Blad gemeenschappelijke regeling van BEL Combinatie
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| BEL Combinatie | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1644 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| BEL Combinatie | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1644 | beleidsregel |
Nota reserves en voorzieningen 2026
Vastgesteld door het BEL-bestuur d.d. 28-05-2026
Met de Nota reserves en voorzieningen beschikt het bestuur over duidelijke en actuele kaders voor het instellen, beheren en afbouwen van reserves en voorzieningen. Doel hiervan is een transparant, beheerst en doelmatig financieel beleid, in lijn met het BBV en de financiële verordening.
Reserves maken deel uit van het eigen vermogen en zijn in principe vrij besteedbaar. Het bestuur heeft volledige beleidsvrijheid bij het instellen, wijzigen en opheffen ervan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de algemene reserve, die dient als financiële buffer en onderdeel is van het weerstandsvermogen, en bestemmingsreserves, waaraan een specifiek doel is gekoppeld, zoals kapitaallasten.
Voorzieningen maken deel uit van het vreemd vermogen en hebben een verplicht karakter. Zij worden gevormd voor toekomstige verplichtingen en risico’s waarvan de omvang onzeker is, zoals onderhoud. Voor voorzieningen is nauwelijks beleidsvrijheid: zij volgen strikt de wettelijke regels van het BBV en mogen alleen voor het betreffende doel worden gebruikt.
Harmonisatie tussen de BEL Combinatie en de BEL-gemeenten
Harmonisatie zorgt voor eenduidige financiële sturing, consistente besluitvorming en een sterkere bestuurlijke en financiële samenhang. Daarnaast vergroot harmonisatie de doelmatigheid en efficiëntie in de uitvoering door gezamenlijke uitgangspunten en werkwijzen.
Duidelijkheid bij bestemmingsreserves
Bij het instellen van een bestemmingsreserve worden heldere afspraken vastgelegd over doel, besteding, voeding, onttrekking, maximale omvang en looptijd. Het bestuur blijft beschikkingsbevoegd; mandatering aan de algemeen directeur is alleen mogelijk bij expliciet bestuursbesluit.
Wettelijk kader leidend bij voorzieningen
Voorzieningen hebben een verplicht karakter en volgen strikt de regels van het BBV. De beleidsvrijheid van het bestuur is hierbij beperkt. Voorzieningen worden uitsluitend gevormd voor concrete verplichtingen of risico’s en zijn niet groter dan noodzakelijk.
Met deze nota wordt beoogd te zorgen voor een transparant, consistent en beheerst financieel beleid, waarbij reserves en voorzieningen doelmatig worden ingezet en regelmatig worden beoordeeld op nut en noodzaak. Hiermee ondersteunt de nota het BEL-bestuur en de algemeen directeur bij een zorgvuldige afweging van financiële keuzes en draagt zij bij aan een gezonde en toekomstbestendige financiële positie van de organisatie.
Bij het opstellen van deze nota is uitgegaan van de geldende wet- en regelgeving. Daarbij gaat het niet alleen om externe wettelijke voorschriften, maar ook op interne regelingen en vorderingen. Op reserves en voorzieningen zijn het BBV en de financiële verordening van toepassing. In tegenstelling tot reserves biedt de wet- en regelgeving geen ruimte voor het ontwikkelen van eigen beleid voor voorzieningen, hiervoor gelden uitsluitend de wettelijke bepalingen.
Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)
Het externe kader is het BBV waarin de regels over de wijze van begroten en verantwoorden zijn uitgewerkt.
Financiële verordening BEL Combinatie
Aanleiding voor deze nota is ook de actualisatie van artikel 13 van de financiële verordening in 2025. In dat kader zijn alle bestaande reserves en voorzieningen opnieuw beoordeeld, waar nodig aangescherpt en beter beleidsmatig gepositioneerd.
Deze nota start met een samenvatting waarin de kernpunten van deze nota kort worden toegelicht. Hoofdstuk 2 bevat een begripsbepaling van reserves en voorzieningen en beschrijft de belangrijkste verschillen tussen beide. Hoofdstuk 3 gaat in op de beleidskaders voor het instellen, wijzigen, gebruiken en opheffen van reserves en voorzieningen, inclusief de rolverdeling tussen het bestuur en de algemeen directeur. Hoofdstuk 4 beschrijft de actualisatie van de bestaande reserves en voorzieningen. Tot slot zijn in de bijlagen standaardmodellen voor het instellen en evalueren van een reserve of voorziening.
2. Begripsbepaling reserves en voorzieningen
Het onderscheid tussen reserves en voorzieningen is niet altijd even scherp, waardoor de termen regelmatig door elkaar worden gebruikt. Dat is begrijpelijk aangezien beide begrippen betrekking hebben op het apart zetten van middelen voor een specifiek doel. Desondanks bestaan er wezenlijk verschillen tussen reserves en voorzieningen. Deze verschillen worden in dit hoofdstuk nader toegelicht. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een schematisch overzicht waarin de belangrijkste verschillen tussen reserves en voorzieningen zijn weergegeven.
Reserves kunnen worden omschreven als vermogensbestanddelen die tot het eigen vermogen behoren en die vanuit bedrijfseconomisch perspectief vrij besteedbaar zijn. Het gaat om een deel van de beschikbare begrotingsruimte dat niet direct wordt aangewend, maar wordt gereserveerd voor het opvangen van toekomstige lasten. Door het vormen van reserves wordt voorkomen dat huidige beleidskeuzes ten koste gaan van de financiële ruimte in de toekomst. Het BBV bevat onder meer de volgende bepalingen met betrekking tot reserves:
|
Reserves maken deel uit van het eigen vermogen (artikel 42).
|
Het bestuur heeft beleidsvrijheid ten aanzien van reserves. Er gelden geen wettelijke beperkingen voor het instellen, opheffen, of de bestemming ervan te wijzigen. De regelgeving met betrekking tot reserves beperken zich voornamelijk tot definities en de wijze van verantwoorden in de begroting en jaarrekening. Het bestuur kan een eerder vastgestelde bestemmingsreserve op ieder moment aanpassen. Reservemutaties vinden altijd plaats via de resultaatbestemming bij de begroting en/of de jaarrekening. Het bestuur is als enige bevoegd om te besluiten over een reserve (budgetrecht). De goedkeuring kan op basis van:
De reserves kunnen in twee hoofdcategorieën worden onderscheiden:
De algemene reserve bestaat uit het vrij besteedbare eigen vermogen van de organisatie en kan worden ingezet voor nader te bepalen doelen. Deze reserve dient als financiële buffer voor het opvangen van algemene risico’s. Exploitatietekorten en -overschotten worden respectievelijk onttrokken aan of toegevoegd aan de algemene reserve. De algemene reserve maakt deel uit van het weerstandvermogen.
Bestemmingsreserves zijn reserves waaraan het bestuur een specifiek bestedingsdoel heeft verbonden. De aanwending van deze middelen is beperkt tot het vastgestelde doel. Het is voor het bestuur mogelijk om een eenmaal gegeven bestemming te wijzigen. Het BBV bevat geen nadere afbakening van mogelijke bestemmingen, waardoor het bestuur hierin beleidsvrijheid heeft. Omdat een eenmaal vastgestelde bestemming door het bestuur kan worden aangepast, zijn bestemmingsreserves – evenals de algemene reserve – in principe vrij aanwendbaar. De bestemmingsreserves kunnen worden onderverdeeld in de volgende vier categorieën.
Een egalisatiereserves wordt gevormd om bepaalde baten en lasten over de jaren heen gelijkmatig te verdelen. Grote schommelingen in de exploitatie kunnen daarmee worden vermeden.
Een projectenreserve is gekoppeld aan een meerjarig investeringsprogramma. In een projectenreserve kunnen middelen gereserveerd worden voor toekomstige projecten. Op het moment dat een project wordt gerealiseerd worden de gereserveerde middelen overgeheveld naar de kapitaallastenreserve ter dekking van de kapitaallasten.
Een kapitaallastenreserve dient voor de dekking van rente- en afschrijvingslasten gedurende de volledige levensduur van een investering. De reserve wordt gevormd met eigen middelen. Wijzigen van de bestemming van een kapitaallastenreserve is alleen mogelijk als de meerjarenbegroting wordt aangepast.
Naast de zichtbare reserves zijn er ook zogenoemde stille reserves. Dit betreft bezittingen die niet op de balans zijn opgenomen, of daar tegen een lagere waarde voorkomen dan hun daadwerkelijke waarde in het economisch verkeer. Stille reserves kunnen worden meegenomen bij de bepaling van het weerstandsvermogen, mits zij op korte termijn verhandelbaar zijn. Vanwege de grote inspanning die het kost om deze reserves vast te stellen en de sterke schommelingen in hun waardering, worden zij binnen de BEL Combinatie niet opgenomen in het overzicht van reserves en maken zij geen onderdeel uit van het weerstandsvermogen.
Voorzieningen maken deel uit van het vreemd vermogen (verplichtingen). Zij worden gevormd wanneer sprake is van toekomstige verplichtingen of risico’s waarvan zowel de omvang als het moment van optreden onzeker zijn.
In tegenstelling tot reserves is de beleidsruimte ten aanzien van voorzieningen beperkt. Dit komt doordat voorzieningen op grond van de wettelijke verslaggevingsregels een grotendeels verplichtend karakter hebben, in het BBV is specifiek aangegeven in welke gevallen een voorziening moet worden gevormd:
|
De bestemming van een voorziening kan niet worden gewijzigd en moet zijn gebaseerd op een zo betrouwbaar mogelijke inschatting. Daarnaast moeten ze volledig toereikend zijn voor de verplichtingen en risico’s waarvoor zij zijn gevormd. Een voorziening mag geen negatief saldo hebben. Als zich toch een negatief saldo voordoet, dient dit via de exploitatie van het betreffende verslagjaar te worden aangevuld. Wanneer blijkt dat een voorziening een omvang heeft die hoger is dan noodzakelijk, valt het meerdere bij de jaarrekening vrij ten gunste van de exploitatie. Rentetoevoeging aan een voorziening is niet toegestaan (artikel 45). Risico’s die niet of slechts gedeeltelijk door een voorziening worden afgedekt, worden opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing.
Op basis van artikel 44 van het BBV kunnen voorzieningen als volgt worden ingedeeld:
Lid 1a en b: Het gaat hierbij om verplichtingen, verliezen en risico’s waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar redelijk kan worden ingeschat. De voorziening moeten onderbouwd zijn met een berekening van de achterliggende verplichting, verlies of risico.
Naast de voorzieningen aan de passivazijde van de balans, kennen we ook voorzieningen aan de activazijde van de balans. Dit zijn voorzieningen die de waarde van een bezit corrigeren. Binnen de BEL Combinatie betreft dit de voorziening dubieuze debiteuren. Deze bijzondere voorziening wordt wel opgenomen in de staat van voorzieningen maar niet opgenomen aan de passivazijde van de balans. Conform het BBV wordt deze voorziening in mindering gebracht op de post debiteuren.
Lid 1c: Deze voorzieningen worden aangeduid als egalisatievoorzieningen. Zij hebben betrekking op verplichtingen die voortkomen uit kosten die onregelmatig in de tijd optreden, zoals de kosten van groot onderhoud.
Een onderhoudsvoorziening kan uitsluitend worden gevormd voor cyclisch (terugkerend) groot onderhoud van kapitaalgoederen, zoals gebouwen. Het vormen van een voorziening is niet verplicht, de lasten van groot onderhoud mogen ook rechtstreeks en ongelijkmatig ten laste van de exploitatie worden gebracht.
Indien de organisatie ervoor kiest de lasten van groot onderhoud via een onderhoudsvoorziening te egaliseren over meerdere begrotingsjaren, is een recent beheerplan verplicht. Onder recent wordt, door de commissie BBV, verstaan: een beheerplan dat maximaal vijf jaar oud is ten opzichte van het verslagleggingsjaar.
Het vastgestelde onderhoudsniveau wordt toegelicht in de paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen van zowel de begroting als de jaarrekening.
Lid 1d: Voorzieningen voor de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven. Over het algemeen vallen hier de voorzieningen riool- en afvalstoffenheffing onder en is binnen de BEL Combinatie niet van toepassing.
Lid 2: Van derden verkregen middelen, die specifiek besteed moeten worden en waarvoor een terugbetalingsverplichting geldt. Dit geldt niet voor van hogere overheden ontvangen voorschotbedragen voor specifieke uitkeringen die dienen ter dekking van lasten van de volgende begrotingsjaren. Deze worden op de balans bij de overlopende activa of passiva verantwoord.
Lid 3: Voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbare volume is het vormen van een voorziening niet toegestaan. Deze kosten dienen opgenomen te worden in de lopende exploitatie.
2.3 Verschillen tussen reserves en voorzieningen
Middelen die in een reserve zijn ondergebracht blijven onderdeel uitmaken van het eigen vermogen, het bestuur heeft hierin beleidsvrijheid. Het BBV richt zich vooral op definities en de wijze van presenteren in de begroting en jaarrekening. Voorzieningen hebben daarentegen een verplicht karakter, vallen onder het vreemd vermogen, de werkorganisatie kan niet vrij over deze middelen beschikken. In de volgende tabel zijn de belangrijkste verschillen samengevat.
Reserves en voorzieningen vormen belangrijke instrumenten voor het waarborgen van een gezonde financiële positie van organisaties. Bij een te ruimhartig beleid bestaat het risico dat middelen onnodig worden vastgezet in afzonderlijke reserves, zonder dat er sprake is van een concreet en actueel bestedingsdoel. Om een doelmatige inzet van middelen te bevorderen en te voorkomen dat middelen langdurig worden ‘geparkeerd’ zijn in dit hoofdstuk beleidskaders vastgelegd.
De beleidskaders zijn in lijn gebracht met die van de drie BEL gemeenten. Door het hanteren van uniforme uitgangspunten, definities en beleidsregels ontstaat een helder en eenduidig kader voor financiële sturing. Dit bevordert de consistentie in beleid en besluitvorming en versterkt de bestuurlijke en financiële samenhang. Daarnaast bevordert harmonisatie de doelmatigheid en eenduidigheid in de uitvoering. Medewerkers kunnen werken volgens gezamenlijke uitgangspunten en procedures, wat de uitvoeringslast beperkt en de kans op fouten verkleint.
Het bestuur heeft beleidsvrijheid ten aanzien van reserves. Er gelden geen wettelijke beperkingen voor het instellen, opheffen of wijzigen van de bestemming van reserves. De regelgeving met betrekking tot reserves in het BBV beperken zich voornamelijk tot definities en de wijze van verantwoorden in de begroting en jaarrekening.
Het uitgangspunt bij het omgaan met reserves is het zoveel mogelijk beperken van het aantal en de omvang van (bestemmings)reserves. Een terughoudend reservebeleid draagt bij aan een beter inzicht in de financiële positie van de organisatie. Het realiseren van beleidsdoelen verloopt zoveel mogelijk via de exploitatie, waar ook de integrale afweging plaatsvindt. Een beperkt aantal reserves vergroot bovendien de transparantie en het overzicht in de financiën.
Structurele lasten dekken uit structurele baten
In het algemeen geldt, dat wanneer een organisatie structurele taken uitvoert, daarvoor structurele lasten raamt in de begroting. Structurele lasten zijn dus de regel, incidentele lasten zijn de uitzondering. Onttrekkingen aan reserves wordt aangemerkt als incidentele dekkingsmiddelen. Een uitzondering hierop vormt de reserve dekking kapitaallasten, in dat geval worden afschrijvingslasten structureel uit de reserve gedekt.
Het instellen van een (bestemmings) reserve
Het bestuur is als enige bevoegd om te besluiten over een reserve (budgetrecht). Het besluit tot instelling van een reserve kan worden genomen bij verschillende formele momenten binnen de planning- en controlcyclus. Zoals de kadernota, de programmabegroting, een van de tussentijdse rapportages, bij de resultaatbestemming in de jaarrekening of via een afzonderlijk raadsbesluit. Conform artikel 13, lid 3 van de financiële verordening wordt bij het instellen van een reserve in ieder geval de volgende informatie opgenomen:
|
Artikel 13 financiële verordening
|
Beleidsmatig wordt hieraan toegevoegd dat het bestuur bij het instellen van een bestemmingsreserve kan besluiten de beschikkingsbevoegdheid te mandateren aan de algemeen directeur (3h). In dat geval is voor stortingen en/of onttrekkingen aan deze reserve geen voorafgaand bestuursbesluit vereist. Over de feitelijke stortingen en onttrekkingen wordt achteraf verantwoording afgelegd in de jaarrekening.
Opheffen en wijzigen van een (bestemmings) reserve
Het is voor het bestuur mogelijk om een bestemmingsreserve te wijzigen of op te heffen. Bij een wijziging van een bestemmingsreserve zijn dezelfde beleidskaders van toepassing als bij het instellen ervan. Wanneer het doel waarvoor de reserve is gevormd is gerealiseerd of de vastgestelde einddatum is bereikt, wordt de reserve opgeheven. Het besluit tot wijziging of opheffing kan, net als de instelling ervan, worden genomen in samenhang met de kadernota, de programmabegroting, een tussentijdse rapportage, de resultaatbestemming bij de jaarrekening of via een afzonderlijk bestuursbesluit. Eventueel vrijvallende middelen worden toegevoegd aan de algemene reserve.
In de programmabegroting stelt het bestuur de jaarlijkse mutaties in de reserves vast. Begrote stortingen en onttrekkingen kunnen gedurende het begrotingsjaar worden aangepast. Elke wijziging van deze begrote mutaties vereist een begrotingswijziging. In de jaarrekening mogen uitsluitend de daadwerkelijke gemaakte kosten aan de reserve worden onttrokken. Wanneer de werkelijke kosten hoger zijn dan de begrote onttrekking, wordt niet meer aan de reserve onttrokken dan het door het bestuur geautoriseerd bedrag, het resterende tekort blijft dan onderdeel van het exploitatieresultaat. Als de werkelijke kosten lager zijn dan de begrote onttrekking, wordt slechts het bedrag van de feitelijk gemaakte kosten onttrokken. Het verschil tussen de begrote en de werkelijke onttrekking blijft beschikbaar in de reserve. Een onttrekking die resulteert in een negatieve stand van een reserve is niet toegestaan.
Rentetoevoeging aan reserves is toegestaan. Het bestuur heeft er echter voor gekozen geen rente aan de reserves toe te voegen. Dit besluit is vastgelegd in artikel 13 lid 1, van de financiële verordening.
Het vaststellen van de looptijd van een reserve draagt bij aan een betere beheersbaarheid. Daarom is het wenselijk om voor een bestemmingsreserve een begrensde looptijd vast te stellen. Indien een bestemmingsreserve gedurende vier opeenvolgende jaren niet wordt aangewend, wordt de reserve na afloop van het vierde jaar automatisch opgeheven, tenzij het bestuur besluit de reserve langer in stand te houden. Voor de algemene reserve geldt geen beperking qua looptijd. Kapitaallastenreserves worden opgeheven zodra de bijbehorende investering aan het eind van de levensduur volledig is afgeschreven.
Maximale hoogte van de reserve
Bij het instellen van een bestemmingsreserve verdient het de voorkeur een maximale omvang vast te stellen. Indien het saldo van de reserve deze bovengrens op enig moment overschrijdt, wordt het meerdere bij de resultaatbestemming toegevoegd aan de algemene middelen.
In de jaarrekening wordt in de toelichting op de balans per reserve het verloop gedurende het boekjaar weergegeven. Daarnaast wordt per reserve het doel toegelicht, evenals de in het verslagjaar gerealiseerde toevoegingen en onttrekkingen en de afwijking ten opzichte van de oorspronkelijke raming.
3.2 Kaders m.b.t. voorzieningen
In tegenstelling tot reserves is er geen beleidsvrijheid bij voorzieningen. De vorming en toepassing van voorzieningen is gebonden aan wet- en regelgeving. In het BBV is specifiek aangegeven in welke gevallen een voorziening moet worden gevormd.
Verplichte voorzieningen vallen onder de bevoegdheid van de algemeen directeur. De achterliggende gedachte is dat de vorming of de uitgaven ten laste van de voorziening voortvloeien uit wet- en regelgeving. Het bestuur heeft hier geen keuzevrijheid en wordt daarom veelal achteraf bij de verschillende P&C-producten geïnformeerd. Niet-verplichte voorzieningen, met name egalisatievoorzieningen, vallen onder de bevoegdheid van het bestuur. Deze voorzieningen zijn gebaseerd op beleidskeuzes, zoals het gewenste onderhouds- en kwaliteitsniveau, waar het bestuur inhoudelijk over kan beslissen.
Indeling van voorzieningen BEL Combinatie
Verplichtingen, verliezen en risico’s (artikel 44, lid 1a en b BBV)
Deze categorie omvat verplichtingen, verliezen en risico’s waarvan de omvang onzeker is, maar redelijk kan worden ingeschat.
Voorziening dubieuze debiteuren
De voorziening dubieuze debiteuren wordt op de balans opgenomen onder de post debiteuren. De omvang van de voorziening wordt jaarlijks bij de jaarrekening bepaald, op basis van een zorgvuldige en onderbouwde inschatting.
Egalisatievoorzieningen (artikel 44, lid 1c BBV):
Egalisatievoorzieningen worden toegepast om ongelijkmatig gespreide kosten, zoals groot onderhoud, gelijkmatig over de jaren te verdelen. Een onderhoudsvoorziening mag uitsluitend worden gevormd voor cyclisch onderhoud van kapitaalgoederen, zoals gebouwen. Het vormen van een voorziening is niet verplicht, onderhoudslasten mogen ook ongelijkmatig ten laste van de exploitatie worden gebracht. Het vormen van een onderhoudsvoorziening is toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Per categorie kapitaalgoederen dient een beheerplan te worden opgesteld. Er kan worden gekozen voor een beheerplan per (sub)categorie, maar dit is niet verplicht. Dit betekent dat bijvoorbeeld alle gebouwen kunnen worden opgenomen in één beheerplan en dat hiervoor één onderhoudsvoorziening kan worden gevormd. Onderhoudsvoorzieningen van verschillende (sub)categorieën kapitaalgoederen mogen niet worden samengevoegd.
De omvang van de onderhoudsvoorziening moet, rekening houdend met de jaarlijkse mutaties, te allen tijde toereikend zijn om het geplande toekomstige groot onderhoud volledig te kunnen bekostigen. De jaarlijkse dotatie aan de voorziening is gebaseerd op het meerjarige beheerplan en omvat ten minste de geraamde onderhoudslasten voor het begrotingsjaar (t) en de drie daaropvolgende jaren (t+1 tot en met t+3).
Heffing gerelateerde voorzieningen (artikel 44, lid 1d BBV):
Deze categorie omvat voorzieningen voor vervangingsinvesteringen waarvoor een heffing wordt geïnd (zoals riool en afvalstoffenheffing). Dit is niet van toepassing binnen de BEL Combinatie.
Van derden verkregen middelen (artikel 44, lid 2 BBV)
Het gaat hier om inkomsten (beklemde middelen) die zijn verkregen met een specifieke bestedingsverplichting en uitsluitend mogen worden ingezet voor de bijbehorende dienstverlening. Middelen die binnen een begrotingsjaar niet volledig zijn besteed, kunnen worden toegevoegd aan een voorziening. Op deze middelen rust een mogelijke terugbetalingsverplichting in geval van onderbesteding of wanneer zij niet volgens het bestedingsdoel worden ingezet. Dit regime is niet van toepassing op voorschotten van hogere overheden voor specifieke uitkeringen die bedoeld zijn ter dekking van lasten in toekomstige begrotingsjaren. Deze voorschotbedragen worden verantwoord op de balans onder de overlopende activa of passiva.
Jaarlijks terugkerende arbeidskosten (artikel 44, lid 3 BBV):
Voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbare volume mag geen voorziening worden gevormd. Deze lasten worden rechtstreeks in de exploitatie verantwoord.
Vorming en beheer van een voorziening
Voorzieningen moeten worden gevormd indien zij noodzakelijk zijn, ongeacht een voorafgaand bestuursbesluit. Voorzieningen ter egalisatie van lasten voor groot onderhoud worden uitsluitend ingesteld bij bestuursbesluit, omdat hieraan beleidsmatige keuzes ten grondslag liggen. Bij het vormen en beheren van voorzieningen gelden de volgende uitgangspunten:
Van iedere voorziening wordt bij de vorming ten miste vastgelegd:
Wijzigen en opheffen van een voorziening
Het doel van een voorziening kan niet worden gewijzigd. Wanneer de achterliggende verplichting of risico vervalt, wordt de voorziening opgeheven en vallen de middelen vrij ten gunste van de exploitatie. Hiervoor is geen bestuursbesluit nodig, tenzij de voorziening is gevormd om een gelijkmatige verdeling van lasten over de begrotingsjaren te bewerkstelligen (egalisatie), in dat geval is een bestuursbesluit vereist.
Rentetoevoeging (artikel 45) en oneigenlijke onttrekkingen zijn niet toegestaan;
De voorzieningen worden verantwoord in de jaarrekening. Conform BBV dient in de toelichting op de balans inzicht te worden gegeven in de aard en reden van de voorziening, evenals in de mutaties, waaronder de toevoegingen en onttrekkingen.
|
3.3 Verantwoording reserves en voorzieningen in de P&C cyclus
De reserves en voorzieningen vormen een integraal onderdeel van de jaarlijkse planning- en control cyclus (hierna P&C). In de P&C-documenten wordt het vastgestelde beleidskader toegepast en worden de reserves en voorzieningen periodiek en kritisch beoordelend op nut, noodzaak en toereikendheid. Binnen de P&C-cyclus zijn hiervoor vaste evaluatiemomenten opgenomen, te weten:
Bij het opstellen van de (meerjaren)programmabegroting worden de reserves en voorzieningen integraal beoordeeld en worden de meerjarige uitgaven en inkomsten geactualiseerd. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de noodzaak van het aanhouden van reserves en voorzieningen, de omvang ervan en de meerjarige ontwikkelingen. Conform het BBV (artikel 54 en 55) wordt in de programmabegroting een meerjarig overzicht van reserves en voorzieningen opgenomen, inclusief een toelichting op het verloop.
Met het vaststellen van de programmabegroting accordeert het bestuur de voorgenomen stortingen en onttrekkingen in de reserves en voorzieningen. Indien wordt voorgesteld een nieuwe reserve of voorziening in te stellen, wordt bij het bestuursvoorstel een afzonderlijk overzicht opgenomen met de vereiste informatie. Via een afzonderlijk beslispunt wordt het bestuur gevraagd een besluit te nemen over de instelling van de nieuwe reserve of voorziening. Het opheffen van een reserve of voorziening vindt eveneens plaats via een apart beslispunt in het bestuursvoorstel.
Tussentijdse wijzigingen in reserves en voorzieningen worden gerapporteerd en verwerkt in de Zomernota en/of Slotwijziging. Na vaststelling door het bestuur wordt de begroting hierop aangepast.
In de jaarrekening wordt in de toelichting op de balans per reserve en per voorziening het verloop gedurende het jaar weergegeven. Daarnaast worden per reserve en voorziening het doel, de in het verslagjaar gerealiseerde toevoegingen en onttrekkingen, alsmede de afwijking tussen de realisatie en oorspronkelijke raming toegelicht.
Net als bij de programmabegroting vindt bij de vaststelling van de jaarrekening de formele vaststelling plaats van de in de jaarrekening gerealiseerde stortingen in en onttrekkingen aan de reserves en voorzieningen. Indien in de jaarrekening wordt voorgesteld een nieuwe reserve of voorziening in te stellen, wordt bij het bijbehorende bestuursvoorstel een afzonderlijk overzicht opgenomen met de vereiste informatie. Het bestuur wordt via een afzonderlijk beslispunt gevraagd hierover een formeel besluit te nemen. Het opheffen van een bestaande reserve of voorziening geschiedt eveneens via een apart beslispunt in het bestuursvoorstel bij de jaarrekening.
Alleen de algemene reserve telt mee bij de berekening van de weerstandscapaciteit. Bestemmingsreserves blijven buiten beschouwing vanwege hun specifieke doel. Het weerstandsvermogen wordt toegelicht in de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en jaarrekening en wordt bepaald door de beschikbare capaciteit af te zetten tegen de risico’s. De benodigde weerstandscapaciteit is maatwerk en vastgelegd in de nota weerstandsvermogen en risicomanagement.
4. Actualisatie reserves en voorzieningen
De financiële verordening is in 2025 geactualiseerd. Daarbij is artikel 13 uitgebreid en zijn aanvullende eisen gesteld aan reserves en voorzieningen.
Om aan deze eisen te voldoen, zijn alle reserves en voorzieningen opnieuw beoordeeld. De informatie die op grond van artikel 13 verplicht is maar nog ontbrak, is alsnog toegevoegd. De vermelde saldi zijn gebaseerd op de feitelijke stand volgens de jaarrekening 2025.
4.2 Actualisatie voorzieningen
Jaarlijks terugkerende arbeidskosten van niet vergelijkbare omvang (artikel 44, lid 3)
1. Standaardmodel voor het instellen en evalueren van een reserve
2. Standaardmodel voor het instellen en evalueren van een voorziening
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2026-1644.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.