Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
In juni 2025 zijn de wetsvoorstellen voor de Cyberbeveiligingswet1 en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten2 ingediend bij uw Kamer. Vervolgens heeft de vaste commissie voor Digitale Zaken binnen
een korte periode het verslag uitgebracht op het wetsvoorstel Cyberbeveiligingswet.
Dat geldt ook voor de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid voor wat betreft
het wetsvoorstel Wet weerbaarheid kritieke entiteiten. Na het uitbrengen van de beide
nota’s naar aanleiding van het verslag is vervolgens in de procedurevergaderingen
van de behandelende commissies besloten om de wetsvoorstellen aan te melden voor plenaire
behandeling. Op 17 december 2025 is in de procedurevergadering van de vaste commissie
voor Digitale Zaken besloten de wetsvoorstellen apart van elkaar te behandelen.
Uiteraard is het aan uw Kamer om te besluiten over de wijze van behandeling van de
wetsvoorstellen, maar met deze brief wil ik u niettemin vragen om de wetsvoorstellen
in één debat gezamenlijk te behandelen. Dit is mijns inziens noodzakelijk vanwege
de grote onderlinge en inhoudelijke samenhang van de wetsvoorstellen. De wetsvoorstellen
bevatten veel dezelfde onderwerpen, zoals de zorgplicht, de meldplicht, de aanwijzing
van de vakministers als de bevoegde autoriteit voor de sectoren die onder hun beleidsverantwoordelijkheid
vallen en de ondersteuning van overheidswege aan de organisaties en bedrijven die
onder de wetten vallen. Alle onderwerpen die in beide wetsvoorstellen worden geregeld,
zijn in gezamenlijkheid uitgewerkt. Dit is ook nadrukkelijk vanuit Europa aangemoedigd
vanwege de samenhang tussen de zogeheten NIS2-richtlijn (wordt geïmplementeerd in
de Cyberbeveiligingswet) en de CER-richtlijn (wordt geïmplementeerd in de Wet weerbaarheid
kritieke entiteiten).3 Het voorgaande maakt dat het naar mijn mening dan ook om inhoudelijke redenen noodzakelijk
is dat de behandeling van de wetsvoorstellen gezamenlijk plaatsvindt. Een aandachtspunt
over een bepaalde uitwerking in het ene wetsvoorstel geldt immers evenzeer voor de
uitwerking van datzelfde onderwerp in het andere wetsvoorstel.
Afzonderlijke behandeling van de wetsvoorstellen leidt tot het risico dat de wetsvoorstellen
uiteen gaan lopen op de inhoud, bijvoorbeeld door afzonderlijke en niet met elkaar
afgestemde amendementen per wetsvoorstel. Daarbij kan ook worden gedacht aan amendering
van het wetsvoorstel dat als laatste wordt behandeld, terwijl het eerdere wetsvoorstel
al in behandeling is bij de Eerste Kamer. Dat is onwenselijk en kan de doelen van
de wetten ondermijnen.
Afzonderlijke behandeling van de wetsvoorstellen leidt ook tot het risico dat de behandeling
uiteen gaat lopen in de tijd en dat de wetsvoorstellen op verschillende tijdstippen
worden ingediend bij de Eerste Kamer. De wetten moeten gelijktijdig in werking treden
vanwege de onderlinge samenhang. Indien het ene wetsvoorstel eerder gereed is voor
inwerkingtreding, zal alsnog moeten worden gewacht totdat ook het andere wetsvoorstel
gereed is voor inwerkingtreding. Deze vertraging is ongewenst vanwege de reeds door
de Europese Commissie gestarte inbreukprocedures vanwege de niet-tijdige implementatie
van de NIS2-richtlijn en de CER-richtlijn. Om deze reden zou ik uw Kamer ook willen
verzoeken de wetsvoorstellen op korte termijn te agenderen voor plenaire behandeling.
Uiteraard kunt u daarbij rekenen op mijn medewerking.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F. van Oosten