Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 24577-(R1562) nr. 134 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 1996-1997 | 24577-(R1562) nr. 134 |
Vastgesteld: 19 december 1996
De leden van de vaste commissie voor Ontwikkelingssamenwerking van de Eerste Kamer, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, wensten de volgende vragen te stellen en opmerkingen te maken.
De leden van de fractie van D66 hadden met belangstelling maar ook verbazing kennis genomen van de summiere en vakjargonnerige toelichting die dit ontwerp-verdrag begeleidt.
Dat het vestigen en uitbouwen van democratieën hen zeer ter harte gaat behoeft geen nader betoog.
Dat de democratie in zeer veel landen een teer plantje is dat zorg en soms zorgvuldige begeleiding vraagt is duidelijk.
Helaas blijkt telkens opnieuw dat waar democratische verhoudingen bedreigd worden dit zelden aan onvoldoende begeleiding ligt maar vrijwel altijd aan de figuren die aan de macht zijn.
De leden van de CDA-fractie benadrukten dat zij zowel voorstanders van een zeer actief beleid ter ondersteuning van democratiseringsprocessen als ter bevordering van eerlijke en vrije verkiezingen zijn.
Zij onderstreepten, dat het in beide gevallen gaat om processen, die van buitenaf moeilijk stuurbaar zijn en waar de relatie buitenlandse steun/interventie en het beoogde resultaat dikwijls gecompliceerd is.
Vergrote expertise, uitwisseling van gegevens, het kunnen leren van elkaars ervaringen, zoals door het Instituut wordt beoogd, achten zij daarom in beginsel van grote betekenis.
Werkwijze van het Instituut en reden tot oprichting
De eerste vraag die rijst, zo vervolgden de leden van de CDA-fractie, is waar het Instituut zijn accenten gaat leggen. In de voorliggende tekst en de onderliggende toelichtingen komt geen helder beeld naar voren.
Gaat het primair om verkiezingsondersteuning, met name in de aanloop naar de verkiezingen en worden verkiezingen aldus gezien als een centraal element in het democratiseringsproces of gaat het direct om het bevorderen van democratie in al zijn facetten?
De tweede onduidelijkheid betreft de accenten m.b.t. tot de uitvoering. Gaat het om een instituut, dat ervaringen verzamelt, onderzoek doet, adviezen uitbrengt, of gaat het om een instituut, dat fondsen kanaliseert ter bevordering van democratiseringsprocessen en meerpartijenopbouw?
Gaat het om adviseringen t.a.v. de wijze, waarop een oordeel gevormd wordt over opzet en verloop van verkiezingen of gaat het ook om directe verkiezingswaarneming?
De leden van de CDA-fractie stelden deze vraag in het licht van de beoordeling van de noodzaak van zulk een instituut.
De recente missie van het Instituut naar Bosnië/Herzegovina doet de vraag opnieuw rijzen, welke de meerwaarde van zo'n instelling is.
De leden van de D66-fractie merkten op dat men in Bosnië horendol wordt van de diverse instituten die zich allen op Sarajevo storten. Zij vroegen: Is het waar dat nu ook IDEA onlangs een programma voor Bosnië op papier heeft gezet?
De leden van de CDA-fractie zouden zich in principe kunnen voorstellen, dat opbouw van professionaliteit en bundeling van kennis terzake van verkiezingsprocessen nuttig is, indien daarmee bevorderd wordt, dat verkiezingstoerisme en vluchtige beoordelingen van de waarde van uitslagen tegengegaan wordt, maar zij vroegen zich tevens af, of bestaande instellingen en organisaties terzake andere taken en doelstellingen daarin niet ruimschoots al voorzagen.
Daarnaast rees bij hen de vraag naar de haast van de oprichting. In de stukken wordt terzake de opmerking, waarom een beperkt en selectief aantal landen tot de oprichters kan worden gerekend, geantwoord, dat spoed hierbij een overweging is, maar waar het Instituut reeds operationeel blijkt te kunnen zijn, zonder dat zelfs alle oprichters het verdrag geratificeerd hebben, is de vraag naar de selectie van de oprichters nog steeds zeer relevant.
Met name dient duidelijkheid te komen over de vraag, welke redenen er gelegen zijn om het begrip «gelijkgezinden» hier opnieuw op te voeren. Wat zijn de redenen om juist landen, die bewezen hebben in het verleden zeer veel ervaring te hebben opgedaan met verkiezingsondersteuning en democratiseringssteun niet bij dit initiatief te betrekken? Gedacht kan worden op de eerste plaats aan de Bondsrepubliek Duitsland, die toch al enkele decennia een niet geëvenaarde ervaring heeft opgebouwd terzake van democratiseringssteun. Maar ook landen als de Verenigde Staten, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hebben op dit terrein grote ervaringen. Kan aangegeven worden wat de visie van deze landen is op het initiatief en ook waarom zij juist niet bij dit initiatief in eerste aanleg zijn betrokken?
Waar de meeste ervaringen met verkiezingswaarnemeningen en steun bij de organisatie van verkiezingen ligt bij andere multi- en supranationale organisaties komt de vraag op naar de relatie of de beoogde relatie van het Instituut met organisaties als de VN, de Europese Unie, de Raad van Europa, de OVSE, etc.
De leden van de CDA-fractie juichten op zich een samenwerking van dit instituut met niet-regeringsorganisaties toe, maar vroegen zich af welk beleid gevoerd wordt terzake selectie en toelating van deze organisaties, en hoe die samenwerking feitelijk vorm heeft gekregen en lijkt te krijgen. Hoe zijn bijvoorbeeld de relaties met het Carter-Centre en met andere instellingen, die zich richten op democratiseringssteun?
Welke garanties zijn er voor de in deze zaak zo wezenlijke politieke pluriformiteit van het Bestuur van het Instituut?
Welke criteria worden aangelegd bij selectie van de Bestuursleden? Wat is de relatie tussen hun nationaliteit en die van de oprichters?
De leden van de D66-fractie maakten daar de volgende opmerkingen bij.
Wereldwijd spannen naast VN en EU interparlementaire organisaties als de Raad van Europa, de IPU ook vele NGO's zich in om nieuwe c.q. jonge democratieën te assisteren met een scala aan programma's.
Daarnaast zijn er politieke partijen, vakbonden en wereldwijd wetenschappelijke instituten op dit terrein actief.
De memorie van toelichting maakt gewag van «behoefte aan een instelling die complementaire taken kan vervullen». Zij vroegen: Welk onderzoek gedaan door anderen dan bij de oprichting van dit instituut betrokkenen heeft vastgesteld dat er een leemte op dit gebied bestaat?
Wat is een gebruikersvriendelijke databank?
Wie beweert dat het opzetten van netwerken nodig is? Functioneren b.v. de verschillende Helsinki-comités, c.q. human rights watch groups niet al lang als zodanig?
Kan in gewoon Nederlands worden verduidelijkt wat moet worden begrepen onder de «structureel voorziene inbreng van niet gouvernementele actors op het gebied van democratie en verkiezingen»? Wat is behalve het onheldere taalgebruik hierbij precies een «novum» (memorie van toelichting, pag. 2)
Met betrekking tot financiële aspecten stelden de leden van de CDA-fractie ook enige vragen.
Waar de Nederlandse regering tien procent van de kosten van dit instituut op zich neemt gedurende de oprichtingsperiode, rijst de vraag naar de exacte toezeggingen van de andere landen en organisaties.
Heeft de Nederlandse regering in het licht van haar grote bijdrage ooit overwogen dit Instituut te «ontscandinaviseren» en waarom heeft zij niet gepoogd de zetel van dit Instituut in Nederland te vestigen?
Waar het Instituut reeds operationeel is, mag ervan worden uitgegaan, dat ook reeds Nederlandse fondsen zijn verstrekt. Indien zulks het geval is, kan dan aangegeven worden, waarom zulks geschied is voordat het verdrag dezerzijds geratificeerd is?
Kan aangegeven worden, in hoeverre het Instituut juist wel of juist niet in de ogen van de regering een functie vervult in het direct steunen van politieke partijen in de landen, waar een democratiseringsproces op gang moet komen, of moet worden verdiept? Kan ook worden aangegeven, of zulks dan geschied uit de reguliere bijdrage aan het Instituut dan wel dat hier multi-bi-achtige formules worden toegepast?
De leden van de D66-fractie sloten daarop aan met de volgende vraag. Graag een overzicht c.q. inzicht in de jaarlijkse subsidie aan:
– Nederlandse afdeling van Amnesty international
– het Nederlandse Helsinki comité
– verschillende instituten van politieke partijen specifiek opgezet t.b.v. samenwerking met nieuwe democratieën in Midden- en Oost-Europa
– het met de universiteit in Utrecht gelieerde Studie- en informatiecentrum Mensenrechten
– het in Amsterdam gevestigde East-West parliamentary Practice Project.
Samenstelling: Schuurman (RPF), Gelderblom-Lankhout (D66), voorzitter, Van Dijk (CDA), Van Gennip (CDA), Roscam Abbing-Bos (VVD), Lycklama à Nijeholt (PvdA), Le Poole (PvdA), Varekamp (VVD), Hirsch Ballin (CDA), Luijten (VVD) en Zwerver (GL).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-19961997-24577-134.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.