25 617
Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen

nr. 134b
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 9 december 1997

Inleiding

Het kabinet heeft met waardering kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken.

Het wetsvoorstel beoogt door een herverdeling van de financiële verantwoordelijkheden de instroom in de werkloosheid terug te dringen. Door werkgevers sterker te confronteren met de lasten van de (kortdurende) werkloosheid zal er een betere afweging plaatsvinden tussen de maatschappelijke kosten en baten van ontslagbeslissingen.

Het kabinet is verheugd dat deze doelstelling door alle fracties wordt onderschreven.

Het kabinet constateert met instemming dat de leden van de fractie van de VVD sympathie hebben voor dit wetsvoorstel. De leden van de fractie van het CDA zijn voorstander van een positieve beïnvloeding van de arbeidsmarkt en hebben dan ook geen bezwaar tegen een herverdeling van verantwoordelijkheden die met dit wetsvoorstel wordt beoogd. Ook de leden van de PvdA-fractie hebben ten principale geen bezwaar tegen de voorgestelde verlenging van de sectorspecifieke wachtgeldperiode.

Desalniettemin zijn bij de leden van deze fracties nog enige vragen gerezen.

De leden hebben interessante en belangwekkende punten naar voren gebracht waar ik hieronder uitvoerig op in zal gaan.

De leden van de fractie van de VVD constateren dat dit wetsvoorstel een verdere stap is in de ontwikkeling dat de financiële verantwoordelijkheid ten laste komt van het bedrijfsleven en dan met name de werkgevers. Dit terwijl de rijksoverheid steeds meer zeggenschap naar zich toetrekt. Deze leden vragen zich af waar het principe dat wie betaalt bepaalt, blijft. Tevens vragen deze leden in dit verband een heldere uiteenzetting over de vraag van wie de wachtgeldfondsen zijn.

De werkloosheidsregelingen en daarmee ook de wachtgeldregelingen, verzekeren werknemers tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid. Het beleid ten aanzien van werkloosheid en de vormgeving van de werkloosheidsregelingen is een taak van de overheid. Vandaar ook dat het kabinet heeft voorgesteld om de wachtgeldperiode te verlengen.

De verlenging van de wachtgeldperiode, gecombineerd met het feit dat de wachtgeldpremieplicht volledig bij werkgevers komt te liggen, betekent inderdaad dat de financiële verantwoordelijkheid in sterkere mate bij de werkgevers komt te liggen. Daarbij dient overigens opgemerkt te worden dat in 1998 werkgevers macro gezien gecompenseerd worden voor de lastenverschuiving als gevolg van het volledig ten laste brengen van de wachtgeldpremie aan werkgevers door middel van een lager werkgeversdeel in de AWf-premie. De werknemers gaan daardoor meer bijdragen aan de AWf-premie. In eerste instantie zullen werkgevers dan ook niet substantieel meer betalen dan in de afgelopen jaren.

Het kabinet wil in 1998 voor werkgevers de mogelijkheden verruimen om de kortdurende werkloosheid te beperken. Zo zullen bijvoorbeeld de mogelijkheden worden verruimd om sectorale initiatieven die bijdragen aan beperking van de werkloosheid te financieren.

Door werkgevers meer faciliteiten te bieden bij het in dienstnemen van werklozen, kunnen werkgevers in sterkere mate bepalen hoeveel ze betalen.

De leden van de fractie van de VVD stellen ook dat de rijksoverheid steeds meer zeggenschap naar zich toetrekt. Gezien het bovenstaande kan het kabinet die opvatting zo in zijn algemeenheid niet onderschrijven.

Tevens vragen deze leden zich af waarom goedkeuring van de vaststelling van de wachtgeldpremie een te grote ingreep in de beleidsvrijheid van het Lisv is en de goedkeuring van de werkloosheidspremie niet.

Het Lisv is een zelfstandig bestuursorgaan. In de Aanwijzingen voor de regelgeving staat hoe in principe met de bevoegdheden van zelfstandige bestuursorganen dient te worden omgegaan. Aanwijzing 124f stelt dat ten aanzien van regelgevende bevoegdheden uitsluitend bevoegdheden van technische of organisatorische aard kunnen worden toegekend aan zelfstandige bestuursorganen. Bij uitzondering kunnen regelgevende bevoegdheden worden toegekend mits voorzien is in een goedkeuringsvereiste door de minister. De AWf-premie is een landelijk uniforme premie die moet worden opgebracht door werkgevers en werknemers. Deze premie is een belangrijke component van de loonkostenontwikkeling en het premiebeeld. De vaststelling van de hoogte van deze premie door het Lisv heeft gevolgen voor de totale loonkostenontwikkeling en het macro-economische beleid in het algemeen. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het sociaal-economische beleid is het daarom noodzakelijk dat de minister uiteindelijk goedkeuring geeft aan de door het Lisv vastgestelde premie, rekening houdend met de meest actuele macro-economische raming na de vaststelling door het Lisv.

De wachtgeldpremies daarentegen zijn sectorale premies. Bovendien ligt de bepaling van de hoogte van de wachtgeldpremies grotendeels vast door de daarbij te hanteren rekenregels. De vaststelling van de sectorale wachtgeldpremies is dus meer een bevoegdheid van technische aard, waarvoor goedkeuring door de minister niet vereist is.

Het introduceren van het goedkeuringsvereiste bij de vaststelling van de wachtgeldpremies is naar de mening van het kabinet een onnodige en daarmee te grote, ingreep in de beleidsvrijheid van het Lisv.

Anders ligt dit voor het introduceren van het goedkeuringsvereiste bij de vaststelling van de lastenplafonds. Zoals hierboven aangegeven is vanwege de verantwoordelijkheid van de minister voor het sociaal-economische beleid de vaststelling van de AWf-premie gebonden aan het goedkeuringsvereiste van de minister. Omdat de lasten boven het lastenplafond ten laste mogen worden gebracht van het AWf, bepaalt de hoogte van het lastenplafond indirect de hoogte van de benodigde premie. Vandaar dat de vaststelling van het lastenplafond door het Lisv gebonden wordt aan het goedkeuringsvereiste van de minister. Ik heb deze zaak ook besproken met het bestuur van het Lisv. In goed overleg hebben het Lisv en ik overeenstemming bereikt over deze invulling van de veranwoordelijkheden.

De leden van de fractie van de VVD constateren een tegenstrijdigheid tussen de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag waar enerzijds wordt gerept van de verantwoordelijkheid van de minster van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor lastenontwikkeling en inkomensbeleid en anderzijds de constatering dat inkomenspolitieke overwegingen geen rol spelen bij het vaststellen van de lastenplafonds. Deze leden vragen zich af of inkomenspolitieke doeleinden bereikt worden door een verevening tussen de wachtgeld- en werkloosheidspremies.

De vraag van goedkeuring van lastenplafonds wordt uitsluitend bepaald door draagvlakoverwegingen van een sector. Een beslissing met betrekking het aanpassen van het plafond wordt genomen zonder inkomenspolitieke motieven, maar heeft uiteraard wel gevolgen voor het inkomensbeeld. Een dergelijke beslissing heeft immers gevolgen voor de lasten van het AWf en beïnvloed daarmee de AWf-premie, die onderdeel uitmaakt van het inkomensbeeld. Ik deel dan ook niet de opvatting dat sprake is van een tegenstrijdigheid tussen de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag.

In de nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997/1998, 25617, nr. 5) wordt gesteld dat de landelijk uniforme werkloosheidspremie zodanig wordt aangepast dat op macroniveau de lasten van wachtgeldpremie en werkloosheidspremie fifty-fifty worden verdeeld over werkgevers en werknemers. De leden van de fractie van de VVD vragen zich af of deze opzet de bedoeling van het wetsvoorstel niet aantast.

De leden van de fractie van de VVD hebben gelijk dat van een fifty-fifty verdeling op zich een enigszins dempende werking uitgaat op de effecten van de sectorale premiedifferentiatie.

De fifty-fifty verdeling van de premielasten over werkgevers en werknemers geldt echter op macro niveau. De premieverdeling is zo opgesteld dat werkgevers en werknemers op macro-niveau gemiddeld de helft van de werkloosheidslasten dragen. Daarbij wordt dan uitgegaan van een gemiddelde wachtgeldpremie. De wachtgeldpremie is echter een sectoraal gedifferentieerde premie. Achter dit evenwichtige macro-beeld schuilt dus een divers meso-beeld. Sectoren met van het gemiddelde afwijkende werkloosheidsontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld frequente instroom in de kortdurende werkloosheid of afwijkende premieontwikkelingen zullen wel degelijk gevolgen ondervinden van de verlenging van de wachtgeldperiode. Deze sectoren worden dus geprikkeld om de kortdurende werkloosheid terug te dringen, conform de bedoeling van het wetsvoorstel.

De leden van de fractie van het CDA vragen de staatssecretaris of hij kan aangeven welke extra druk ontstaat op arbeidsintensieve sectoren in verhouding tot arbeidsextensieve sectoren.

In onderstaande tabel wordt weergeven voor welke sectoren de lastenstijging meer dan anderhalf maal de gemiddelde lastenstijging bedraagt. Hierbij is overigens afgezien van het compenserende effect van de Awf-premie.

Bouwbedrijf38,0%
Metaalindustrie48,3%
Electrotechnische industrie50,3%
Detailhandel en ambachten57,2%
Reiniging56,8%
Grootwinkelbedrijf34,7%
Havenbedrijven35,1%
Voedingsindustrie34,7%

Sectoren waarvoor een geringe lastenstijging (minder dan de helft van de gemiddelde lastenstijging) het gevolg is van de verlenging van de wachtgeldperiode van 13 weken naar 6 maanden staan vermeld in de onderstaande tabel.

Agrarisch bedrijf3,6%
Tabakverwerkende industrie4,5%
Slagersbedrijven7,0%
Slagers overig5,2%
Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke9,0%
Uitleenbedrijven9,6%
Mortelbedrijf3,2%

Uit de vergelijking van beide staten blijkt dat er geen eenzijdige lastenverzwaring voor arbeidsintensieve dan wel arbeidsextensieve sectoren ontstaat als gevolg van de verlenging van de wachtgeldperiode van 13 weken naar 26 maanden.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom voor de nieuwe verlenging van 13 weken naar zes maanden niet de evaluatie van de eerdere verlenging van 8 naar 13 weken is afgewacht. Ook de leden van de fractie van de PvdA hebben dit punt genoemd. Tevens vragen de leden de fractie van het CDA in hoeverre de vermogenspositie van het AWf nog een rol heeft gespeeld bij de keuze om nu reeds over te gaan tot een verlenging van 13 weken naar 6 maanden.

De verlenging van de wachtgeldperiode moet gezien worden in het breder kader van herschikking van verantwoordelijkheden in de sociale zekerheid. Met de verlenging van de wachtgeldperiode beoogt het kabinet de financiering van de Werkloosheidswet zodanig in te richten dat de incentive werking wordt versterkt. Door actoren met de kosten van hun gedrag te confronteren zullen kosten en baten beter worden afgewogen, dan wanneer de kosten afgewenteld kunnen worden op het grote collectief.

De werkloosheidsregelingen worden momenteel voor het grootste deel collectief gefinancierd door middel van een landelijk uniforme premie. Slechts de eerste dertien weken van werkloosheid worden gefinancierd door een sectoraal gedifferentieerde premie. Het kabinet acht het daarom van het grootste belang dat sectoren in sterkere mate dan nu het geval is geconfronteerd worden met de kosten van ontslag. In 1996 heeft het kabinet een begin gemaakt door de wachtgeldperiode te verlengen van 8 naar 13 weken. Deze beleidslijn wil het kabinet verder doorvoeren. Naar het oordeel van het kabinet biedt een periode van 13 weken hiervoor nog ruimte. De prikkel en daarmee het beperkende effect op de instroom in de werkloosheid wordt sterker naarmate de periode langer wordt.

Het kabinet is met de leden van de fractie van het CDA van mening dat in principe evaluatie van beleidsmaatregelen wenselijk is. Het evalueren van het effect van de verlenging van de wachtgeldperiode van 8 naar 13 weken op de werkloosheid is echter bijzonder lastig. Het kabinet heeft kunnen vaststellen dat de werkloosheid sinds de verlenging van de wachtgeldperiode van 8 naar 13 weken gedaald is. Het is echter niet eenvoudig vast te stellen in hoeverre de daling van de werkloosheid kan worden toegerekend aan deze beleidsmaatregel. Andere economische factoren zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van de conjunctuur spelen ook een belangrijke rol.

Om te bepalen in hoeverre de verlenging van de wachtgeldperiode heeft bijgedragen aan de daling van de werkloosheid zou om vertekening door conjuncturele factoren te voorkomen een evaluatie tenminste een aantal jaren dienen te bestrijken. Omdat het kabinet de ingezette beleidslijn ten principale een juiste acht, wil het kabinet niet zolang wachten.

Het kabinet voelt zich hierin gesterkt door ontwikkelingen in verschillende sectoren waaruit kan worden afgeleid dat de verlenging van de wachtgeldperiode effectief is in die zin dat inmiddels in een aantal sectoren werkgevers op sectorniveau tot afspraken komen om de instroom in de werkloosheid terug te dringen.

Daarnaast heeft voor het kabinet bij zijn beslissing om nu over te gaan tot verlenging van de wachtgeldperiode meegespeeld dat de economische omstandigheden momenteel gunstig zijn. De economische situatie is op het moment zodanig dat de sectoren de lasten van het eerste halfjaar van werkloosheid nu beter kunnen opvangen dan in een periode van conjuncturele neergang. De dalende werkloosheid heeft ervoor gezorgd dat de wachtgeldfondsen in de afgelopen jaren een behoorlijk vermogen hebben gekweekt.

Ten slotte vroegen de leden van de fractie van het CDA in hoeverre sectoren de wachtgeldpremie mede bepalen.

De vraag naar de invloed van sectoren op de hoogte van de premie kan zowel procedureel als inhoudelijk beantwoord worden.

Het Lisv stelt voor iedere sector de sectorale wachtgeldpremie vast. Alvorens het Lisv de premies vaststelt, moet het Lisv de premies voor advies voorleggen aan de sectorraden.

Naast deze invloed in procedurele zin kunnen sectoren de wachtgeldpremie beïnvloeden door de kortdurende werkloosheid in hun sector terug te dringen.

Ik zal daar hieronder, waar wordt ingegaan op de rol van sectoren, dieper op ingaan.

De voorgestelde verlenging van de wachtgeldperiode betekent een versterking van de sectorale premiedifferentiatie. Dit impliceert dat van dit wetsvoorstel een incentive uitgaat om op sectorniveau de (kortdurende) werkloosheid aan te pakken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen daarom een beschouwing over de rol van sectoren.

Met deze leden is het kabinet van mening dat sectoren een belangrijke rol kunnen en moeten spelen bij de bestrijding van de kortdurende werkloosheid. Op dit moment wordt het sectoraal arbeidsmarktbeleid vooral vormgegeven door sociale partners via CAO-afspraken over bijvoorbeeld scholing en werkgelegenheidsbeleid voor doelgroepen. De uitvoeringsorganen in de sociale zekerheid zijn in samenwerking met de arbeidsvoorziening belast met het volumebeleid in de sociale zekerheid. Het kabinet verwacht dat het onderhavige wetsvoorstel een verdere stimulans zal vormen om werklozen uit de sector te reïntegreren in het arbeidsproces. Het kabinet verwacht dat daarmee het volumebeleid in de sociale zekerheid en het sectorale arbeidsmarktbeleid meer op elkaar zullen worden afgestemd. Sociale partners kunnen daarvoor bijvoorbeeld sectorraden als platform gebruiken. Doordat sociale partners zowel betrokken zijn bij CAO-afspraken als bij sectorraden kan hiervan een positieve uitwerking uitgaan op de inspanningen om op sectorniveau te komen tot afspraken om de kortdurende werkloosheid op sectorniveau terug te dringen.

Deze leden vragen of naast de genoemde initiatieven in de schildersbranche en de grond-, weg- en waterbouw er al meer initiatieven genomen zijn.

Het kabinet heeft geconstateerd dat de voorgestelde veranderingen ten aanzien van de wachtgeldperiode tot dusver geleid hebben tot een tweetal concrete initiatieven. Deze leden refereerden daar ook aan. Daarnaast zal het onderwerp aan de orde komen in het najaarsoverleg met de sociale partners. Het is op dit moment echter nog te vroeg om nu al veel concrete plannen te verwachten. Het kabinet verwacht echter dat nu het onderwerp op de agenda is geplaatst er meer initiatieven zullen volgen.

Zeker wanneer het wetsvoorstel Experimenteren en anticiperen in werking zal treden. Dit laatste wetsvoorstel verruimt de mogelijkheden voor de financiering van sectorale initiatieven gericht op de terugdringing van de (kortdurende) werkloosheid.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat in dit wetsvoorstel is gekozen voor sectorale premiedifferentiatie. Bij eerdere wetgeving inzake eigen risico of premiedifferentiatie, zoals bij Wulbz en Pemba, is gekozen voor premiedifferentiatie op niveau van de individuele onderneming. Zij missen een beschouwing waarom bij de WW een andere invalshoek is gekozen. Deze leden vragen met andere woorden waarom niet gekozen is in de WW voor premiedifferentiatie op bedrijfsniveau.

Premiedifferentiatie in de WW op het niveau van de individuele onderneming leidt ertoe dat de kosten van ontslag stijgen. Daardoor zullen bedrijven er minder snel toe over gaan werknemers te ontslaan. Het stimuleert werkgevers om met ontslag bedreigde werknemers om te scholen of te ondersteunen bij het zoeken naar ander werk. Een financiële prikkel op ondernemingsniveau stimuleert werkgevers ook om zich extra in te spannen bij de bestrijding van seizoenswerkloosheid.

Het feit dat de kosten van ontslag voor ondernemingen hoger worden, heeft echter ook bepaalde nadelen.

Premiedifferentiatie op ondernemingsniveau leidt tot een verscherping van de zogenaamde insider outsider problematiek. De kosten van ontslag van het zittende personeelsbestand (de insiders) worden hoger, waardoor hun positie op de arbeidsmarkt wordt versterkt. Dat kan dus betekenen dat de positie van de werklozen (de outsiders) relatief verslechtert. Een werkgever zal immers minder snel geneigd zijn nieuw personeel in dienst te nemen.

Zoals blijkt uit bovengenoemde overwegingen, zitten er de nodige haken en ogen aan WW-premiedifferentiatie op ondernemingsniveau. Vandaar dat het kabinet hier zorgvuldig naar wil kijken. Het kabinet laat momenteel uitgebreid onderzoek uitvoeren naar de voor- en nadelen van premiedifferentiatie in de WW.

Bij premiedifferentiatie op sectoraal niveau doen zich bovengenoemde nadelen in veel mindere mate voor. Het draagvlak is op sectorniveau via de systematiek van de wachtgeldlastenplafonds gegarandeerd. Bovendien doet de insider-outsider problematiek zich binnen de sector niet voor.

Vandaar dat het kabinet vooralsnog kiest om wat betreft de premiedifferentiatie eerst een kleine stap te zetten door in de WW de sectorale premiedifferentiatie te versterken.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of sectoren sterk genoeg zijn om het gedrag van de werkgevers in hun sector te beïnvloeden en welke instrumenten hierbij ten dienste staan.

Zij veronderstelden dat sectoren die gekenmerkt worden door goed georganiseerd overleg en waar gemeenschappelijke regelingen bestaan voor scholing, arbeidsomstandigheden en arbeidsmarktbeleid wellicht goed geëquipeerd zijn voor premiedifferentiatie, maar sectoren die dit niet kennen wellicht de instrumenten ontbreken om effectief om te gaan met premiedifferentiatie in de WW.

De leden van de PvdA vragen om een beschouwing hierover liefst geïllustreerd met voorbeelden.

De meeste sectoren hebben een eigen scholing- en werkgelegenheidsbeleid en beschikken over instrumenten om op bedrijfstakniveau het gebruik van de ww te benvloeden.

Sectoren met een bedrijfstakcao kennen doorgaans opleidings- en ontwikkelingsfondsen (O+O fondsen). De gemiddelde premie is 0,7% van de loonsom. De 12 grootste O+O-fondsen, die tezamen 70% van de werknemers dekken waarvoor een O+O-fonds bestaat, gaven in 1995 427 miljoen aan scholing uit voor zowel zittend personeel (werkt preventief voor de ww en vergroot de employability) als voor instromers (van belang voor reïntegratie ww-ers).

In 1996 stonden in 74 van de 124 cao's afspraken over werkgelegenheid. Het accent lag daarbij op de onderkant van de arbeidsmarkt met doelgroepen als langdurig werklozen, allochtonen, herintreders, gedeeltelijk arbeidsgeschikten en laagopgeleiden. De doelgroepen zullen ook WW-ers betreffen, maar zeker niet uitsluitend. Ouderen (45 plus) waaronder nogal wat WW-ers worden het laatste jaar vaker als doelgroep aangemerkt.

Instrumenten die bij bedrijfstakeigen werkgelegenheidsinitiatieven worden ingezet zijn bijvoorbeeld arbeidservaringsplaatsen, voorschakeltrajecten voor vakopleidingen, Cnv-brugprojecten, extra doelgroepenschalen op wml-niveau en het creëren van assistent-functies voor laagopgeleiden.

De Grafische Industrie kent bijvoorbeeld een eigen Grafisch Opleidingscentrum met scholingsprojecten als Enter (instroom uit doelgroepen, waaronder werklozen), Re-enter (omscholing werkloze grafici) en Upgrade (scholing zittend personeel m.b.t. nieuwe technologieën). Daarnaast kent de bedrijfstak het Project Raster om bedrijven te ondersteunen bij het bemiddelen van personeel (binnen en buiten de bedrijfstak) en bestaan er regionale platforms van werkgevers t.b.v. contacten met Arbvo en Uvi's.

De bouw kent de Sticht Bouw-vak-werk die de werkgelegenheidsafspraken uit de bouwcao implementeert. De bouw kent financiële incentives om te bevorderen dat in 1999 10% van de instroom uit specifieke doelgroepen bestaat waaronder langdurig werklozen. Beïnvloeding van het gebruik van de ww in verband met frictie- en seizoenwerkloosheid kan in de bouw door collegiale in- en uitleen, werkplanning, afspraken met opdrachtgevers en vormen van werkspreiding. De te verwachten hoge bedrijfstakspremie stimuleert het kostenbewustzijn bij werkgevers t.a.v. de ww. Dat maakt bedrijfstakinitiatieven zoals de zomer-winterregeling voor de schilder-en afwerksector en en de grond- weg en waterbouw interessanter voor werkgevers. Op bedrijfstaksniveau kan ook op regionaal niveau de tot standkoming van arbeidspools, of samenwerking met arbeidsvoorziening of uitzendbureaus worden bevorderd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of lastenplafonnering een overgangsmaatregel is, die gedurende één of enkele jaren na invoering van dit wetsvoorstel zal gelden. Deze leden constateren echter dat geen horizonbepaling is opgenomen in de wetgeving op dit punt.

De leden verwijzen naar de passage in de nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997/1998, 25617, nr 5) waar wordt ingegaan op de vraag of de lastenplafonds naast een instrument betreffende het draagvlak van een sector, ook gebruikt zou gaan worden voor het bedrijven van inkomenspolitiek.Het kabinet heeft aangegeven dat het instrument niet gebruikt zal worden voor inkomenspolitiek, maar uitsluitend als instrument ten aanzien van het draagvlak van een sector. Aangegeven is dat een sector in een zodanige situatie komt dat verevening van de wachtgeldlasten met het AWf wenselijk is. Omdat de economische conjunctuur de afgelopen jaren steeds gunstig is geweest en volgens de prognoses ook volgend jaar zich nog voorspoedig ontwikkeld, kunnen de gevolgen voor sectoren die een periode van laagconjunctuur doorlopen niet met zekerheid worden vastgesteld. Het Lisv heeft inmiddels voor alle sectoren nieuwe lastenplafonds berekend, waarbij zowel rekening is gehouden met het draagvlak van de sector, als met het principe dat iedere sector in principe de lasten van het eerste halfjaar van werkloosheid moet dragen.

Ter bepaling van de hoogte van de lastenplafonds heeft het Lisv de sectorale werkloosheidsontwikkeling in de laatste tien jaar betrokken. In principe geeft een lastenplafond gebaseerd op een dergelijke periode een redelijke zekerheid dat het aldus vastgestelde lastenplafond ook in de toekomst een goede graadmeter voor het draagvlak van een sector zal zijn. Desalniettemin is het denkbaar dat zich de situatie voordoet dat voor een sector verevening met het AWf wenselijk is. Wanneer zich dat voordoet is op voorhand niet te zeggen, te meer omdat het tijdstip wanneer een sector geconfronteerd wordt met een periode van economische tegenwind op voorhand niet is te bepalen en per sector verschillend. Het kabinet heeft daarom geen expliciete horizonbepaling opgenomen ten aanzien van de lastenplafonds.

Volgens de memorie van toelichting is er na 1 maart 1997 sprake van een toename van het aantal wachtgeldfondsen. De leden van de fractie van de PvdA vragen een toelichting op dit punt. Tevens vragen deze leden wat naar de mening van het kabinet het optimale aantal wachtgeldfondsen is?

Op 1 maart 1997 is de Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997 (OSV 1997) in werking getreden. In deze wet is bepaald dat het bedrijfs- en beroepsleven wordt ingedeeld in sectoren. Iedere sector kent een eigen wachtgeldfonds. Op dit moment bestaan er 60 sectoren en dus ook 60 wachtgeldfondsen. Voor 1 maart 1997 bestonden er 18 bedrijfsverenigingen met in totaal 38 wachtgeldfondsen en risicogroepen binnen die wachtgeldfondsen.

Per 1 maart 1997 is het aantal wachtgeldfondsen dus toegenomen. De vraag wat het optimale aantal is laat zich moeilijk beantwoorden. Dit wordt vooral bepaald door draagvlakoverwegingen.

Een verdere uitbreiding van het aantal sectoren ligt in het verschiet. Op 1 januari 1998 valt het overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen. Er is voorzien in de vorming van een vijftal nieuwe sectoren voor de overheid.

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de kortdurende werkloosheid van uitzendkrachten wordt toegerekend aan de sectoren van de inlenende bedrijven danwel ten laste komen van het wachtgeldfonds van de uitzendbranche.

In de regeling Indeling van het bedrijfs- en beroepsleven is voorzien in een sector Uitleenbedrijven. Deze sector kent een eigen wachtgeldfonds. In de sector Uitleenbedrijven zijn ingedeeld de ondernemingen die zich op grond van het Uitleenbesluit in overwegende mate bezig houden met het uitlenen van personeel. Ook uitzendbureaus zijn ingedeeld in deze sector. De uitzendbureaus kennen derhalve een eigen wachtgeldpremie voor de kortdurende werkloosheid. De kosten voor kortdurende werkloosheid worden dus niet toegerekend aan de sector van de inlenende bedrijven.

De leden van de fractie van de PvdA constateren dat de minister het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren indeelt. Het Lisv heeft de bevoegdheid om wachtgeldfondsen in te stellen. De memorie van toelichting stelt hierover: «De indeling van het bedrijfs- en beroepsleven ten behoeve van de instelling van wachtgeldfondsen door het Lisv kan de indeling in sectoren door de minister op grond van artikel 51 van de Organisatiewet sociale verzekeringen niet doorkruisen. Laatstgenoemde indeling is derhalve ook medebepalend voor de instelling van wachtgeldfondsen».

Deze leden vragen zich hierbij af wat «medebepalend» hier betekent? Kunnen beide geciteerde zinnen opnieuw uitgelegd kunnen worden, waarbij de relatie tussen de ministeriële indeling en de instelling van wachtgeldfondsen precies wordt opgehelderd, zo vroegen deze leden.

Ten behoeve van de uitvoering van de werknemersverzekeringen is het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren. Dit is de taak van de minister. Het instellen van een wachtgeldfonds is de taak van het Lisv. Per sector is voorzien in één wachtgeldfonds. Er is hier sprake van een één op één relatie. De instelling van wachtgeldfondsen kan om die reden de indeling in sectoren niet doorkruisen

Wanneer de Minister besluit om het aantal sectoren te wijzigen, heeft dit gevolgen voor de instelling van wachtgeldfondsen. De vorming van een nieuwe sector betekent ook de vorming van een nieuw wachtgeldfonds. De indeling van het bedrijfs- en beroepsleven is in die zin dus medebepalend voor de instelling van wachtgeldfondsen.

Ten slotte refereerden de leden van de fractie van de PvdA aan de Sociale Nota 1998 waar op blz. 49 wordt gesproken over de Werktijdverkortingsregeling (WTV). Deze leden vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de verruiming van de WTV-regeling, die blijkens de nota naar aanleiding van het verslag op 1 januari 1998 zijn beslag zou kunnen krijgen.

In de Sociale Nota '98 zijn de contouren aangegeven van een mogelijke verruiming van het beleid ten aanzien van werktijdverkorting (artikel 8 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen). In september jl. is sociale partners in de Stichting van de Arbeid om commentaar gevraagd op dit voornemen. De Stichting zal in de eerste maanden van 1998 reageren. Het streven is nu gericht op invoering van het nieuwe beleid per 1 april 1998.

Ik hoop dat deze beantwoording mag bijdragen aan een spoedige behandeling van het onderhavige wetsvoorstel, gelet op de beoogde inwerkingstredingsdatum van 1 januari 1998.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Naar boven