24 692
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het aanhangig maken van de zaak en de regeling van het onderzoek ter terechtzitting (herziening onderzoek ter terechtzitting)

nr. 102
NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE2

Vastgesteld 4 november 1997

De memorie van antwoord gaf de leden van de CDA-fractie aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

Ten antwoord op een vraag van deze leden over de aanwezigheid van verslaggevers op de openbare terechtzitting deelt de minister mede dat uitgangspunt is dat de voorzitter van de rechtbank de leiding heeft van het onderzoek en dat hij in die hoedanigheid «bepaalt wie daarbij aanwezig mag zijn».

De leden hier aan het woord verschilden op dit punt met de minister van mening. Volgens deze leden is het uitgangspunt dat terechtzittingen openbaar zijn en heeft de voorzitter alleen de bevoegdheid te bepalen wie daarbij niet aanwezig mag zijn. Is de minister het, bij nadere overweging, met deze opvatting eens?

Naar aanleiding van het antwoord van de minister op een vraag van de leden van de CDA-fractie betreffende de verschijning van de verdachte ter terechtzitting wijzen de leden van deze fractie op een zeer recente uitspraak van het Comité van Ministers van de Raad van Europa. In een artikel in de Volkskrant van 5 september jl. schrijft Victor Lebesque over de gevolgen die deze beslissing van het Comité van Ministers van de Raad van Europa zijns inziens kan hebben. In hoger beroep heeft het Comité een beslissing van de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens bekrachtigd, welke beslissing inhield dat de verstekregeling in Nederland in samenwerking met het Verdrag is en dat Nederland in de aanhangige zaak het recht had geschonden van een verdachte om zijn proces bij te wonen en zich te verdedigen. De uitspraak houdt, volgens dit bericht, in dat tegen een verdachte alleen verstek kan worden verleend als hem de dagvaarding persoonlijk in handen is gegeven. Lebesque leidt hieruit af dat een verdachte, door te weigeren de dagvaarding in ontvangst te nemen, berechting bij verstek kan verhinderen. Is de minister het eens met de hier beschreven weergave van het oordeel van de Commissie, resp. het Comité van Ministers en met de mogelijke consequenties van dit oordeel?

Naar aanleiding van de beantwoording van een opmerking van de leden van de CDA-fractie over het belang van een voortvarende betekening van een vonnis aan de veroordeelde wijzen deze leden er op dat hun opmerking geen betrekking had op de situatie dat betekening niet mogelijk is, doordat de veroordeelde geen bekend adres heeft, maar op de situatie dat het adres van de veroordeelde eenvoudig is na te gaan maar door laksheid van de politie (in sommige korpsen) zelfs geen poging tot betekening wordt gedaan. Is de minister bereid het bevoegd gezag (nogmaals) op het belang van een voortvarende betekening van een veroordeling te wijzen?

Op een vraag van de leden hier aan het woord deelt de minister mee niet de regels van de civielrechtelijke figuur van onbevoegde vertegenwoordiging van toepassing te achten in de strafvordering. Welke rechtsfiguur ligt er, naar het oordeel van de minister ten grondslag aan het optreden van de raadsman ten behoeve van de verdachte ter zitting?

Moet bij de dagvaarding van de verdachte (artikel 260, tweede lid) ook opgave gedaan worden van de personalia van getuigen en deskundigen en van de oproeping van tolken, die ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog niet zijn opgeroepen, maar die de Officier van Justitie voornemens is op te roepen? Zo ja, waarom is dit dan niet in de wettekst vermeld?

Volgt uit artikel 264, eerste lid, aanhef en onderdeel a, dat de Officier van Justitie bevoegd is om te weigeren een door de verdachte opgegeven getuige of deskundige te doen oproepen, wanneer aannemelijk is dat deze niet binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting kan worden gehoord, doch slechts via een rogatoire commissie? Concreet toegepast, betekent deze bepaling dat de Officier van Justitie de bevoegdheid heeft om te weigeren om een, bijv. op Aruba woonachtige getuige te doen oproepen, indien hij het onaannemelijk acht dat deze persoon binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting in Nederland aanwezig zal zijn?

De voorzitter van de commissie,

Heijne Makkreel

De griffier van de commissie,

Hordijk


XNoot
1

De eerder gedrukte stukken zijn verschenen onder de nrs. 228, 228a en 228b, vergaderjaar 1996–1997.

XNoot
2

Samenstelling:

Heijne Makkreel (VVD) (voorzitter), Talsma (VVD), Glasz (CDA), Michiels van Kessenich-Hoogendam (CDA), Holdijk (SGP), Vrisekoop (D66), Pitstra (GL), Le Poole (PvdA), Meeter (PvdA), De Wit (SP), Hirsch Ballin (CDA), De Haze Winkelman (VVD).

Naar boven