Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 1 januari 2026

Het Dagelijks Bestuur van Fijnder;

 

gelet op:

  • artikel 4, eerste lid van de Gemeenschappelijke Regeling van Fijnder en het Delegatiebesluit Gemeenschappelijke Regeling Fijnder 2024, waarin het bestuur de zelfstandige bevoegdheid voor de uitvoering van bovengenoemde taken gedelegeerd heeft gekregen van zijn deelnemende gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk;

  • het bepaalde in artikel 36 van de Participatiewet en artikel 7.4 van de geldende Verordening Sociaal Domein van de gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk;

 

besluit tot het vaststellen van:

Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 1 januari 2026

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet preciezer worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van Fijnder voor de gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk;

  • b.

    Peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

  • c.

    Referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum;

  • d.

    Verordening: geldende Verordeningen Sociaal Domein van de gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk;

  • e.

    Wet: de Participatiewet.

Artikel 2 Omstandigheden van betrokken persoon

  • 1.

    In de beoordeling van het recht op de individuele inkomenstoeslag worden de omstandigheden van de betrokken persoon getoetst. Tot de omstandigheden worden in ieder geval gerekend:

  • a.

    De krachten en bekwaamheden van de betrokken persoon en;

  • b.

    De inspanningen die betrokken persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

  • 2.

    Betrokken personen die blijvend volledig arbeidsongeschikt zijn worden geacht over onvoldoende krachten en bekwaamheden te beschikken die binnen een redelijke termijn uitzicht bieden op inkomensverbetering.

  • 3.

    De volgende categorieën betrokken personen worden geacht zich in voldoende mate te hebben ingespannen om tot inkomensverbetering te komen:

    • a.

      Betrokken personen zonder actieve arbeidsverplichtingen;

    • b.

      Alsmede betrokken personen die gedurende de referteperiode naar vermogen arbeid hebben verricht zonder reële kansen op uitbreiding van het aantal arbeidsuren, die naar oordeel van betrokken consulent geen zicht hebben op inkomensverbetering binnen redelijke termijn en die gedurende een periode van twaalf maanden geen sanctie opgelegd hebben gekregen wegens schending van de actieve arbeidsverplichting.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur beoordeelt aan de hand van de individuele situatie of de aanvrager geen uitzicht heeft op een hoger inkomen. Hierbij vindt het Dagelijks Bestuur dat:

    • a.

      Van personen die een opleiding volgen zoals bedoeld in de WTOS, of een studie volgen zoals bedoeld in de WSF 2000 wordt verwacht dat zij hun inkomenssituatie kunnen gaan verbeteren. Hierdoor hebben zij geen recht op de individuele inkomenstoeslag.

    • b.

      Van de betrokken persoon die inkomsten uit arbeid ontvangt onder de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag en die bewust kiest voor een deeltijdbaan, maar wel de mogelijkheid heeft om zijn inkomen te verbeteren, wordt verwacht dat hij zijn inkomenssituatie kan verbeteren. Hierdoor heeft hij geen recht op individuele inkomenstoeslag

Artikel 3 Vaststelling hoogte inkomen en vermogen

  • 1.

    Als de betrokken persoon 36 maanden of langer voorafgaand aan de peildatum heeft geleefd van een uitkering op grond van de wet, hoeft hij geen bewijsstukken aan te leveren. Het inkomen wordt vastgesteld met toepassing van artikel 31 van de wet. Het inkomen kan worden bepaald op grond van de gegevens van de betrokken persoon die aanwezig zijn bij Fijnder.

    In andere gevallen moet het inkomen van de betrokken persoon tijdens de gehele referteperiode worden bepaald op de manier die ook geldt voor algemene bijstand. Hierop is de volgende uitzondering mogelijk:

    Als aan de betrokken persoon in de voorgaande jaren een individuele inkomenstoeslag is gegeven, hoeft de betrokken persoon alleen bewijsstukken van inkomsten en vermogen aan te leveren van het jaar voorafgaande aan de peildatum.

  • 2.

    Voor de vermogenstoets wordt het vermogen meegerekend waarover de betrokken persoon op de peildatum beschikt of op dat moment normaal gezien kan beschikken.

  • 3.

    Indien vaststaat dat betrokken persoon op enig moment in de referteperiode heeft beschikt over vermogen boven de vermogensgrens, heeft belanghebbende geen recht op een individuele inkomenstoeslag.

  •  

Artikel 4 Aanvraag en toekenning

  • 1.

    Een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet wordt ingediend met een door Fijnder vastgesteld formulier.

  • 2.

    Bij elke aanvraag wordt bepaald op welke datum het recht op individuele inkomenstoeslag is ontstaan. Dit kan elke dag van het jaar zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid krijgen bijstandsgerechtigden met een uitkering op grond van de Participatiewet die voldoen aan de criteria van artikel 2 lid 3 van deze beleidsregels na eerste toekenning van de individuele inkomenstoeslag, bij ongewijzigde omstandigheden na twaalf maanden, opnieuw een individuele inkomenstoeslag. Met deze toekenning op grond van de eerste aanvraag wordt het besluit van de eerste twaalf maanden na ambtshalve beoordeling herzien met een uitbreiding van de volgende twaalf maanden.

Artikel 5 Gehuwden/gezamenlijke huishouding

  • 1.

    Het uitgangspunt is, dat het recht op individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden gezamenlijk is. Als betrokken personen op de peildatum, de datum waarop de periode van 36 maanden afloopt, voor de wet als gehuwd/gezamenlijke huishouding worden beoordeeld, moeten beide betrokken personen voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 van de wet.

  • 2.

    Het kan voorkomen dat een betrokken persoon in de referteperiode van 36 maanden met één of meerdere personen een gezamenlijk huishouden heeft gehad. Dan wordt bepaald wat de totale inkomsten over genoemde periode zijn geweest, dus inclusief eventuele inkomsten van de ex-partner(s).

Artikel 6 Hardheidsclausule

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de betrokken persoon afwijken van de omschrijvingen in deze beleidsregels, als gebruik van deze beleidsregels tot ongewenste situaties leidt.

Artikel 7 Citeertitel en inwerkingtreding

  • Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 1 januari 2026’. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026. Vanaf dat moment vervallen de eerder vastgestelde ‘Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 1 oktober 2025-1’.

 

Aldus besloten in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van Fijnder, gehouden op 29 september 2025.

De voorzitter,

E.S.F. Schepers-Janssen

De secretaris,

T.A. Beijer

Naar boven