Het Dagelijks Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant;
gelezen:
het voorstel met boven aangehaald onderwerp;
gezien:
de beraadslagingen op voornoemde datum;
gelet op:
de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 29 en 31 van de Invorderingswet 1990 in verbinding met de artikelen 231, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, en 237 van de Gemeentewet en op artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, resp. 123, derde lid, onderdeel a, en vierde lid, en artikel 127 van de Waterschapswet en artikel 84, derde lid, van de Waterschapswet, op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede op het betreffende artikel in de verordeningen op de heffing en invordering van belastingen, zoals deze zijn vastgesteld door gemeenteraden en Algemeen Bestuur van de deelnemers in de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant (hierna: BWB), waarin aan het Dagelijks Bestuur van BWB de bevoegdheid is toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de te onderscheiden gemeentelijke belastingen;
besluit vast te stellen de:
Uitvoeringsregeling BWB 2027.