTENINSTELLING OF EEN ANDERE INSTELLING, GENOEMD IN ARTIKEL 212A, ONDER A.

Artikel 212a

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a. instelling:

1. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

2. een financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

3. een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

4. een centrale tegenpartij, indien deze in het kader van deelname aan het systeem op grond van een overboekingsopdracht effectentegoeden verkrijgt;

5. een overheidsinstantie of onderneming met overheidsgarantie;

6. een in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling of effecteninstelling uitoefent door middel van een bijkantoor in Nederland;

b. systeem:

1. een door de Minister van Financiën op grond van artikel 212d aangewezen systeem;

2. een formele overeenkomst waarop het recht van een lidstaat van de Europese Unie van toepassing is en die door een andere lidstaat van de Europese Unie als systeem in de zin van richtlijn nr. 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 (PbEG L 166) is aangemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen;

c. centrale tegenpartij: een lichaam dat tussen de instellingen die deelnemen aan een systeem, in staat en dat optreedt als de exclusieve tegenpartij van deze instellingen met betrekking tot hun overboekingsopdrachten;

d. afwikkelende instantie: een lichaam dat aan instellingen of centrale tegenpartijen die deelnemen aan systemen, afwikkelingsrekeningen beschikbaar stelt via welke overboekingsopdrachten binnen die systemen worden afgewikkeld;

e. verrekeningsinstituut: een lichaam dat verantwoordelijk is voor de berekening van de netto posities van de instellingen, een eventuele centrale tegenpartij of een eventuele afwikkelende instantie;

f. deelnemer: een instelling, een centrale tegenpartij, een afwikkelende instantie, dan wel een verrekeningsinstituut;

g. indirecte deelnemer: een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, dan wel een financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, die op grond van een overeenkomst met een instelling die deelneemt in een systeem via het systeem een geldsom ter beschikking van een ontvanger kan stellen door middel van een boeking in de rekening van een kredietinstelling, een financiële instelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie;

h. centrale bank: een centrale bank van een lidstaat van de Europese Unie, de centrale bank van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel de Europese Centrale Bank;

i. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een instelling die in een andere staat zijn gevestigd dan die waarin die instelling gevestigd is;

j. effecten: effecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

k. overboekingsopdracht: een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking op de rekeningen van een kredietinstelling, een centrale bank of een afwikkelende instantie een geldsom ter beschikking van een ontvanger te stellen, of iedere opdracht die resulteert in het op zich nemen of het nakomen van een betalingsverplichting zoals gedefinieerd in de regels van het systeem, dan wel een opdracht door een deelnemer om door middel van een boeking in een register of anderszins, de rechten op of de rechten ten aanzien van één of meer effecten over te boeken;

l. insolventieprocedure: elke collectieve maatregel waarin de wetgeving van een lidstaat of van een derde land voorziet, met het oog op de liquidatie of de sanering van de deelnemer indien een dergelijke maatregel gepaard gaat met opschorting van, of oplegging van beperkingen aan overboekingen en betalingen;

m. verrekening: het in één nettovordering of nettoverplichting omzetten van vorderingen en verplichtingen die voortvloeien uit overboekingsopdrachten die een deelnemer geeft aan of ontvangt van, dan wel die deelnemers geven aan of ontvangen van, één of meer andere deelnemers, met als gevolg dat er alleen een nettovordering of een nettoverplichting ontstaat;

n. afwikkelingsrekening: een rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of een centrale tegenpartij, die gebruikt wordt voor het houden van geld of effecten en waarmee ook transacties tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld.

Artikel 212b

1. In afwijking van de artikelen 23 en 35 werkt de faillietverklaring van een instelling niet terug tot aan het begin van de dag waarop zij wordt uitgesproken, ten aanzien van een door die instelling vóór het tijdstip van faillietverklaring van die instelling gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig in het systeem uit te voeren.

2. De artikelen 23, 24, 35, 53, eerste lid, en 54, tweede lid, van deze wet, alsmede artikel 72, aanhef en onder a, van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een instelling na het tijdstip van faillietverklaring van die instelling gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, indien de opdracht in het systeem wordt uitgevoerd op de dag van faillietverklaring en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht de faillietverklaring niet kende of behoorde te kennen.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een goederenrechtelijk zekerheidsrecht dat door een instelling in verband met deelname aan het systeem is gevestigd ten behoeve van een centrale bank of ten behoeve van een andere instelling die deelneemt aan het systeem.

4. De rechtbank vermeldt op het vonnis het tijdstip van de faillietverklaring tot op de minuut nauwkeurig.

Artikel 212c

1. De griffier van de rechtbank stelt De Nederlandsche Bank N.V. terstond in kennis van de faillietverklaring.

2. De Nederlandsche Bank N.V. stelt daarna terstond de door de Minister van Financiën op grond van artikel 212d aangewezen systemen, alsmede de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten van de Europese Unie en van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, in kennis van de faillietverklaring.

Artikel 212d

1. De Minister van Financiën kan, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, als systeem aanwijzen een formele overeenkomst tussen drie of meer deelnemers, een afwikkelende instantie, een centrale tegenpartij, een verrekeningsinstituut of een indirecte deelnemer niet meegerekend, met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers, waarop het recht van toepassing is van een door de deelnemers gekozen lidstaat van de Europese Unie waarin ten minste één van de deelnemers zijn hoofdvestiging heeft.

2. Indien dit noodzakelijk is met het oog op het vermijden van systeemrisico's, kan de Minister van Financiën, De Nederlandsche Bank N.V. gehoord, als systeem aanwijzen een formele overeenkomst tussen twee deelnemers, een afwikkelende instantie, een centrale tegenpartij, een verrekeningsinstituut of een indirecte deelnemer niet meegerekend, met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers, waarop het recht van toepassing is van een door de deelnemers gekozen lidstaat waarin ten minste één van de deelnemers zijn hoofdvestiging heeft.

3. Aan de beschikking tot aanwijzing als systeem kan de Minister van Financiën voorschriften verbinden.

4. Het systeem stelt de Minister van Financiën in kennis van de instellingen die direct of indirect deelnemen aan het systeem, alsmede van elke aanvang of beëindiging van deelname door een instelling aan het systeem.

5. Van een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt in de Staatscourant mededeling gedaan.

6. De Minister van Financiën meldt de aangewezen systemen aan bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 212e

Ingeval een insolventieprocedure wordt geopend tegen een instelling, worden de rechten en de verplichtingen die zij uit of in verband met deelname aan dat systeem heeft, bepaald door het recht waardoor dat systeem wordt beheerst.

Artikel 212f

Wanneer, in verband met deelname aan het systeem, ten behoeve van een deelnemer of een centrale bank, dan wel ten behoeve van een derde die namens een deelnemer of een centrale bank optreedt, een goederenrechtelijk zekerheidsrecht is gevestigd op effecten of op rechten ten aanzien van effecten, en deze effecten of rechten ten aanzien van effecten op grond van een wettelijke bepaling zijn opgenomen in een register, rekening of gecentraliseerd effectendepot dat zich bevindt in een lidstaat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, wordt de bepaling van de rechten van die personen als houders van goederenrechtelijke zekerheidsrechten ten aanzien van deze effecten beheerst door het recht van die lidstaat, onderscheidenlijk die andere lidstaat.

B

Na artikel 281f wordt ingevoegd een Tweede Afdeling B, luidende:

TWEEDE AFDELING B. VAN DE VERLENING VAN SURSEANCE VAN BETALING AAN EEN KREDIETINSTELLING, DIE NIET WORDT BESCHOUWD ALS EEN KREDIETINSTELLING OP GROND VAN DE WET TOEZICHT KREDIETWEZEN 1992, EEN FINANCIËLE INSTELLING, EEN EFFECTENINSTELLING OF EEN ANDERE INSTELLING, GENOEMD IN ARTIKEL 281G.

Artikel 281g

Deze afdeling is van toepassing op:

a. een kredietinstelling ten aanzien waarvan de Minister van Financiën op grond van artikel 1, derde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, heeft bepaald dat zij niet wordt beschouwd als een kredietinstelling in de zin van die wet;

b. een kredietinstelling ten aanzien waarvan De Nederlandsche Bank N.V. op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, heeft bepaald dat zij niet wordt beschouwd als een kredietinstelling in de zin van die wet;

c. een financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992;

d. een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

e. een centrale tegenpartij, indien deze in het kader van deelname aan het systeem op grond van een overboekingsopdracht effectentegoeden verkrijgt;

f. een overheidsinstantie of onderneming met overheidsgarantie;

g. een in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van effecteninstelling uitoefent door middel van een bijkantoor in Nederland.

Artikel 281h

De artikelen 212a, onderdelen b tot en met f, en 212b tot en met 212f zijn van overeenkomstige toepassing op de verlening van de surseance van betaling, met dien verstande dat:

– voor «artikel 23» wordt gelezen: artikel 217.

– voor «artikel 24» wordt gelezen: artikel 228, tweede lid.

– voor «artikel 53, eerste lid» wordt gelezen: artikel 234, eerste lid.

– voor «artikel 54, tweede lid» wordt gelezen: artikel 235, tweede lid.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Financiën,

De Minister van Justitie,

Naar boven