24 546
Wijziging van de Grondwaterwet (verbreding heffingsdoeleinden)

nr. 116
GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

3 december 1996

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestemmingsmogelijkheden van de in artikel 48 van de Grondwaterwet bedoelde provinciale heffing te verruimen, in het bijzonder met het oog op het bekostigen uit de opbrengst van die heffing van maatregelen, gericht op de bestrijding van de verdroging ten gevolge van grondwateronttrekking, alsmede enige onvolkomenheden in de wet ongedaan te maken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Grondwaterwet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 15a, tweede lid, wordt gewijzigd als volgt:

a. aan het slot van onderdeel b wordt «, en» vervangen door een punt-komma;

b. aan het slot van onderdeel c wordt «per uur;» vervangen door: per uur, of.

B

Aan het slot van artikel 30 wordt vóór de punt ingevoegd: en dat laatstgenoemde minister bij de toepassing van dat artikel rekening houdt met de nota, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de waterhuishouding.

C

Artikel 41, tweede lid, komt te luiden:

2. Onze Minister kan de in het eerste lid bedoelde schadevergoeding toekennen indien de gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning of wijziging van de daaraan verbonden voorschriften nodig is:

a. als gevolg van het rekening houden met het in artikel 7 van de Wet op de waterhuishouding bedoelde plan, voor zover dat is vastgesteld of herzien ingevolge een aanwijzing als bedoeld in artikel 10 van die wet;

b. ter voldoening aan een ingevolge artikel 30 van deze wet jo artikel 8.27 van de Wet milieubeheer gegeven aanwijzing.

D

Artikel 48 wordt gewijzigd als volgt:

1. Het eerste lid, eerste volzin, komt te luiden als volgt:

1. Provinciale staten zijn bevoegd bij wijze van provinciale belasting een heffing in te stellen wegens onttrekken van grondwater, ter bestrijding van de ten laste van de provincie komende kosten

a. van maatregelen, direct verband houdende met het voorkomen en tegengaan van nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties, voor zover deze kosten niet met toepassing van artikel 35 voor rekening van de vergunninghouder gebracht worden;

b. in verband met de voor het grondwaterbeheer noodzakelijke onderzoekingen;

c. in verband met het onderzoek en advies van de in artikel 37, tweede lid, bedoelde commissie van deskundigen;

d. in verband met het houden van het in artikel 13 bedoelde register;

e. in verband met de vergoeding van schade ingevolge de artikelen 34, 40 en 41, eerste lid.

2. Onder vernummering van het tweede onderscheidenlijk derde lid tot derde onderscheidenlijk vierde lid wordt voor de tweede volzin van het eerste lid «2.» geplaatst.

3. Toegevoegd worden drie nieuwe leden, luidende:

5. Het onttrekken van grondwater ten behoeve van koude- en warmteopslag door middel van een inrichting waarbij grondwater wordt onttrokken en het water vervolgens in een gesloten systeem weer volledig wordt geïnfiltreerd in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken, in overeenstemming met de voorwaarden welke daartoe zijn gesteld in de vergunning die voor het onttrekken van grondwater en infiltreren van water ingevolge deze wet is verleend, is van de heffing vrijgesteld.

6. Het onttrekken van grondwater ten behoeve van de sanering van het grondwater is van de heffing vrijgesteld.

7. Het onttrekken van grondwater ten behoeve van landijsbanen is van de heffing vrijgesteld.

ARTIKEL II

Indien het bij koninklijke boodschap van 8 januari 1996 ingediende voorstel van Wet tot vaststelling van bepalingen betreffende waterstaatswerken in beheer bij het Rijk (Wet beheer rijkswaterstaatswerken), 24 573, tot wet wordt verheven, wordt deze wet als volgt gewijzigd:

1. Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2

1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd:

a. daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;

b. daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

2. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. het uitvoeren van gewoon onderhoud;

b. gedragingen in het zomer- of winterbed van een rivier of stroom in de zin van de Rivierenwet.

2. In artikel 16 wordt in de tekst onder 1 voor een aan artikel 5, eerste lid, toe te voegen volzin de zinsnede «de artikelen 5.1.8 en 5.1.9» vervangen door: de artikelen 5:18 en 5:19.

ARTIKEL III

Aan artikel 8 van de Wet belastingen op milieugrondslag wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

i. onttrekkingen ten behoeve van landijsbanen.

ARTIKEL IV

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

2. Artikel III werkt terug tot en met 1 januari 1995.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Naar boven