Blad gemeenschappelijke regeling van Werk en Inkomen Lekstroom
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Werk en Inkomen Lekstroom | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 525 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Werk en Inkomen Lekstroom | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 525 | beleidsregel |
Beleidsregels debiteuren Werk en Inkomen Lekstroom 2026
Hoofdstuk 1 Algemeen kader en begrippen
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als de artikelen genoemd in de Participatiewet inclusief het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs), de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) of nieuwe wetgeving die in de plaats treedt of samenhangt met de in dit lid genoemde wetten en regelgeving.
Hoofdstuk 2 Beleidsregels debiteuren
Artikel 3 Herzienings- en intrekkingsbevoegdheid
Het bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid het recht op bijstand te herzien, dan wel in te trekken het toekenningsbesluit overeenkomstig het bepaalde in artikel 54 lid 3 en lid 4 Participatiewet resp. artikel 17 lid 3 en lid 4 IOAW en artikel 17 lid 3 en lid 4 IOAZ, de LKS ingevolge artikel 4:57 Awb, artikel 7 lid 6 RooO, in samenhang met artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4 Terugvorderingsbevoegdheid
Het bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om in alle gevallen als bedoeld in artikel 3 het teveel betaalde terug te vorderen. Dit doet zij door:
Artikel 5 Netto terugvordering
Het bestuur maakt met ingang van 1 januari 2025 geen gebruik van de bevoegdheid tot brutering van de terugvordering uit artikel 58 lid 5 Participatiewet, artikel 17 lid 1 sub a juncto artikel 25 lid 5 IOAW en artikel 17 lid 1 sub a juncto artikel 25 lid 5 IOAZ.
Artikel 8 Uitbetaling, inning en terugvordering RooO gelden
Het bestuur voert op grond van mandaat, namens de gemeenten de Regeling opvang ontheemden Oekraïners uit (RooO1). Dit geldt voor de gemeenten die een overeenkomst met het bestuur hebben voor de uitbetaling van het leefgeld en de inning van de eigen bijdrage.
Artikel 9 Afzien van terugvordering
Het bestuur vordert de teveel verstrekte bijstand terug maar behoud daarbij de mogelijkheid in bepaalde situaties af te zien van (verdere) terugvordering. Dit betreft onder andere kruimelbedragen tot en met € 50,--.
Artikel 11 Kwijtschelding/afkoop anders dan bij schuldregeling
Kwijtschelding van het restant van de vordering, welke wel is ontstaan als gevolg van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht, wordt verleend indien de klant na de eerste betaling, 120 maanden op de betreffende vordering heeft afgelost conform de aflossingsverplichting.
Artikel 12 Volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van leenbijstand
De vorderingen leenbijstand voor onder andere inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen worden ambtshalve kwijtgescholden indien gedurende 36 maandtermijnen volledig aan de aflossingsverplichtingen is voldaan. Dit lid dient te worden bezien in samenhang met artikel 9 van de Beleidsregel bijzondere bijstand van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik en Nieuwegein (WIL) 2025 of een daarvoor in de plaats komende regeling.
Artikel 15 Aflossingsverplichting
Uitzondering hierop vormt de aflossingsverplichting van de klant met een lening die een inkomen heeft boven bijstandsniveau. Na beëindiging van de uitkering, bedraagt de aflossing 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag, indien de klant hier maandelijks over kan beschikken.
Artikel 19 Verrekening, aanmaning, dwangbevel, beslag en paspoortsignalering
Bij een terugvordering als bedoeld in artikel 13, en waarbij de klant geen betalingsregeling als bedoeld in artikel 14 heeft aangevraagd en gekregen, dient de klant deze vordering ineens te betalen. Wanneer de klant na verzending van het terugvorderings- of het boetebesluit niet tot betaling over gaat:
Indien de klant na verzending van de aanmaningen, zoals bedoeld in lid 1 in gebreke blijft tot tijdige en volledige betaling en de genoemde maatregelen niet het gewenste resultaat hebben of tenuitvoerlegging niet mogelijk blijkt, wordt de klant gemeld bij het Register Paspoortsignalering (RPS). Hierbij geldt het volgende:
Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom, gehouden op 5 februari 2026,
Voorzitter,
W. Eggengoor
Secretaris a.i.,
B. van Raalte
De Beleidsregels terugvordering en invordering Werk en Inkomen Lekstroom 2018 worden gewijzigd naar Beleidsregels debiteuren Werk en Inkomen Lekstroom 2026.
Deze beleidsregels zijn afgestemd op het vastgestelde meerjarenbeleidsplan 2026 – 2028 waarin de woorden: Eenvoud, Vertrouwen en Maatwerk centraal staan. Dat is wat wij mede met deze beleidsregels tot uitdrukking willen brengen. WIL zoekt naar meer verbinding met klanten en zoekt samen met de klant naar een passende oplossing, ook als het gaat om het terugbetalen van schulden. Het is daarbij belangrijk te kijken naar de oorzaken en deze zoveel mogelijk weg te nemen, daarbij hoort ook doorverwijzing naar onder andere schuldhulpverlening en minimaregelingen.
Naast deze dienstverlening vindt het bestuur van WIL het belangrijk gebruik te blijven maken van de terugvorderingsbevoegdheid en de verhaalsmogelijkheden bij echtscheiding zoals opgenomen in paragraaf 6:5 van de Participatiewet. Hiermee kunnen uitgaven op uitkering worden beperkt.
Bij het terugvorderen van schulden proberen we nieuwe schulden te voorkomen en klanten binnen de wettelijke kaders op grond van de beslagvrije voet te laten aflossen. Dit enerzijds vanuit moreel besef dat de klant de schulden ook dient terug te betalen, anderzijds is dit belangrijk om het draagvlak voor de sociale zekerheid in de samenleving te behouden.
Ten aanzien van verhaal op de ex-partner voert het bestuur dit niet meer zelf actief uit. Wel heeft zij de verplichting tot het vragen van alimentatie neergelegd bij de klant die een beroep doet op bijstand. De alimentatie is in eerste plaats bedoeld voor de kinderen en in de tweede plaats voor de ex-partner.
In 2016 is op verzoek van de gemeenten een onderzoek gedaan naar de efficiency van de bedrijfsvoering. Daarbij is door het bestuur de keuze gemaakt de verhaalsverplichting neer te leggen bij de klant met ingang van 1 januari 2018. Daar waar de klant dit zelf aan de ex-partner kan vragen, vragen wij de klant dit te doen op grond van artikel 62 in samenhang met artikel 55 van de Participatiewet. De klant kan daarvoor de hulp van de een advocaat inroepen. Voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand kan bijzondere bijstand worden aangevraagd.
Met deze nieuwe beleidsregels gaan we niet langer bruto terugvorderen. Dat gaan we netto doen.
Wanneer klanten voor het einde van het boekjaar de schuld niet netto hebben terugbetaald, dan werd deze in de oude situatie gebruteerd. Dit betekende in de praktijk dat de schulden met gemiddeld 60% werden verhoogd. De verhoging betreft de nog niet afgedragen belastingen en sociale premies. Een netto schuld van € 1.000,- bedraagt dan ineens bruto € 1600,-.
We zien in de praktijk dat het bruteren van schulden ervoor zorgt dat klanten dit slechter kunnen terugbetalen en dat dit vaker leidt tot onoplosbare schulden. Ook neemt de motivatie af om daadwerkelijk te gaan aflossen.
Om klanten een duidelijk overzicht en toekomstperspectief te bieden, de kans op een nieuwe schuldenvrije start, kiest het bestuur voor netto terugvorderen per 1 januari 2026. Dit geldt ook voor de ontstane schulden/vorderingen in 2025 die in 2026 gebruteerd zouden moeten worden.
Kwijtschelding na 60 en 120 maanden aflossen.
Bij een opschoonactie van oude vorderingen, van voor het ontstaan van WIL in 2013 hebben we kunnen vaststellen dat op veel vorderingen niets werd ontvangen. Mede op advies van de Lekstroomgemeenten heeft het bestuur in 2024 besloten de oude vorderingen buiten invordering te stellen.
Tevens is besloten de niet verwijtbare vorderingen waarop 60 maanden is afgelost en de verwijtbare vorderingen waarop 120 maanden is afgelost, definitief buiten invordering te stellen.
De bestuursbesluiten uit 2024 krijgen met de vaststelling van deze nieuwe beleidsregels een structureel karakter. Overwegingen daarbij zijn dat klanten enerzijds na een lange periode van aflossen een nieuwe start verdienen, anderzijds wil het bestuur de administratieve last beperken.
Voor leningen op grond van de Participatiewet/bijzondere bijstand, denk aan inrichtingskosten en leningen voor witgoed, geldt een aflossingstermijn van 36 maanden. Na 36 maandelijkse betalingen wordt het nog openstaande bedrag van deze leningen kwijtgescholden.
Het bestuur laat de werkzaamheden voor het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 sinds 2017 uitvoeren door de gemeente Utrecht. In de overeenkomst is opgenomen dat WIL de terzake geldende Utrechtse beleidsregels volgt. Dit betekent dat WIL de genomen besluiten van Utrecht betreffende de Bbz volgt. Mocht het Utrechtse beleid minder gunstig zijn dan het WIL-beleid dan volgt hieruit dat WIL haar eigen beleidsregels gaat toepassen. Hiervan kan sprake zijn wanneer bezwaarschriften tegen genomen Bbz-besluiten worden ingediend.
De hoogte van de aflossing is afgestemd op het inkomen van de klant. Wij hanteren hiervoor het wettelijke kader van de beslagvrije voet.
Op grond van de beslagvrije voet moet de klant over 95% van de geldende bijstandsnorm blijven beschikken. Deze rechtsbescherming wordt door WIL en de schuldeisers in acht genomen. Zo behoudt de klant een minimum inkomen. De 5% die wordt afgedragen is in 2026 gelijk aan de hoogte van de vakantietoeslag op de uitkering. Bij beslag ontvangen klanten feitelijk geen vakantietoeslag. Verdient de klant meer dan worden de regels voor de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) gevolgd. We beoordelen dan of de klant redelijkerwijs meer kan aflossen. In de regel is dat 5% van het inkomen op grond van de rekenregels van de Wvbvv.
In de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz heeft de wetgever de terugvordering van ten onrechte verleende uitkering geregeld. De systematiek is voor genoemde wetten grotendeels hetzelfde.
Verhaalsrecht is gerelateerd aan de Participatiewet. De IOAW en IOAZ kennen de mogelijkheid tot verhaal op de ex-partner niet.
In de Participatiewet wordt gesproken over een bijstandsuitkering of bijstand. De IOAW, IOAZ en Bbz spreken over een uitkering. Kortom, de wetgever werkt met verschillende termen. Uit praktisch oogpunt wordt in deze beleidsregels de term uitkering en soms bijstand gebruikt. Deze termen zijn bedoeld als verzamelnaam en duidt op de bijstandsuitkering ingevolge Participatiewet en de uitkeringen ingevolge IOAW, IOAZ, Bbz, SHV en de betalingen op grond van de bijzondere bijstand/minimabeleid die door WIL worden uitgevoerd.
Bij de loonkostensubsidie spreken we in het algemeen van werkgever. Het kan ook voorkomen dat de term klant wordt gebruikt. In deze situatie is het de werkgever die voor de werknemer een loonkostensubsidie ontvangt.
Bij schulden wordt gesproken over schulden en vorderingen. Deze woorden hebben dezelfde betekenis.
WIL heeft tot taak het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen uit te voeren. De regeling heet afgekort Bbz 2004. Het jaar dat dit besluit tot stand is gekomen.
Gelet op benodigde kennis in de uitvoeringspraktijk worden deze werkzaamheden thans uitgevoerd door de gemeente Utrecht onder de naam Ondernemer Centraal/Bbz Utrecht. (Ondernemer Centraal).
Terugvordering in het kader van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) is in het kader van deze regeling nu nog niet mogelijk. Een artikel voor terugvordering hiervoor is per abuis door de wetgever niet opgenomen.
WIL kan wel terugvorderen via een bestuursrechtelijke procedure. Wanneer niet wordt betaald kan het bestuur na overleg met de gemeente het bedrag via een deurwaarder laten incasseren. Hierbij wordt overwogen of de kosten opwegen tegenover de ontvangsten.
Als het gaat om verhaal en terugvordering is er een duidelijke samenhang met de Algemene wet bestuursrecht. Dat is evident. Maar ook met het civiele recht bestaat een duidelijke samenhang. Het verhaalsrecht is feitelijk een direct afgeleide van het personen- en familierecht (Burgerlijk Wetboek boek 1) waardoor begrippen zoals gehanteerd in het familierecht ook gebruikelijk zijn in de verhaalspraktijk. Maar denk bijvoorbeeld ook aan de invordering van vorderingen: begrippen als “executiekosten”, “verzuim” en “minnelijk” zijn afkomstig uit het privaatrecht en hebben in de bijstandspraktijk dezelfde betekenis.
Zoals aangegeven worden de verplichtingen tot verhaal opgelegd op grond van artikel 62 van de Participatiewet.
Artikel 2 Beleidsregels debiteuren
De beleidsregels zijn van toepassing op de leenbijstand en terugvorderingen ingevolge de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz en loonkostensubsidie (LKS) Dit betreft m.n. de artikelen die zijn opgenomen in paragraaf 6.4 van de Participatiewet. Artikel 58 gaat daarbij over de terugvorderingen en artikel 59 over terugvordering van gezinsleden. Op grond van de wet en de jurisprudentie zijn alle personen die behoren tot het gezin, dan wel gezamenlijk hebben aangevraagd hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van teveel ontvangen bijstand. Bijvoorbeeld: Het feit dat klanten gehuwd zijn onder huwelijkse voorwaarden doorbreekt de hoofdelijke aansprakelijkheid niet (zie CRvB 28-11-2017, ECLI:NL: CRVB:2017:4130). Een klant kan zijn aansprakelijkheid voor terugvordering niet beperken tot het deel van de bijstand dat specifiek aan hem ten goede is gekomen. Bijstand die is verleend als gezinsbijstand wordt namelijk als onsplitsbaar beschouwd in het kader van terugvordering (zie CRvB 24-07-2007, ECLI:NL: CRVB:2007:BB0563 en CRvB 25-09-2012, ECLI:NL: CRVB:2012: BX8149). Door de hoofdelijke aansprakelijkheid kan het volledige terugvorderingsbedrag bij elk van de aansprakelijke gezinsleden worden ingevorderd. Hierbij geldt wel dat het totale bedrag maar één keer hoeft te worden betaald. Als één gezinslid het volledige bedrag of meer dan zijn aandeel heeft terugbetaald, kan hij of zij voor het teveel betaalde bedrag een vordering indienen tegen de andere gezinsleden bij de burgerlijke rechter. Dit is echter een kwestie waar de gemeente (lees WIL) niet bij betrokken is.
Via lid 3 zijn de beleidsregels betreffende invordering eveneens van toepassing op vorderingen voortkomend uit teveel verstrekte uitkering. Dit wordt ook wel een onverschuldigde betaling genoemd.
Indien vorderingen worden gedekt door een zekerheidsrecht (pand of hypotheek), zijn de onderhavige beleidsregels niet van toepassing. De regels betreffende pand en hypotheek zijn dusdanig specifiek (en bieden dusdanige garantie) dat de regeling niet van toepassing is op vorderingen die worden gedekt door pand of hypotheek.
Lid 6 bepaalt dat het bestuur gebruik maakt van haar bevoegdheid tot interne verrekening van kosten van bijstand en/of bestuurlijke boete met de algemene bijstand of uitkering.
Artikel 3 Herzienings- en intrekkingsbevoegdheid
Herziening en intrekking van de uitkering vormen een belangrijke grondslag voor de terugvordering. Evenals terugvordering van een uitkering is het met terugwerkende kracht gewijzigd vaststellen van het recht op uitkering door middel van een herzienings- of intrekkingsbesluit een algemene bevoegdheid van het bestuur. Het bestuur maakt in beginsel in alle gevallen waarin er aanleiding is het toekenningsbesluit met terugwerkende kracht te wijzigen, gebruik van deze bevoegdheid. In die zin is dit artikel dwingend geformuleerd.
In de vorige versie van de beleidsregels werd de Bbz uitdrukkelijk benoemd. Wegens wijziging van de financiering ingaande 2020 is hoofdstuk VI uit het Bbz 2004 vervallen. Omdat de Bbz al onderdeel uitmaakte van de Participatiewet is deze ook van toepassing op het Bbz. Daarom kan worden volstaan met de reeds bestaande artikelen 58, 59, 60, 60a en 60c van de Participatiewet. (stb-2019-306.pdf)
Indien het bestuur besluit om geheel van herziening of intrekking af te zien wordt de klant hiervan op de hoogte te gesteld. Ook indien de klant er zelf om heeft verzocht. Het is overigens wel goed om altijd in het dossier te vermelden of het bestuur besloten heeft om van de bevoegdheid tot herziening/intrekking geen gebruik te maken.
Het bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om in alle gevallen het recht op bijstand (uitkering), te herzien of in te trekken overeenkomstig het bepaalde in artikel 54 lid 3 en lid 4 Participatiewet resp. artikel 17 lid 3 en lid 4 IOAW en artikel 17 lid 3 en lid 4 IOAZ.
Artikel 4 Terugvorderingsbevoegdheid
Deze bepaling vormt de kernbepaling van het terugvorderingsbeleid van het bestuur. Om geen misverstand te laten bestaan over wanneer een uitkering moet worden teruggevorderd, is dit artikel bij wijze van hoofdregel dwingend geformuleerd. Dit laat onverlet dat het bestuur ambtshalve gehouden is bij toepassing van de beleidsregels rekening te houden met haar inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De uitkering wordt teruggevorderd van degene aan wie de uitkering ten onrechte is verleend
Een gezinsuitkering wordt van alle gezinsleden teruggevorderd. In gevallen van een verzwegen partner wordt ook van de verzwegen partner teruggevorderd (artikel 59 lid 2 Participatiewet, artikel 26 lid 2 IOAW en artikel 26 lid 2 IOAZ).
Alle gezinsleden van wie de uitkering wordt teruggevorderd zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele vordering (artikel 59 lid 3 Participatiewet, artikel 26 lid 3 IOAW, artikel 26 lid 3 IOAZ).
Dit betekent in de praktijk dat het gehele bedrag van elk gezinslid kan worden teruggevorderd. In gevallen waarin één (of meer) gezinsleden niet in staat zijn om (het volledige) bedrag terug te betalen, kunnen andere gezinsleden voor het gehele (restant) bedrag worden aangesproken. In principe dienen alle debiteuren die hoofdelijk aansprakelijk zijn, hun aandeel in de aflossing onderling met elkaar te verrekenen. Dit is niet het probleem van het bestuur.
Bij het gebruik maken van de bevoegdheid wordt de persoonlijke situatie van de klant beoordeeld. Het bestuur kan daarbij afwegen gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Awb; de dringende reden. Deze bepaling is niet meer expliciet opgenomen.
Het bestuur volgt bij haar overwegingen de criteria zoals die zijn ontwikkeld binnen de reguliere jurisprudentie van de bestuursrechter en hanteert de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van een redelijke belangenafweging en de evenredigheidstoets.
Twee punten worden bij de dringende redenen nog nadrukkelijk opgemerkt. Bij de beoordeling van dringende redenen is het gebruikelijk dat een onderscheid gemaakt wordt tussen omstandigheden die toerekenbaar zijn aan de klant en omstandigheden die toerekenbaar zijn aan het bestuursorgaan.
Artikel 5 Netto terugvordering
In de vorige versie van de het beleid werd nog gekozen voor bruto terugvordering. Op grond van artikel 58 lid 5 kan het bestuur kiezen voor een netto terugvordering. Van die mogelijkheid maakt zij gebruik. Dit zowel voor verwijtbare- als voor niet-verwijtbare vorderingen. De praktijk tot en met 2024 was dat netto vorderingen die in het boekjaar niet zijn afgelost, werden gebruteerd. Bijvoorbeeld: de netto vordering van € 1000,- werd de laatste jaren met ongeveer 60% verhoogd naar bruto € 1600.- Het bestuur constateert dat dit voor klanten schuldenverhogend werkt. Bovendien neemt vaak de betalingsbereidheid af omdat dit niet de enige schuld is. Blijft het bestuur wel bruteren dan zien we een stapelingseffect van schulden, dat vaak leidt tot lastige situaties en ook aanvullende schuldhulpverlening. Daarmee wordt ook de administratieve last van de uitvoeringsorganisatie verhoogd. Nog belangrijker, het helpt de klant niet verder. Brutering leidt niet tot meer inkomsten voor WIL maar juist minder, omdat klanten minder bereid zijn tot vrijwillige terugbetaling. Dat is niet wenselijk. Mede in het belang van de klant kiest WIL voor een netto-terugvordering. Dit besluit is van toepassing op alle netto-vorderingen die zijn ontstaan vanaf 1 januari 2025. Deze worden conform de nieuwe regels netto teruggevorderd.
Ook voor de IOAW en IOAZ wordt de terugvordering netto.
Artikel 6 Volgorde van invordering
De huidige wetgeving is dat eerst moet worden afgelost op:
Het bestuur volgt de wettelijke voorschriften. Dit betekent dat eerst op de eigen leningen en vorderingen wordt afgelost. Meestal gebeurt dit middels interne verrekening. Nadat de schulden intern zijn afgelost kan worden afgelost bij onder andere het UWV, SVB of aan andere deurwaarders die derdenbeslag hebben gelegd.
De volgorde is bewust gekozen. Voor leningen geldt een aflossingstermijn van 36 maanden. Voor niet-verwijtbare vorderingen is de termijn 60 maanden en voor verwijtbare vorderingen is de termijn 120 maanden. Met deze volgorde hoopt het bestuur maximaal te incasseren, rekening houdende met de overige artikelen opgenomen in deze beleidsregels.
Artikel 7 Terugvordering Loonkostensubsidie (LKS)
Het bestuur kent een loonkostensubsidie toe aan een werkgever voor een werknemer(klant) met een arbeidsbeperking die niet volledig 100% van het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het bestuur compenseert de werkgever door middel van een loonkostensubsidie.
Het kan voorkomen dat wijzigingen te laat worden doorgegeven of verwerkt. Dit kan leiden tot een terugvordering.
Als teveel LKS is verstrekt maakt WIL gebruik van de bevoegdheid om het genomen besluit in te trekken/te herzien en terug te vorderen op grond van titel 4.2 Awb in samenhang met artikel 4:57 Awb. Dit zijn de subsidiebepalingen in de Awb.
In eerste instantie vraagt het bestuur dit door middel van een brief met een vriendelijk verzoek tot terugbetaling. Het bestuur kan ook direct overgaan tot herziening, intrekking en terugvordering.
Mocht dit na meerdere verzoeken niet lukken, dan wordt via een bestuursrechtelijke procedure geprobeerd het bedrag terug te vorderen. De in- en buitengerechtelijke kosten worden op de werkgever verhaald. Gelet op de kosten (lees administratieve lasten) kan het bestuur in voorkomende gevallen afzien van verdere juridische stappen.
Artikel 8 Uitbetaling, inning en terugvordering RooO gelden
Het bestuur voert namens de gemeenten de Regeling opvang ontheemden Oekraïners (RooO) uit. Dit geldt voor de gemeenten die een overeenkomst met het bestuur hebben voor de uitbetaling van leefgeld en de inning van de eigen bijdrage. Dit is in 2025 voor de gemeenten Houten, IJsselstein en Lopik. Dit doet het bestuur in mandaat.
Het leefgeld dat betaald wordt is geen loon of bijstand maar een voorziening in het kader van de RooO. De inning van de eigen bijdrage is een tegemoetkoming in de kosten van huisvesting voor de ontheemde die inkomsten uit arbeid heeft.
Het bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om bedragen die tot een te hoog bedrag of ten onrechte zijn verstrekt te kunnen intrekken, herzien en terugvorderen. Dit doet het bestuur op grond van de artikelen 7, 8 en 13 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Het gaat in beide situaties (het terugbetalen van leefgeld en het innen van de eigen bijdrage) om een bestuursrechtelijke geldschuld uit onverschuldigde betaling. Zie hiervoor de wettelijke bepalingen, artikel 4:57 in samenhang met titel 4.4 Awb.
Het bestuur wil de mogelijkheid hebben om teveel verstrekt leefgeld en de niet betaalde eigen bijdrage alsnog te kunnen incasseren. In overleg met de opdrachtgevers kan worden besloten tot verdere juridische stappen, waaronder het inschakelen van een deurwaarder om een gelegd beslag ten uitvoer te brengen. Gelet op de kosten (lees administratieve lasten) kan het bestuur in voorkomende gevallen afzien van (verdere) juridische stappen.
Artikel 9 Afzien van terugvordering
Op de hoofdregel uit artikel 4 van deze Beleidsregels bestaan uitzonderingen:
Het bestuur maakt een zorgvuldige afweging en houdt rekening met effecten die een besluit kan hebben op de situatie van de klant. Dit vloeit rechtstreeks voort uit de wet.
Het bestuur vordert de teveel ontvangen bijstand terug maar behoud daarbij de mogelijkheid in bepaalde situaties af te zien van (verdere) terugvordering. In het algemeen worden bedragen tot en met € 50,- niet teruggevorderd. Bij de berekening van de restant schuld wordt de nog niet uitbetaalde vakantietoeslag afgetrokken van de openstaande schuld. Wanneer er sprake is van al uitbetaalde vakantietoeslag dan wordt het bedrag opgeteld bij de schuld.
Het bestuur stuurt actief op terugvorderingen en streeft ernaar dat bij de afhandeling van terugvorderingen geen achterstanden ontstaan. Wanneer hier wel sprake van is, dan dient het bestuur de zogenaamde zes-maanden-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in acht te nemen. De CRvB stelt dat geen betalingen mogen worden teruggevorderd die gedaan zijn langer dan zes maanden na ontvangst van een signaal van de klant of informatie waaruit afgeleid had moeten worden dat de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend (onverschuldigde betaling). Trage besluitvorming aan de kant van het bestuur wekt bij de klant het vertrouwen dat er niet tot terugvordering zal worden overgegaan.
Samengevat wordt bij een onverschuldigde betaling tot 6 maanden na ontvangst van het signaal wel teruggevorderd en vanaf 6 maanden niet meer.
Afzien of matiging van de terugvordering is in de regel niet van toepassing als het gaat om een signaal of informatie dat niet van de klant zelf afkomstig is en deze dus de inlichtingenplicht schendt. De klant die zelf niet de informatie aan het bestuur verstrekt kan geen beroep doen op het feit dat het bestuur door het uitblijven van een besluit vertrouwen zou hebben gewekt.
In bijzondere omstandigheden kan - gelet op de situatie en het toekomstperspectief van de klant afgeweken worden van bovenstaande. WIL handelt daarbij in de geest van de Participatiewet in balans.
Artikel 10 (Gedeeltelijke) kwijtschelding bij schuldregeling
Nadat de vordering door middel van een terugvorderingsbesluit is vastgelegd, kan er in een later stadium reden zijn om de vordering (gedeeltelijk) kwijt te schelden.
Het bestuur beoordeelt de mogelijkheden van realistische inning van de vordering(en), met de gedachte dat de klant ook een nieuwe kans verdient. Zij houdt daarbij rekening met hetgeen is opgenomen in lid 1. Naast de medewerking van het bestuur wordt verwacht dat de klant zich inspant en hier medewerking aan verleent. Het bestuur werkt mee aan een schuldenregeling en gaat akkoord met het (gedeeltelijk dan wel geheel) afzien van invordering. Dit geldt ook voor saneringskredieten.
Wanneer er sprake is van een van toepassing zijnde convenant, dan verleent WIL medewerking hieraan en doorkruist dit de voorgaande in lid 1 genoemde bepalingen. Specifiek wordt hier gedoeld op: Eén Overheidsconvenant van onder andere de Belastingdienst, CJIB, SVB en DUO en het convenant lokale overheden waar WIL ook aan meewerkt.
Het doel is om burgers en ondernemers met grote schulden sneller en beter te helpen. Dat gebeurt via een zogenaamde minnelijke schuldregeling. Dat is een vrijwillige afspraak tussen de schuldenaar en de schuldeiser(s).
Vorderingen die worden gedekt door pand- of hypotheekrecht op een zaak of zaken, zijn eveneens uitgesloten van kwijtschelding. Hier geldt dat deze leningen meestal verstrekt worden op onroerende goederen, bijvoorbeeld een woning of boot. In geval van een hypotheekrecht op de zelf bewoonde woning, hoeft een klant niet gedwongen zijn huis te verkopen en te verlaten. Bij verkoop wordt de schuld ineens afgelost.
Artikel 11 Kwijtschelding/afkoop anders dan bij schuldregeling
De klant kan voor kwijtschelding/het buiten invordering stellen in aanmerkingen komen wanneer de klant op een niet-verwijtbare terugvordering 60 maanden heeft afgelost.
De kwijtschelding geldt ook voor klanten met een schuld die wel is ontstaan als gevolg van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht mits hierop 120 maanden is afgelost. In beide situaties volgt kwijtschelding.
Tussentijdse afkoop is mogelijk mits dit bedrag minimaal 80% bedraagt van de totale schuld; immers de klant heeft een schuld die terugbetaald moet worden.
Kwijtschelding van een vordering die wordt gedekt door pand of hypotheek op een zaak of zaken is niet mogelijk. Zie voor de toelichting het voorgaande artikel.
In situaties waaruit blijkt dat de werkgever de teveel verstrekte LKS niet kan terugbetalen als gevolg van surseance van betaling of faillissement, wordt geen kwijtschelding verleend. De vordering wordt ingediend bij de curator. Afhankelijk van de situatie kan later worden besloten de vordering kwijt te schelden.
Kwijtschelding is ook niet mogelijk wanneer voor verstrekte bijstand achteraf middelen verkregen worden of een achteraf verkregen vergoeding voor kosten, waarvoor met het oog op die bestemming bijstand is verleend. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om inkomsten uit een nog te ontvangen erfenis. Dit is een voorbeeld en niet limitatief. Het gaat hierbij om terugvorderingsschulden ingevolge artikel 58 lid 2 sub f onder 1 en 2 Participatiewet, artikel 25 lid 2 IOAW, artikel 25 lid 2 IOAZ en artikel 46 Bbz. Het bestuur gaat ervanuit dat de klant, na ontvangst, in staat moet worden geacht het bedrag ineens terug te betalen.
Artikel 12 Volledige of gedeeltelijke kwijtschelding van leenbijstand
In afwijking van artikel 10 geldt voor de kwijtschelding van vorderingen uit leenbijstand voor inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen de regeling dat indien de klant gedurende 36 maandtermijnen volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan, het restant van de vordering ambtshalve volledig wordt kwijtgescholden. Dit lid dient te worden bezien in samenhang met artikel 8 en 9 van de Beleidsregel bijzondere bijstand van de gemeenten Houten, IJsselstein, Lopik en Nieuwegein (WIL) 2025 of een daarvoor in de plaats komende regeling.. In deze beleidsregels bijzondere bijstand wordt verwezen naar artikel 9, lid 1 van de Beleidsregels terugvordering en invordering WIL 2018.
Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels is dit gewijzigd naar artikel 12.
De maandelijkse aflossingsverplichting voor de bijzondere bijstand bedraagt 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Voor studenten geldt dat de aflostermijn van 36 maanden start, uiterlijk in de derde maand volgende op de uitschrijving bij de onderwijsinstelling. Ze hebben gelet op de studie vaak meer mogelijkheden op termijn meer inkomen te verwerven. Dat rechtvaardigt het dat zij later starten met aflossen. Op het moment van de studie is erop grond van de beslagvrije voet geen ruimte om af te lossen.
Mocht niet worden voldaan aan de terugbetalingsverplichting en de klant blijft weigerachtig de 36 maandtermijnen te betalen, dan wordt de verstrekte leenbijstand teruggevorderd en zijn de bepalingen van de artikelen 9 en 10 van de Beleidsregel bijzondere bijstand van de gemeente Houten, IJsselstein, Lopik en Nieuwegein (WIL) 2025 van toepassing in samenhang met artikel 58 van de Participatiewet. Na het besluit tot terugvordering wordt de termijn van aflossing 60 maanden.
Kwijtschelding ingevolge het eerste lid is niet mogelijk indien de leenbijstand aan de klant is verstrekt ingevolge artikel 48 lid 2 Participatiewet. Dit betreft middelen die zijn verstrekt met een bepaald doel.
Artikel 13 Inhoud besluit tot terugvordering
Een besluit tot terugvordering vermeldt:
Tevens vermelden we in de beschikking dat de termijn van betaling 6 weken is. Deze termijn is gebaseerd op artikel 4:87 Awb: de betaling geschiedt binnen 6 weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.
Hierin wordt de procedure beschreven hoe de klant een betalingsregeling kan aanvragen. Daarbij wordt rekening gehouden met datgene wat de klant kan aflossen en wat als de klant hieraan niet voldoet. Hij moet immers kunnen blijven beschikken over 95% van de bijstandsnorm. De klant doet een betalingsvoorstel aan WIL. Voor werkenden en voor klanten zonder uitkering met een partner met inkomen volgen we de bepalingen op grond van de Wvbvv. Dit is 5% van het inkomen dat de persoon ontvangt. Het bedrag kan exclusief vakantietoeslag zijn als de klant niet maandelijks over de vakantietoeslag kan beschikken.
Ondernemers met een LKS schuld kunnen eveneens een betalingsregeling aanvragen.
Voor een beslissing op het verzoek hanteren we de termijnen in de Awb.
Wanneer er tijdelijk geen financiële ruimte (draagkracht) is voor een aflossing kan op voorstel van de klant akkoord worden gegaan met een afwijkende betalingsregeling. Achterliggende gedachte daarbij is om de medewerkers de ruimte te geven om, indien een dergelijke situatie ontstaat, met bijv. andere schuldeiser(s) in gesprek te treden en afspraken over de inning /verdeling van de in te vorderen gelden te maken dan wel bijvoorbeeld een debiteur aan te melden voor schuldhulpverlening.
Indien de betalingsregeling tot stand komt en de klant vervolgens op enig moment zijn betalingen staakt, is het van belang dat het bestuur het heft in handen neemt c.q. kan nemen.
Zie hiertoe het gestelde in lid 2 sub c: de vordering is in dat geval weer ineens opeisbaar c.q. het bestuur is niet langer gehouden aan de betalingsregeling.
Artikel 15 Aflossingsverplichting
Voor klanten die een inkomen hebben op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Dit is de beslagvrije voet.
Bij een inkomen lager dan de Participatiewetuitkering is het uitgangspunt dat de klant kan beschikken over een inkomen op bijstandsniveau en wordt de aflossing van 5% van de geldende norm gehanteerd. In die situatie kan de klant een aanvraag indienen voor een aanvulling op het inkomen. WIL stelt het inkomen vast conform de regels hierover in de Participatiewet.
Indien vaststelling van het inkomen aan de hand van de loonstrook niet mogelijk is, wordt gebruik gemaakt van de polisadministratie. Dit is een register waarin informatie over loon, uitkeringen en arbeidscontracten wordt verzameld.
In aanvulling op artikel 31, tweede lid, Participatiewet wordt de verstrekte individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 Participatiewet niet tot de middelen van de klant gerekend, evenals ontvangen giften op grond van de Beleidsregels giften en schadevergoedingen WIL 2023. Dat geeft de klant wat extra financiële armslag zonder dat alles moet worden afgedragen.
De aflossingsverplichting voor de klant met een inkomen boven bijstandsniveau bedraagt:
5% procent van de regels op grond van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) per maand inclusief vakantietoeslag. Het bestuur wil dat de schuld wordt terugbetaald, maar hanteert hiervoor de geldende regels.
In afwijking van het gestelde in lid 1 blijft de aflossing voor leningen, die verstrekt zijn op grond van de bijzondere bijstand/armoedebeleid, voor de klant 5% van de geldende bijstandsnorm, ook na beëindiging van de uitkering (Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz) Dat geeft de klant meer “financiële lucht” na werkaanvaarding. Dit is een uitdrukkelijke wens geweest van de Lekstroomgemeenten bij vaststelling van de beleidsregels bijzondere bijstand.
Beslag door een derde: op grond van artikel 60 lid 3 of 4 Participatiewet heeft interne verrekening steeds voorrang boven executoriaal beslag dat een derde onder de gemeente legt. Er geldt geen uitzondering voor beslagleggers met gelijke preferentie.
In geval van terugvorderingen LKS moet de vordering worden voldaan binnen 12 maanden. Mocht dit bedrag te hoog blijken te zijn dan wordt een aanpassing bij voorkeur berekend aan de hand van de verlies- en winstrekening/belastingaanslag.
Mocht er geen medewerking worden verleend dan kan het bedrag via een bestuursrechtelijke procedure worden teruggevorderd. In de praktijk betalen ondernemers snel terug.
Artikel 16 Afbetaling in 36, 60 of 120 maanden
Om praktische redenen kan een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van de klant achterwege blijven indien de klant aan het bestuur een betalingsvoorstel doet waardoor de schuld binnen 36 maanden (voor leenbijstand) resp. 60 of 120 maanden voor niet- verwijtbare danwel voor verwijtbare vorderingen vanaf de ontstaansdatum is betaald.
Artikel 17 Aflossingscapaciteit middelen en vermogen
Ingevolge dit artikel heeft het bestuur de mogelijkheid om (deels) af te zien van een maandelijkse betalingsregeling indien blijkt dat de klant beschikt over vermogen dat hij redelijkerwijs te gelde kan maken. Ingevolge lid 2 blijft vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 lid 3 Participatiewet buiten beschouwing.
Artikel 18 Heronderzoek vorderingen
Een debiteurenonderzoek is een onderzoek naar de financiële omstandigheden van degene aan wie een betalings- en aflossingsverplichting is opgelegd met betrekking tot verleende uitkering. De klanten die hun verplichtingen nakomen worden verder niet onderzocht. De actie wordt gericht op de klanten die hun verplichtingen niet nakomen. Dit uit oogpunt van effectiviteit en efficiency.
We bekijken of de klant aan het einde van het schuldhulpverleningstraject of schuldsaneringstraject alle afspraken correct is nagekomen. Indien dit het geval is, zal het restant van de vordering buiten invordering worden gesteld. Debiteurenonderzoeken worden ingepland om het verloop van deze trajecten te volgen.
Wanneer de klant met schulden is vertrokken onbekend waarheen (VOW), kan de vordering in beginsel worden overgedragen aan een deurwaarder. Overdracht naar een deurwaarder is geen automatisme. Het is de vraag of de vordering ook daadwerkelijk geïncasseerd gaat worden. Zo niet, dan is het niet verantwoord deze extra kosten te maken. Als na vijf jaar de debiteur nog steeds niet is getraceerd kan de vordering, na een ambtelijk voorstel, worden afgeboekt.
Verder kan een eenmaal vastgestelde aflossingsverplichting in de toekomst worden gewijzigd op basis van een heronderzoek naar de draagkracht.
Om organisatorische redenen, dan wel gelet op de situatie van de klant, kan een andere termijn worden afgesproken; bijvoorbeeld wanneer het risico op niet of onregelmatig betalen beperkt is.
Artikel 19 Verrekening, aanmaning, dwangbevel, beslag en paspoortsignalering
Na het besluit tot terugvordering is er een termijn van 6 weken na verzending om te komen tot een betalingsregeling. Wordt hieraan geen gehoor gegeven, dan worden de stappen gevolgd zoals omschreven in artikel 19.
Indien het, naar het oordeel van de consulent, noodzakelijk is, nemen we telefonisch contact op. De ervaring leert dat deze methode werkt en de bereidheid tot betalen vergroot. Deze contactmomenten worden vastgelegd in het dossier van de klant. Dit komt de zorgvuldigheid van de besluitvorming ten goede.
Aanmaning/dwangbevel/beslaglegging
In de uitvoeringspraktijk maken we onderscheid tussen een aanmaning en een dwangbevel. Aanmaningen zijn brieven waarin de klant, vanwege uitblijven betaling, wordt verzocht om alsnog tot betaling over te gaan. Tegen de brieven staat geen bezwaar en beroep open.
Naast de systematiek van invordering via dwangbevel/beslaglegging, kan het bestuur ook invorderen via interne verrekening met een lopende uitkering , of een andere uitkerende instantie (artikel 60a Participatiewet). Daartoe is in de Participatiewet, IOAW en IOAZ een wettelijke basis gecreëerd. Voor de Bbz is hier de Participatiewet vanzelfsprekend van toepassing. Tegen een besluit tot verrekening (veelal gekoppeld/ geïntegreerd in een besluit tot terugvordering) staat bezwaar en beroep open. Op grond van artikel 4:87 Awb dient het bestuur in geval van een besluit tot terugvordering de klant een betalingstermijn te gunnen van minimaal 6 weken. Deze regel laat onverlet dat het bestuur niet aan deze termijn gehouden is in geval van verrekening. Voor de RooO en de LKS gelden de bepalingen van de bestuursrechtelijk geldschulden en niet direct de 6 maanden jurisprudentie. Wel dient in deze situaties en gelet op zorgvuldig overheidsbestuur, direct actie te worden ondernomen.
In artikel 4:93 lid 3 Awb wordt immers bepaald dat de verrekening terugwerkt overeenkomstig artikel 6:129 BW tot aan het tijdstip waarop de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan. Het besluit tot verrekening kan dus per direct ten uitvoer worden gelegd. Een dwangbevel is in dergelijke situaties niet noodzakelijk.
Indien betaling van de vordering uitblijft en de maatregelen genoemd in lid 1 t/m 4 geen effect hebben of tenuitvoerlegging niet mogelijk blijkt, dient betrokkene te worden gemeld bij het Register Paspoortsignalering (RPS).
Artikel 22 van de Paspoortwet gaat over het signaleren van personen die zijn/haar betalingsverplichtingen aan een aantal organisaties, waaronder de (gemeentelijke) sociale dienst, niet nakomen en het gegronde vermoeden bestaat dat de persoon in kwestie zich door verblijf in het buitenland aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering zal onttrekken. Een dergelijke publiekrechtelijke schuld dient meer te bedragen dan € 5.000, -.
Het spreekt voor zich dat de voorschriften ingevolge de Awb en het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering in acht worden genomen.
Artikel 20 Afzien van invordering
Binnen de debiteurenuitvoeringspraktijk doen zich regelmatig situaties voor waarbij de kosten van de uitvoering van invorderingsmaatregelen niet langer in verhouding staan tot de hoogte van een (restant-)vordering. De doelmatigheidstoets van dit artikel beoogt in die zin nadrukkelijk aan de medewerker terugvordering en incasso een grote beoordelingsvrijheid te geven om in individuele gevallen af te zien van (verdere) invordering. Wanneer het bedrag € 150,- of lager is, wordt afgezien van verdere invordering.
Het kan ook zijn dat wordt voorgesteld hogere vorderingen af te boeken. Voor wat betreft de hoogte van de bedragen is de mandaat- en budgethoudersregeling van toepassing.
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR694165/2 (mandaatregeling)
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR695792 (budgethoudersregeling)
Artikel 21 Bevoegdheid tot verhaal
Artikel 61 Participatiewet is een zogeheten 'kan-bepaling'. Verhaal is een bevoegdheid van het bestuur en niet een verplichting. Het bestuur maakt gebruik van deze bevoegdheid die uit paragraaf 6.5 van de Participatiewet voortvloeit. Hierbij kan het gaan om vermogen of het verhalen van een nalatenschap.
Voor het starten van een onderhoudsplichtprocedure (alimentatie) op de ex-partner neemt het bestuur niet langer zelf actie. Zij legt de verplichting tot het vragen alimentatie neer bij de klant. Dat doet het bestuur door het opleggen van nadere verplichtingen op grond van artikel 55 van de Participatiewet.
Bij toepassing van de beleidsregels, dient het bestuur rekening te houden met de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Artikel 22 Ingangsdatum nadere verplichtingen
In het kader van de rechtszekerheid is bepaald om de (mogelijke) ingangsdatum van de verhaalsbijdrage te bepalen op de eerste van de maand volgend op de datum van eerste aanschrijving van de klant.
We vragen hierbij de klant zich maximaal in te spannen zelf de onderhoudsplichtprocedure op te starten via een advocaat.
Indien geen actie wordt ondernomen door de klant dan wordt bij beschikking de aanvullende verplichting opgelegd ingevolge artikel 55 Participatiewet het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage (LBIO) in te schakelen.
Artikel 23 Afzien nadere verplichtingen
In principe wordt maximaal gebruik gemaakt van het recht een voorliggende voorziening te gelde te maken. Dit kan ook een verhaals- of onderhoudsbijdrage zijn van de ex-partner ten behoeve van de kinderen en/of klant.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin het niet gevergd kan worden/niet wenselijk is dat partners in juridische procedures verwikkeld raken. Bijvoorbeeld omdat er sprake is / is geweest van huiselijk geweld of erger. Hierbij is het in principe vereist een kopie van de aangifte bij de politie op te vragen en over te leggen. Afhankelijk van de situatie kan ook volstaan worden met een gedegen verklaring van een sociaal team of generalisten.
Wanneer de onderhoudsplichtige niet kan bijdragen in de kosten van levensonderhoud dan is het opleggen van nadere verplichtingen niet zinvol.
Na een hercontrole of bij gewijzigde omstandigheden, meestal van financiële aard, kunnen alsnog de nadere verplichtingen worden opgelegd.
De nadere verplichting wordt niet opgelegd wanneer de onderhoudsbijdrage lager is dan € 50,00 per maand of € 600,00 per jaar. Deze keuze is ingegeven om redenen van doelmatigheid en het beperken van de administratieve lasten.
Ook wordt van het opleggen van nadere verplichtingen afgezien bij verhaal op de kosten van bijstand bij vluchtelingen tot 21 jaar. In veel situaties is deze bijstand niet te verhalen op de (biologische) ouders. Voorwaarde is wel dat de klant aantoont geen ouders meer te hebben. Afhankelijk van de situatie kan hier pragmatisch mee worden omgegaan. Wanneer overduidelijk is dat de ouders niet zijn te achterhalen of bewijsstukken niet kunnen worden verkregen, wordt afgezien van verhalen van de onderhoudsplichtkosten.
Artikel 24 Inwerkingtreding en overgangsrecht
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking. Deze beleidsregels vervangen per die datum de bestaande Beleidsregels terugvordering en invordering Werk en inkomen Lekstroom 2018 zoals vastgesteld door het dagelijks bestuur in de vergadering van 29 maart 2018. De hoofdregel is dat deze nieuwe beleidsregels niet alleen gelden voor situaties van terug- en invordering en verhaal gelegen na datum inwerkingtreding, maar ook voor al bestaande rechtsverhoudingen op die datum.
Als er sprake is van gunstigere besluiten dan worden deze gehandhaafd totdat de situatie opnieuw is beoordeeld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2026-525.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.