1 . Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen wordt aangemerkt als een verzuim, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een eerste -, tweede – en derde/volgend verzuim.
2 . Van een tweede -, respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende over de vijf voorgaande belastingtijdvakken eenmaal, respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.
3 . Bij vernietiging van de boete wegens avas telt het verzuim niet mee in de verzuimenreeks.
4 . De door de heffingsambtenaar op te leggen boete bedraagt:
a. bij een eerste verzuim 5 % van het bedrag van de aanslag, met een minimumbedrag van € 75,00;
b. bij een tweede verzuim 10 % van het bedrag van de aanslag, met een minimumbedrag van € 150,00;
c. bij een derde/volgend verzuim 15 % van het bedrag van de aanslag, met een minimumbedrag van € 300,00.
d. de verzuimboete is niet hoger dan 50 % van het wettelijk maximum van artikel 67a van de AWR.
5 . Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelastingen is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.
6 . Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.
7 . In afwijking van het vierde lid, aanhef en onder d, kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.