Blad gemeenschappelijke regeling van Regio Holland Rijnland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Regio Holland Rijnland | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1596 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Regio Holland Rijnland | Blad gemeenschappelijke regeling 2026, 1596 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Nadere regels Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026
Het Dagelijks Bestuur van Regio Holland Rijnland;
gelezen het advies van de Beleidscommissie Woonruimteverdeling van 23 juni 2026;
het gewenst is om nadere regels vast te stellen over de inschrijving, het verwerken van gegevens, de opschorting en de beëindiging van de inschrijving van het register van woningzoekenden en het in rekening brengen van inschrijf- en verlengingsgeld.
gelet op artikel 9, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026
besluit de volgende regeling vast te stellen:
Nadere regels Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026
Hoofdstuk 3 Wijziging van de inschrijving
Bij verzoeken om bijschrijving die zijn ingediend voor 31 december 2026 geldt, in afwijking van lid 1 tot en met 3, het volgende.
voeren, verkrijgt de bijgeschreven partner de inschrijftijd van de primair ingeschreven woningzoekende, gerekend vanaf de datum van huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract, of de datum waarop aantoonbaar sprake was van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden.
Aldus vastgesteld in de vergadering van het Dagelijks Bestuur van 2 juli 2026.
De secretaris
E. Loenen
de voorzitter
P.J. Heijkoop
Artikelsgewijze toelichting Nadere regels Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026
Deze Nadere regels Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026 (hierna: nadere regels) zijn vastgesteld door het Dagelijks Bestuur van Regio Holland Rijnland op grond van artikel 9, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026 (hierna: de Huisvestingsverordening 2026). Zij geven verdere uitleg en invulling over de inschrijving, het verwerken van gegevens, de opschorting en de beëindiging van de inschrijving van het register van woningzoekenden en het in rekening brengen van inschrijf- en verlengingsgeld.
De (artikelsgewijze) toelichting verduidelijkt de toepassing van de nadere regels en ondersteunt een consistente uitvoering door de Vereniging Holland Rijnland Wonen (hierna: HRW).
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Deze nadere regels bevatten geen zelfstandige begripsbepalingen. Voor de uitleg van de in de regels gehanteerde begrippen wordt aangesloten bij de definities van de Huisvestingsverordening 2026. Daarmee wordt geborgd dat de nadere regels op begripsniveau geen ruimere of afwijkende betekenis kunnen krijgen dan de verordening kent. Dat sluit aan bij het karakter van de nadere regels als uitvoeringsregeling, binnen de grenzen van artikel 9 Huisvestingsverordening 2026.
Artikel 2 Reikwijdte en grondslag
Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026 is het Dagelijks Bestuur bevoegd nadere regels te stellen ten aanzien van de wijze van inschrijving van woningzoekenden, de registratie en verwerking van gegevens, de opschorting en beëindiging van de inschrijving en het in rekening brengen van inschrijf- en verlengingsgeld. De onderdelen a tot en met d van artikel 2 corresponderen één-op-één met deze in de verordening verleende delegatiebevoegdheid.
De nadere regels zijn van toepassing op iedere inschrijving van een woningzoekende, ten behoeve van de uniformiteit binnen de regio.
Artikel 3 Register van woningzoekenden
HRW is belast met het beheer van het register omdat een doelmatige uitvoering van het inschrijfsysteem één centrale uitvoeringsorganisatie vergt. Dit sluit aan bij het mandaat, volmacht en machtiging dat in artikel 9 lid 3 van de Huisvestingsverordening 2026 aan HRW is toegekend en dat door HRW is aanvaard.
Hoofdstuk 2 In- en uitschrijven
Een woningzoekende bouwt inschrijftijd op vanaf de datum van diens inschrijving in het register op grond van artikel 11 lid 1 Huisvestingsverordening 2026. De woningzoekende is daarvoor inschrijfgeld verschuldigd en na het eerste jaar moet jaarlijks verlengingsgeld voor de verlenging van zijn inschrijving worden voldaan. Als het verschuldigde inschrijfgeld of verlengingsgeld niet wordt voldaan, wordt een woningzoekende van rechtswege uitgeschreven uit het register. Zie in dit verband de artikelen 10 lid 4 en artikel 11 lid 4 Huisvestingsverordening 2026.
De artikelen 4, 5 en 6 van de nadere regels geven hier verdere invulling aan.
Artikel 4 Inschrijving in het register van woningzoekenden
Woningzoekenden moeten voor inschrijving in het register inschrijfgeld betalen ter hoogte van € 7,50. Deze kosten staan in redelijke verhouding tot administratieve handelingen die HRW moet verrichten in relatie tot het register.
De eis dat inschrijving pas geldig is na betaling en bevestiging waarborgt rechtszekerheid en voorkomt discussies over het moment van aanvang van de inschrijftijd. HRW verstrekt per e-mail de bevestiging van de inschrijving.
De geldigheidsduur is begrensd tot één jaar om het register actueel te houden. Verlenging met behoud van inschrijftijd is mogelijk onder de in artikel 5 gestelde voorwaarden.
Doordat de inschrijving op beider naam komt te staan, ontstaat voor beide woningzoekenden een zelfstandige rechtspositie binnen het register. Daarmee is verzekerd dat opgebouwde inschrijftijd niet exclusief aan één van beiden toevalt en blijven beide partners aanspraak maken op de gezamenlijke inschrijftijd. De woningzoekenden bepalen bij de inschrijving in welke volgorde de namen op de gezamenlijke inschrijving komen te staan.
Per woningzoekende geldt één inschrijving in het register. Een woningzoekende kan dus niet tegelijkertijd individueel en als gezamenlijke woningzoekende worden ingeschreven. Daarmee wordt voorkomen dat een persoon inschrijftijd opbouwt met twee inschrijvingen, waarvan er maar één komt te vervallen bij het accepteren van een woning via het aanbodsysteem. Dit voorkomt dat de slaagkans van overige woningzoekenden ongerechtvaardigd wordt verkleind. Zie ook artikel 10 lid 1 Huisvestingsverordening 2026.
Artikel 5 Verlenging van de inschrijving
Aangezien opgebouwde inschrijftijd voor de rangorde bij toewijzing bepalend is, weegt het belang van de woningzoekende bij behoud daarvan zwaar. Doordat HRW een woningzoekende tijdig en voor het einde van de geldigheidsduur van de inschrijving informeert over de mogelijkheid om te verlengen en de daarmee verbonden kosten, wordt voorkomen dat een inschrijving door enkel tijdsverloop — en dus zonder bewuste keuze van de woningzoekende — komt te vervallen. De kennisgeving geschiedt langs elektronische weg, in beginsel per e-mail op het door de woningzoekende opgegeven email-adres.
De woningzoekende moet jaarlijks verlengingsgeld betalen om de inschrijving in het register te behouden. Het verlengingsgeld dient als periodiek bevestigingsmoment van de wens om ingeschreven te staan. Alleen woningzoekenden die nog belangstelling hebben in een woning zullen het inschrijfgeld voldoen (al dan niet via automatische incasso). Hiermee blijft het register actueel en wordt voorkomen dat slapende inschrijvingen de rangorde beïnvloeden.
Door de geldigheid van de verlenging te koppelen aan het moment van betaling, is voor zowel de woningzoekende als HRW ondubbelzinnig vast te stellen of de inschrijving is gecontinueerd.
Een inschrijving als woningzoekende eindigt van rechtswege wanneer de woningzoekende nalatig is bij betaling van het tarief als bedoeld in artikel 4 en 5 van de nadere regels. Dit betekent dat ook de opgebouwde inschrijftijd vervalt.
Naast de in artikel 11 van de Huisvestingsverordening 2026 genoemde gronden voor het einde van de inschrijving, voorziet dit lid in aanvullende situaties voor uitschrijving uit het register. Het gaat om uitschrijving op verzoek of bij overlijden.
Opgebouwde inschrijftijd is onlosmakelijk verbonden met een actieve inschrijving in het register en heeft buiten dat verband geen zelfstandige betekenis. Het verval van inschrijftijd bij uitschrijving sluit hierop aan en voorkomt dat woningzoekenden na uitschrijving alsnog aanspraak kunnen maken op een rangorde (waarvoor zij niet meer betalen). Zie ook artikel 11 lid 5 Huisvestingsverordening 2026.
HRW stelt de betreffende woningzoekende schriftelijk of digitaal op de hoogte van de uitschrijving. Dit betreft een kennisgeving en is geen appellabel besluit.
Bij aanvaarding van woonruimte wordt in de woonbehoefte voorzien en eindigt de inschrijving van de woningzoekende van rechtswege, overeenkomstig artikel 11 lid 3 Huisvestingsverordening 2026. Betrokkenen ontvangen hiervan een kennisgeving. Dit geldt ook indien een woningzoekende samen met een andere woningzoekende woonruimte aanvaardt, bijvoorbeeld omdat zij allebei op het huurcontract komen te staan of omdat het inkomen van één van de woningzoekenden bepalend is voor het toewijzen van de woning. Die inschrijvingen zullen dan worden uitgeschreven. Voortzetting van de inschrijving van een persoon die woonruimte aanvaardt, zou de op inschrijftijd gebaseerde rangorde doorkruisen en is om die reden uitgesloten.
Hoofdstuk 3 Wijziging van de inschrijving
Het kan voorkomen dat woningzoekenden hun inschrijving willen aanpassen, bijvoorbeeld door een nog niet ingeschreven persoon te laten bijschrijven op hun inschrijving, twee inschrijvingen samen te voegen of door een gezamenlijke inschrijving te splitsen. Daar voorzien de nadere regels in hoofdstuk 3 in.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen bijschrijving en samenvoeging. Bijschrijving is de situatie dat één niet-ingeschreven persoon op verzoek van een ingeschreven woningzoekende wordt toegevoegd aan een al bestaande inschrijving van deze ingeschreven woningzoekende. De inschrijving komt dan op beider naam te staan. De tweede persoon die is bijgeschreven, bouwt vanaf het moment van bijschrijving inschrijftijd op conform artikel 11 lid 1 Huisvestingsverordening 2026. De individuele inschrijftijd kan dus onderling verschillen en wordt vermeld in de gezamenlijke inschrijving. Bij toewijzing van een woning geldt de langste inschrijftijd. Na aanvaarding van de woonruimte vervalt de inschrijving die op beider naam staat, conform artikel 11 lid 3 Huisvestingsverordening.
Omdat er maar één inschrijving is, wordt jaarlijks € 7,50 inschrijf/-verlengingsgeld betaald. Een voorbeeld ter verduidelijking:
Persoon A staat ingeschreven in het register vanaf 1 februari 2020. Het inschrijfgeld bedraagt in totaal € 7,50 per jaar. Persoon B is nog niet ingeschreven. Persoon B laat zich op 1 februari 2023 bijschrijven op de inschrijving van persoon A. De inschrijving geldt vanaf 1
februari 2023 voor beide personen . Het inschrijfgeld bedraagt voor de gezamenlijke inschrijving € 7,50 per jaar. Op 1 februari 2026 heeft persoon A zes jaar inschrijftijd opgebouwd en persoon B drie jaar. Samen kunnen persoon A en B reageren op woningen, waarbij de langste inschrijftijd leidend is. Dat is in dit geval zes jaar van persoon A. Als aangeboden woonruimte wordt geaccepteerd, wordt de gezamenlijke inschrijving beëindigd. De opgebouwde inschrijftijd van respectievelijk 3 en 6 jaar gaat verloren, ervan uitgaande dat geen van de situaties van artikel 11 lid 6 tot en met 12 Huisvestingsverordening 2026 zich voordoet.
Samenvoeging is de situatie dat twee personen zijn ingeschreven als woningzoekende en in dat verband ieder inschrijftijd hebben opgebouwd en ieder inschrijfgeld betalen. Zij kunnen gezamenlijk verzoeken hun individuele inschrijvingen samen te voegen tot één inschrijving. De individuele opgebouwde inschrijftijd kan onderling verschillen en wordt vermeld in de gezamenlijke inschrijving. Bij toewijzing van een woning geldt de langste inschrijftijd. Na aanvaarding van de woonruimte vervalt de inschrijving die op beider naam staat, conform artikel 11 lid 3 Huisvestingsverordening. Omdat er maar één inschrijving is, wordt jaarlijks € 7,50 inschrijf/-verlengingsgeld betaald. Een voorbeeld ter verduidelijking:
Persoon C staat ingeschreven in het register vanaf 1 maart 2021. Het inschrijfgeld voor persoon C bedraagt € 7,50 per jaar. Persoon D staat ingeschreven in het register vanaf 1 maart 2024. Het inschrijfgeld voor persoon D bedraagt € 7,50 per jaar. Persoon C en D laten hun inschrijving samenvoegen op 1 maart 2025. Vanaf dat moment betalen zij niet meer in totaal € 15,- inschrijfgeld maar € 7,50 inschrijfgeld. Op 1 maart 2026 heeft persoon C dan 5 jaar inschrijftijd opgebouwd en persoon D dan 1 jaar inschrijftijd. Dit is vermeld in de gezamenlijke inschrijving. Samen kunnen persoon C en D reageren op woningen, waarbij de langste inschrijftijd leidend is. Dat is in dit geval vijf jaar van persoon C. Als aangeboden woonruimte wordt geaccepteerd, wordt de gezamenlijke inschrijving beëindigd. De opgebouwde inschrijftijd van respectievelijk 5 en 1 jaar gaat verloren, ervan uitgaande dat geen van de situaties van artikel 11 lid 6 tot en met 12 Huisvestingsverordening 2026 zich voordoet.
Artikel 7 Wijziging van gegevens
De woningzoekende is verplicht wijzigingen in gegevens die voor de rangorde of passendheidstoets relevant kunnen zijn — zoals adres, gezinssamenstelling of inkomen — door te geven aan HRW.
Zie hiervoor in de algemene toelichting bij hoofdstuk 3. In aanvulling daarop geldt dat in lid 4 is voorzien in een overgangsperiode waarbij woningzoekenden die voor 31 december 2026 een verzoek tot bijschrijving doen en voldoen aan de voorwaarden onder 1 en 2 van
lid 4, de inschrijftijd van hun partner krijgen. Dit wordt gerekend vanaf de datum van het huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract, of de datum waarop aantoonbaar sprake was van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden.
Historisch gezien was het niet in alle gemeenten mogelijk om een gezamenlijke inschrijving te hebben. Dat is een ongewenste situatie. Om die situatie zoveel mogelijk te herstellen en tegelijkertijd een uniforme werkwijze te hanteren voor de toekomst, is gekozen voor deze overgangsperiode. Daarmee worden mensen actief in de gelegenheid gesteld om alsnog hun inschrijving om te zetten.
Een voorbeeld ter verduidelijking van deze overgangsperiode:
Persoon E staat ingeschreven in het register vanaf 1 juli 2018. Persoon E en F zijn getrouwd op 1 januari 2020 en doen een verzoek tot bijschrijving op 1 oktober 2026. Dat is dus voor 31 december 2026 en daarmee voldoen zij aan lid 4. Persoon F verkrijgt daarmee inschrijftijd vanaf 1 januari 2020. Er is dus onderling verschil in de opgebouwde individuele inschrijftijd. Dit is anders als personen E en F al getrouwd waren op het moment dat de inschrijving van persoon E is begonnen en het verzoek tot bijschrijving tijdig is gedaan. In dat geval hebben zowel persoon E als F inschrijftijd vanaf 1 juli 2018.
Samen kunnen persoon E en F reageren op woningen (waarbij de langste inschrijftijd leidend is). Als aangeboden woonruimte wordt geaccepteerd, wordt de gezamenlijke inschrijving beëindigd. De opgebouwde inschrijftijd (al dan niet onderling verschillend) gaat verloren, ervan uitgaande dat geen van de situaties van artikel 11 lid 6 tot en met 12 Huisvestingsverordening 2026 zich voordoet. Omdat er maar één inschrijving is, wordt jaarlijks € 7,50 inschrijf/-verlengingsgeld betaald.
Door beide inschrijftijden zichtbaar te houden, blijft de individuele rechtspositie van elke partner inzichtelijk. Dit is van belang voor situaties waarin het huishouden later weer wordt ontbonden — bijvoorbeeld door splitsing op grond van artikel 10 — en de oorspronkelijke inschrijftijden weer afzonderlijk relevant worden.
Artikel 10 Splitsing van een gezamenlijke inschrijving
Een gezamenlijke inschrijving kan in de loop van de tijd niet meer overeenkomen met de werkelijke situatie, bijvoorbeeld door relatiebreuk of door het om andere redenen willen voeren van afzonderlijke huishoudens. Artikel 10 voorziet in de mogelijkheid om de inschrijving in dat geval te splitsen, zonder dat één van beide partners zijn opgebouwde inschrijftijd verliest.
Op verzoek kan HRW een gezamenlijke inschrijving splitsen. Een eenzijdig verzoek van één van de partners onder de gezamenlijke inschrijving volstaat; instemming van de ander is geen voorwaarde. Met de formulering "kan" wordt HRW in staat gesteld per geval te beoordelen of splitsing recht doet aan de belangen van beide betrokkenen.
Voor de nieuwe inschrijving die na splitsing ontstaat, is inschrijfgeld verschuldigd. Het inschrijfgeld voor deze nieuwe inschrijving, dient binnen drie maanden na het verzoek tot splitsing te zijn voldaan. Als de splitsing op beider verzoek geschiedt, wordt de nieuwe inschrijving op naam gesteld van degene wiens naam als tweede op de gezamenlijke inschrijving stond vermeld. Als de splitsing echter op verzoek van één van de woningzoekenden wordt gedaan, wordt de nieuwe inschrijving op diens naam gesteld.
Hiermee wordt uitgesloten dat door middel van opeenvolgende splitsingen en samenvoegingen dezelfde inschrijftijd op meerdere namen tegelijk wordt benut.
De tweede persoon/voor de nieuwe inschrijving is inschrijfgeld verschuldigd. Pas nadat dit wordt voldaan is de inschrijving geldig. Zie hiervoor. Het inschrijfgeld voor de nieuwe inschrijving dient binnen drie maanden te worden voldaan.
Om recht te doen aan de (oorspronkelijke) rechtspositie van elk van beide partners, is in dit artikellid bepaald dat de individuele woningzoekenden bij splitsing de eigen inschrijftijd behouden – mits aan alle betalingsverplichtingen wordt voldaan – die zij tot dat moment hebben opgebouwd. Daarmee wordt voorkomen dat de partner die zelfstandig wenst door te zoeken, opnieuw vanaf nul zou moeten beginnen. Hoeveel inschrijftijd is opgebouwd, verschilt per situatie en per type gezamenlijke inschrijving. Op de gezamenlijke inschrijving is vermeld hoeveel inschrijftijd is opgebouwd, zodat daarover geen twijfel kan bestaan.
Voor woningzoekenden die een gezamenlijke inschrijving hebben gedaan op grond van artikel 4 lid 4 nadere regels en hun inschrijving willen splitsen, geldt de gezamenlijk opgebouwde inschrijftijd voor beide woningzoekenden.
Voor woningzoekenden die zijn bijgeschreven conform artikel 8, eerste tot en met derde lid, nadere regels en hun inschrijving willen splitsen, geldt de inschrijftijd vanaf het moment van bijschrijving. Voor persoon B in het hiervoor genoemde voorbeeld, is dat dus vanaf 1 februari 2023. Persoon A houdt zijn inschrijftijd vanaf 1 februari 2020.
Voor woningzoekenden die zijn bijgeschreven conform artikel 8, vierde lid, nadere regels en hun inschrijving willen splitsen, geldt de inschrijftijd vanaf het moment van de inschrijftijd van de primair ingeschreven woningzoekende, gerekend vanaf de datum van huwelijk, geregistreerd partnerschap of notarieel samenlevingscontract, of de datum waarop aantoonbaar sprake was van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. Voor persoon F in het hiervoor genoemde voorbeeld die pas trouwt met persoon E na diens inschrijving in het register, is dat dus vanaf 1 januari 2020. Als persoon F met persoon E is getrouwd op het moment dat de inschrijving van persoon E is begonnen en het verzoek tot bijschrijving van persoon F tijdig is gedaan, is de inschrijftijd na splitsing van zowel persoon E als F, vanaf 1 juli 2018.
Voor woningzoekenden die hun individuele inschrijving op grond van artikel 9 nadere regels hebben samengevoegd en nadien willen splitsen, geldt dat zij ieder de opgebouwde inschrijftijd behouden vanaf hun individuele inschrijving. Persoon C behoudt dus zijn inschrijftijd vanaf 1 maart 2021 en persoon D behoudt de inschrijftijd vanaf 1 maart 2024.
Dit geldt uiteraard alleen indien de betalingsverplichtingen tijdig worden voldaan.
Let op: in situaties dat twee woningzoekenden een sociale huurwoning bewonen, willen doorstromen en er een verzoek tot splitsing is gedaan, geldt het. De vermeerdering van inschrijftijd (door opgebouwde woonduur in de huidige woning) tot een maximum van vijf jaar, komt toe aan de woningzoekende die als laatste deze woning verlaat. Zie artikel 11 lid 2 Huisvestingsverordening 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2026-1596.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.