Budgethoudersregeling Omgevingsdienst Rivierenland 2026 (met ingang van 1-4-2026)

Het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Rivierenland

 

Gelet op:

  • artikel 13 van de Financiële verordening Omgevingsdienst Rivierenland;

Besluit

 

Vast te stellen:

 

De Budgethoudersregeling Omgevingsdienst Rivierenland 2026 (met ingang van 1-4-2026)

 

0. Algemeen

Op basis van artikel 13 van de Financiële verordening Omgevingsdienst Rivierenland geeft deze regeling aanvullende beleidsregels op het gebied van het budgetbeheer.

1. Inleidende bepalingen

Artikel 1 Definities

In de regeling wordt verstaan onder:

Budget

:

de middelen die via de programmabegroting zijn toegekend voor het realiseren van een samenhangend geheel van doelstellingen, resultaten en prestatieafspraken.

Budgethouder

:

de functionaris die uit hoofde van zijn of haar functie verantwoordelijk is voor de beheersing van het budget op programma-, product- en/of kostenplaatsniveau.

Budgethouders zijn in 4 niveaus opgedeeld:

  • 1.

    de algemeen directeur (=hoofdbudgethouder). Deze is door het bestuur gemandateerd om namens hen de, aan het over te dragen budget, verbonden doelstelling te realiseren;

  • 2.

    de directeur Uitvoering, die door de algemeen directeur is aangewezen om namens hem/haar de, aan het over te dragen budget, verbonden doelstelling te realiseren;

  • 3.

    de teammanager of programmamanager, die door de directeur (Uitvoering) is aangewezen om namens hem/haar de, aan het over te dragen budget, verbonden doelstelling te realiseren;

  • 4.

    de projectleider of medewerker, die door de teammanager is aangewezen om namens hem/haar de, aan het over te dragen budget, verbonden doelstelling te realiseren;

2. Aanwijzing van budgethouders

Artikel 2 Hoofdbudgethouder

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur wijst op basis van het mandaatbesluit een hoofdbudgethouder aan die verantwoordelijk is voor de door het van Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurde begroting voor alle lasten en baten.

  • 2.

    De hoofdbudgethouder is voor het Dagelijks Bestuur aanspreekbaar en verantwoording verschuldigd voor alle aan hem/haar toevertrouwde budgetten per programma.

  • 3.

    Alle in deze regeling opgenomen bepalingen voor budgethouders zijn van overeenkomstige toepassing op de hoofdbudgethouder.

  • 4.

    De hoofdbudgethouder ziet erop toe, dat voor alle afzonderlijke programma’s, producten en kostenplaatsen budgethouders worden aangewezen.

  • 5.

    Het ondermandaat van verantwoordelijkheden is uitsluitend mogelijk aan een of meer medewerkers op het hiërarchisch naast lagere niveau. Voor elke ondermandatering wordt schriftelijk kennis gegeven aan het hiërarchisch naast hogere niveau en de controller.

Artikel 3 Ondermandatering budgethouders

  • 1.

    Per programma wijst de algemeen directeur zichzelf of de directeur Uitvoering aan als verantwoordelijke.

  • 2.

    Binnen de toegewezen programma’s kan de directeur (Uitvoering) budgetten onder mandateren aan teammanagers en programma managers.

3. Verantwoordelijkheden

Artikel 4 Aanvullende voorschriften

De algemeen directeur kan, na advies van de controller, per geval of in het algemeen instructies geven aan de budgethouders over de administratieve vastlegging en verantwoording.

Artikel 5 Verdeling budgethouders

De algemeen directeur is verantwoordelijk voor de BBV-paragrafen in de planning & control documenten.

Artikel 6 Budgethouder

  • 1.

    De budgethouder is verantwoordelijk voor de beheersing en uitvoering van het aan hem/haar toegewezen programma, product en/of kostenplaats.

  • 2.

    De budgethouder is bevoegd tot het doen van uitgaven ten laste van de budgetten waartoe hij/zij in de begroting is geautoriseerd, met in achtneming van het bepaalde in artikel 7.

  • 3.

    De budgethouder is verantwoordelijk voor de realisatie van de in de begroting geraamde inkomsten ten aanzien van de aan hem/haar toegewezen budgetten.

  • 4.

    Bij afwezigheid wordt de budgethouder vervangen door een collega budgethouder zoals verwoord in de vervangingsregeling.

  • 5.

    Indien een budgethouder budgetten heeft onder gemandateerd geldt de mandaatgever als eerste vervanger.

4. Bevoegdheden en verplichtingen

Artikel 7 Aangaan van verplichtingen en betalingen

  • 1.

    De budgethouders zijn namens het Dagelijks Bestuur, met inachtneming van de mandaatregeling, bevoegd tot het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven:

    • a)

      tot maximaal de desbetreffende product- en kostenplaatsbudgetten, waarvoor hen een machtiging is verstrekt;

    • b)

      tot maximaal het saldo van de voorziening waarvoor hen een machtiging is verstrekt, met inachtneming van de geldende nota reserves en voorzieningen. Voor reserves geldt het budget dat in de exploitatie is geraamd.

    • c)

      tot maximaal het bedrag van het door het Algemeen Bestuur vastgestelde en door het Dagelijks Bestuur beschikbaar gestelde investeringskrediet waarvoor hem/haar een machtiging is verstrekt.

    • d)

      Onverlet het bovenstaande dient bij een verplichting en/of factuur die hoger is dan € 30.000 de directeur (Uitvoering) mee te paraferen.

  • 2.

    Bij het aangaan van betalingsverplichtingen worden minimaal de geldende regels met betrekking tot de administratieve organisatie, interne controle en het inkoopbeleid van de Omgevingsdienst Rivierenland gevolgd.

  • 3.

    De budgethouder tekent facturen voor akkoord ten aanzien van het budget.

  • 4.

    De budgethouder dient zoveel mogelijk een derde aan te wijzen om te tekenen voor akkoord ten aanzien van levering. Indien dit onmogelijk is kan de budgethouder zelf tekenen voor levering.

  • 5.

    De budgethouder draagt er zorg voor dat de inkomende facturen, gecodeerd op grootboeknummer en grootboekrekening, ondertekend en voor het verstrijken van de betalingstermijn(en) aan de financiële administratie worden aangeleverd.

  • 6.

    Indien een crediteur niet bekend is in de financiële administratie wordt bij gerede twijfel door de administratie gecontroleerd op NAW-gegevens in combinatie met het rekeningnummer, alvorens tot betaling kan worden overgegaan.

Artikel 8 Verschuiven van exploitatiebudgetten

  • 1.

    Het verschuiven van budget voor bestaand beleid kan gedurende het boekjaar plaatsvinden, maar hierop zijn verschillende bevoegdheden van toepassing:

    • a)

      De budgethouder kan binnen zijn toegewezen product de budgetten verschuiven. Hierbij is leidend dat door de verschuiving nog steeds alle beoogde activiteiten en prestaties van het betrokken product worden uitgevoerd.

    • b)

      De directeur (uitvoering) kan op voorstel van de budgethouder budgetten schuiven tussen producten die binnen één programma vallen. Hierbij is leidend dat door de verschuiving nog steeds alle beoogde en in het programma benoemde (maatschappelijke) effecten worden bereikt.

    • c)

      De onder b genoemde bevoegdheid geldt niet voor de ruimte die beschikbaar is gesteld voor investeringen.

Artikel 9 Verschuiven van overheadbudgetten

  • 1.

    De hoofdbudgethouder is bevoegd tot het budgettair neutraal verschuiven tussen de overheadbudgetten. Dit in samenspraak met de betreffende budgethouder(s).

5. Planning, rapportage en verantwoording

Artikel 10 Advisering

  • 1.

    De budgethouder adviseert het Dagelijks Bestuur door middel van de planning en control instrumenten en/of beleidsnotities, hij/zij doet dit onder verantwoordelijkheid van de hoofdbudgethouder.

  • 2.

    De budgethouder rapporteert periodiek over de door hem/haar gesignaleerde c.q. verwachte afwijkingen van het toegekende budget. Dit betreft zowel over- als onderschrijdingen van de in het budget opgenomen lasten en/of baten, afwijkingen in prestatie-eenheden, analyses, en overige kerncijfers.

  • 3.

    Binnen drie maanden na afloop van een project dient het project te worden afgesloten. De rapportages hiervan worden opgenomen in de jaarrekening.

Artikel 11 Decharge

  • 1.

    Met de jaarstukken legt de hoofdbudgethouder aan het Dagelijks Bestuur verantwoording af van het gevoerde beleid.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur verleent aan de hoofdbudgethouder decharge door het aanbieden van de jaarstukken aan het Algemeen Bestuur.

  • 3.

    Door vaststelling van de jaarstukken door het Algemeen Bestuur wordt ook het Dagelijks Bestuur decharge verleend.

6. Slotbepalingen

Artikel 12  

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslist het Dagelijks Bestuur.

Artikel 13 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking een dag na bekendmaking.

  • 2.

    Tegelijkertijd wordt de “Budgethoudersregeling Omgevingsdienst Rivierenland 2023 (met ingang van 1-11-2023)” ingetrokken.

    [Artikel 13, lid 2 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: Tegelijkertijd wordt de “Budgethoudersregeling Omgevingsdienst Rivierenland 2018 (met ingang van 1-11-2023)” ingetrokken.]

Artikel 14 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als “Budgethoudersregeling Omgevingsdienst Rivierenland 2026 (met ingang van 1-4-2026)”.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 11 mei 2026.

Namens het Dagelijks Bestuur van de Omgevingsdienst Rivierland,

de voorzitter,

M. Wichgers

de secretaris,

G.J.F.M. Vlekke

Toelichting op de artikelen

Artikel 1

In artikel 1 worden de definities gegeven zoals deze in de regeling worden gehanteerd.

 

Artikel 2

In dit artikel wordt het mandaat van de uitvoering van de programmabegroting bij de hoofdbudgethouder gelegd en de taken die hieraan zijn verbonden vastgelegd.

 

Artikel 3

Dit artikel bevat de aanwijzing van de budgethouders. Per programma zoals in de begroting is verwoord wordt een budgethouder aangewezen. Zodat voor het bestuur, de hoofdbudgethouder en de ambtelijke organisatie duidelijk is wie verantwoordelijk is voor een programma.

 

Artikel 4

In dit artikel wordt de bevoegdheid aan de directeur gegeven om aanvullende instructies te geven. Hierbij kan worden gedacht aan nadere regels voor het rapporteren bij de P&C-instrumenten.

 

Artikel 5

Artikel 5 is opgenomen om een eenduidige aanspreekpunt te hebben voor de ambtelijke organisatie en het bestuur ten aanzien van de paragrafen.

 

Artikel 6

In dit artikel is verwoord op welke manier de budgethouder voor de aan hem/haar toegewezen budgetten verantwoordelijk is. Hij/zij mag uitgaven doen tot de omvang van het budget en voor de budgetten die hem/haar zijn toegewezen

Lid 4 regelt de vervanging bij ziekte of vertrek e.d.

 

Artikel 7

Dit artikel geeft de bevoegdheid tot het aangaan van verplichtingen, het geven van opdrachten en betalen van facturen. Er wordt in dit artikel onderscheid gemaakt tussen levering (het ontvangen van goed, dienst of werk) en het budget. Uitgangspunt is dat de budgethouder verantwoordelijk is voor budget. Voor de levering dient zoveel mogelijk een derde te tekenen van binnen de organisatie die de levering kan beoordelen. Indien het bedrag van de verplichting of factuur groter is dan € 30.000 dient de direct hiërarchisch meerdere van de teammanager mee te paraferen.

 

Artikel 8

Het Algemeen Bestuur autoriseert op programma niveau de budgetten. Hierdoor is het mogelijk binnen de kaders van een programma met budgetten te schuiven. Hierbij dient in het oog te worden gehouden dat het budget niet het uitgangspunt is maar een combinatie van budget, activiteiten en prestaties. Met budgetten kan worden geschoven indien de afgesproken prestaties worden gerealiseerd. Als dit niet kan worden bereikt, dient de verschuiving aan het Algemeen Bestuur te worden voorgelegd. Voor het schuiven van budgetten binnen programma’s zijn de volgende kaders gesteld:

  • Budgettair neutraal

  • Beoogde activiteiten en prestaties wijken niet af

  • Valt binnen 1 boekjaar

  • (Vrijvallende) kapitaallasten kunnen niet worden verschoven

  • Tussen investeringen kan niet worden geschoven

Artikel 9

Legt de bevoegdheid van het schuiven van budgetten tussen overheadbudgetten vast. De hoofdbudgethouder kan, in overleg met de budgethouder, schuiven tussen overheadbudgetten.

 

Artikel 10

Legt de P&C-cyclus vast voor de ODR en de bijbehorende verantwoordelijkheden. Geeft de budgethouder de opdracht om te rapporteren over de stand van zaken en gegevens aan te leveren ten behoeven van het P&C-instrumentarium.

 

Artikel 11

Legt het decharge-regime vast voor de omgevingsdienst.

 

Artikel 12

Als er zich gebeurtenissen voordoen waarin deze regeling of andere regelingen niet voorziet kan het Dagelijks Bestuur een besluit nemen.

 

Artikel 13

Het artikel bepaalt dat de regeling van toepassing is op alle stukken van het genoemde begrotingsjaar en latere jaren. De jaarstukken van het vorige begrotingsjaar moeten nog voldoen aan de bepalingen die gelden voor die begroting.

 

Artikel 14

Citeertitel geeft de naam, waarmee in de gemeentelijke stukken naar deze regeling moet worden verwezen.

Naar boven