Wijzigingsverordening Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2023

 

Het algemeen bestuur van WerkSaam Westfriesland;

 

gezien het advies van de cliëntenraad van WerkSaam Westfriesland van 1 juni 2026 en het voorstel van het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland van 11 juni 2026;

 

gelet op de artikelen 8 en 10b van de Participatiewet;

 

omdat er aanleiding is de Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2023 te wijzigen vanwege veranderingen in landelijke wetgeving, namelijk de Participatiewet in Balans en de Wet van school naar duurzaam werk, en WerkSaam enkele technische wijzigingen in de verordening wil doorvoeren;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen, de navolgende wijziging van de Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2023.

 

 

Artikel I.  

A

Aan artikel 1, definitie ‘doelgroep’ wordt ‘of artikel 7a, eerste lid’ toegevoegd en komt te luiden:

  • Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, of artikel 7a, eerste lid, van de wet.

 

B

In artikel 3, derde lid, onderdeel d wordt achter de; het woordje ‘of’ verwijderd.

 

C

Aan artikel 3, derde lid worden sub g en h toegevoegd en komen te luiden:

  • g.

    de persoon, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Wet, jonger is dan zestien jaar;

  • h.

    het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, het verzoek om ondersteuning heeft gedaan en daarbij geen overgangsdocument heeft verstrekt.

 

D

Artikel 5 wordt vervangen en komt te luiden:

Artikel 5. Maatschappelijke participatie gericht op re-integratie

  • 1.

    WerkSaam kan personen die behoren tot de doelgroep maatschappelijke participatie activiteiten aanbieden als tijdelijk middel in een traject gericht op arbeidsinschakeling.

  • 2.

    WerkSaam stemt de aard, inhoud, omvang en duur van de activiteiten af op mogelijkheden, motivatie, en capaciteiten van die persoon en draagt zorg voor duidelijke communicatie over de hieraan verbonden verplichtingen.

  • 3.

    WerkSaam legt deze activiteiten vast in het plan naar werk, zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van deze verordening.

  • 4.

    De activiteiten:

    • a.

      worden, waar mogelijk, in samenhang vormgegeven met voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • b.

      beïnvloeden de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord en veroorzaken geen verdringing op de arbeidsmarkt.

 

E

Artikel 5A wordt toegevoegd en komt te luiden:

Artikel 5A. Maatschappelijke participatie gericht meedoen
  • 1.

    Als arbeidsinschakeling niet mogelijk is, kan WerkSaam maatschappelijke participatie inzetten gericht op het meedoen in de samenleving.

  • 2.

    Begeleiding naar maatschappelijke participatie vindt voor deze doelgroep in principe plaats door de gemeente waar de cliënt woont. WerkSaam zorgt voor een zorgvuldige overdracht naar de gemeente die deze begeleiding oppakt.

  • 3.

    WerkSaam en de gemeente stimuleren personen om deel te nemen aan maatschappelijke participatie gericht op meedoen in de samenleving, maar verplichten deze deelname niet.

  • 4.

    De activiteiten die de WerkSaam en/of de gemeente aanbiedt:

    • a.

      worden, waar mogelijk en wenselijk, in samenhang vormgegeven met voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • b.

      beïnvloeden de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord en veroorzaken geen verdringing op de arbeidsmarkt.

 

F

Artikel 5B wordt toegevoegd en komt te luiden:

Artikel 5B. Eigenstandig vormgeven maatschappelijke participatie
  • 1.

    Personen in de doelgroep kunnen de maatschappelijke participatie eigenstandig vormgeven. WerkSaam en/of de gemeente toetst de door die persoon voorgestelde activiteiten aan het gestelde in de artikelen 3, 5 en 5a van deze verordening.

  • 2.

    De activiteiten mogen de arbeidsinschakeling niet belemmeren.

 

G

Artikel 7, derde lid komt te vervallen.

 

H

De tekst van artikel 10 wordt vervangen en komt te luiden:

Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject

WerkSaam kan met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet, een persoon zonder startkwalificatie ondersteuning bieden voor zover die ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject.

 

I

In artikel 11, tweede lid, wordt ‘bepalingen van Hoofdstuk 3A’ vervangen door ‘paragrafen 3.2 en 3.3 van deze verordening’.

 

J

In artikel 13, zesde lid, wordt ‘bepalingen van Hoofdstuk 3A’ vervangen door ‘paragrafen 3.2 en 3.3 van deze verordening’.

 

K

In het opschrift van Hoofdstuk 3A en de paragrafen 3A.1, 3A.2, 3A.3, 3A.4 wordt de ‘A’ achter de 3 verwijderd.

 

L

Aan artikel 14, eerste lid wordt aan het einde van de eerste zin ‘,bedoeld in artikel 6, onder e, van de wet’ toegevoegd en komt te luiden:

  • 1.

    WerkSaam verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 6, onder e, van de wet. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.

 

M

 

Artikel 15, tweede lid onder a wordt vervangen en komt te luiden:

  • a.

    de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal zestien jaar oud; of heeft VSO/PRO onderwijs genoten, waarbij er van de leeftijdsvoorwaarde van artikel 3.3.G mag worden afgeweken.

 

N

In artikel 16b. wordt de tekst ‘voldoen aan één van de eisen zoals genoemd in de toelichting’ vervangen door de tekst ‘geregistreerd staan in het register Loopbaancoach, het NVS-beroepenregister voor Jobcoaches (NOLOC) of heeft het keurmerk Blik op werk of Oval.’

 

O

In het opschrift van artikel 17a wordt de tekst ‘visuele of’ verwijderd en de tekst ‘handicap’ vervangen door ‘beperking’ en in de tekst van artikel 17a wordt de tekst ‘visuele of’ ook verwijderd.

 

 

Artikel II.

 

Artikel I treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 9 juli 2026,

De voorzitter

De directeur, A. Witte

 

 

Toelichting Re-integratieverordening WerkSaam Westfriesland 2023 (na vaststelling wijzigingsverordening)

 

Re-integratie is maatwerk, daarom is gekozen voor een algemene, globale verordening. Maatwerk leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat een passend re-integratietraject is. WerkSaam heeft de bevoegdheid om op een aantal punten eigen afwegingen te maken.

 

Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep ondersteuning kunnen krijgen bij het vinden van werk en hierbij de door WerkSaam noodzakelijk geachte hulpmiddelen kunnen ontvangen. Het is belangrijk dat bekend is welke mogelijkheden er zijn. Daarom zijn in de verordening de voorzieningen, die WerkSaam kan aanbieden, vastgelegd.

 

Aanpassingen naar aanleiding van ‘Wet van school naar duurzaam werk’

Met de Wet van school naar duurzaam werk wil de regering de kansengelijkheid vergroten door betere begeleiding mogelijk te maken voor jongeren tot 27 jaar met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt bij de overgang van school naar werk en bij het behouden van werk. Deze nieuwe groep bestaat uit personen van wie WerkSaam oordeelt dat het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet mogelijk of niet passend is (artikel 7a, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Daarnaast bestaat de groep uit personen voor wie de ondersteuning wordt verzocht door het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, een school voor praktijkonderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 of een instelling of een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Ten slotte bestaat de groep ook uit personen die initieel onderwijs volgen als bedoeld in de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet). HBO- en WO-studenten, dus.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikelen 2, 3 (deels), 4, 7 t/m 9, 11 t/m 14 en 18 t/m 20 hebben geen toelichting nodig.

 

Artikel 1. Definities

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet, worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn van toepassing op deze verordening.

 

Doelgroep

De doelgroep bestaat uit personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Zie ook de inleiding.

Het betreft:

  • personen die algemene bijstand ontvangen;

  • personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt. En ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet is verleend;

  • personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;

  • personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);

  • personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW);

  • personen met een uitkering ingevolge de IOAZ;

  • personen zonder uitkering;

  • en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door WerkSaam aangeboden voorziening.

  • Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van school naar duurzaam werk, vormen de personen jonger dan 27 jaar, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Participatiewet ook onderdeel van de doelgroep.

 

Interne werkbegeleiding

Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij een externe werkgever. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking, die de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat de werknemer zonder die begeleiding niet in staat is de werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om, in verband met de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Een interne werkbegeleider moet de vaardigheden hebben om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te geven.

 

Jobcoaching

Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt gegeven door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden. Een jobcoach moet voldoen aan de eisen om op de juiste manier professioneel en kwalitatief begeleiding te kunnen geven. Zie artikel 16b.

 

Overige voorzieningen

Artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet bepaalt dat er in de verordening regels opgenomen moeten worden voor drie specifieke voorzieningen, die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke activiteiten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening ‘overige voorzieningen’ genoemd.

 

Persoonlijke ondersteuning bij werk

Persoonlijke ondersteuning (als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet) is een noodzakelijke voorziening die gericht is op het krijgen, uitvoeren en houden van werk. In (de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van) de Participatiewet wordt aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen verder ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn niet hetzelfde. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Bij persoonlijke ondersteuning kan het gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) en/of om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd).

 

Praktijkroute

Opname in het doelgroepenregister kan op verschillende manieren plaatsvinden. Naast de aanvraagroute via het UWV loopt er ook een route via de gemeente. Deze route staat bekend als de praktijkroute en volgt uit artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is een procesroute. WerkSaam stelt door een loonwaardemeting op de werkplek vast dat de loonwaarde van een werknemer bij een volledige werkweek minder is dan het wettelijk minimumloon. Deze vaststelling leidt tot opname in het doelgroepenregister. Deze route kan alleen worden gevolgd op het moment dat iemand al een werkplek heeft.

 

Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen

3.3.g

WerkSaam kan een voorziening voor de doelgroep uit artikel 7a, eerste lid, van de wet, voorts weigeren wanneer de betrokkene jonger is dan de in dit onderdeel vastgestelde leeftijdsgrens van zestien jaar. Jongeren tot zestien jaar zijn leerplichtig en gaan in beginsel naar school. Zij mogen slechts beperkt werken, met strikte regels voor werktijden en werkzaamheden die volgen uit de Arbowetgeving. Ook zestien- en zeventien- jarigen zijn beperkt in de werkzaamheden die zij mogen verrichten vanwege veiligheids- en gezondheidsrisico’s.

 

3.3.h

WerkSaam kan een jongere al tijdens de schoolperiode ondersteuning bieden gericht op werk. Dit kan op verzoek van een school uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of een mbo-instelling of op verzoek van een student uit het hoger of wetenschappelijk onderwijs (artikel 7a, eerste lid, onder b, van de wet). De school stelt voor iedere jongere uit het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel een overgangsdocument op. Wanneer de school WerkSaam vervolgens om ondersteuning van de jongere verzoekt, dan verstrekt de school daarbij het overgangsdocument van de jongere met de daarvoor relevante informatie. Ontbreekt het document, dan kan WerkSaam dit ook als reden aanvoeren om een voorziening te weigeren

 

Artikelen 5, 5a en 5B. Maatschappelijke participatie

Volgens de Participatiewet dient maatschappelijke participatie uiteindelijk gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter (nog) een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie (meedoen in de samenleving) voorop.

 

Begrip maatschappelijke participatie

Onder 'maatschappelijke participatie' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde activiteiten, gericht op deelname aan het maatschappelijk leven (artikel 6, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet). Activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie kunnen bestaan uit het verrichten van mantelzorg of een vorm van vrijwilligerswerk, maar het kan ook bestaan uit het deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt (Kamerstukken II 2023/24, 36582, nr. 3, p. 89).

 

Doelgroep maatschappelijke participatie

Voor de verplichting om op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op maatschappelijke participatie is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Maatschappelijke participatie heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op maatschappelijke participatie.

 

In deze verordening is daarom het onderscheid gemaakt tussen twee vormen van maatschappelijke participatie:

  • maatschappelijke participatie gericht op re-integratie; en

  • maatschappelijke participatie gericht op meedoen.

 

Dit onderscheid is uitgewerkt in de artikelen 5 en 5A van deze verordening.

 

Artikel 5. Maatschappelijke participatie gericht op re-integratie

Maatschappelijke participatie gericht op re-integratie richt zich op activiteiten om de persoon tot verdere ontwikkeling en activering te stimuleren waardoor arbeidsinschakeling (op termijn) mogelijk wordt. Maatschappelijke participatie is dus het middel, met re-integratie als doel.

 

Activiteiten die onderdeel kunnen zijn van maatschappelijke participatie gericht op re-integratie kunnen bestaan uit: dagbesteding, vrijwilligerswerk, deelname aan sociale netwerken, mantelzorg, en andere activiteiten die bijdragen aan het doel van maatschappelijke participatie en bijdragen aan de re-integratie. Deze opsomming is niet limitatief. Het belangrijkste achterliggende doel is hierin altijd om de persoon te ondersteunen richting verdere re-integratie. Te denken valt dus aan activiteiten die een dagstructuur en -ritme bieden, de persoon in staat stellen zichzelf verder te ontwikkelen, of activiteiten die ondersteunen in het oplossen van voorliggende problemen in andere leefgebieden.

 

Het tweede lid geeft het WerkSaam de mogelijkheid om de duur, omvang, aard en inhoud van activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie nader af te stemmen op de persoon. WerkSaam moet de duur afstemmen op de mogelijkheden, motivatie en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. Het gaat hier dus om het bieden van maatwerk.

 

Lid 3: Wanneer de maatschappelijke participatie een middel is op weg naar re-integratie, is dit dus ook onderdeel van het plan naar werk. Dit betekent dat deelname aan de maatschappelijke participatie niet vrijblijvend is: de persoon is gebonden aan de afspraken die in het plan naar werk zijn vastgelegd.

 

Lid 4: In dit lid zijn enkele voorwaarden opgenomen, waaraan de verschillende vormen van maatschappelijke participatie moeten voldoen. Maatschappelijke participatie is maatwerk, de afstemming en samenhang met voorzieningen op grond van de WMO 2015 draagt bij aan een passende oplossing. Door maatschappelijke participatie mogen de concurrentieverhoudingen niet op onverantwoorde wijze worden beïnvloed. Zo wordt oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt voorkomen. Om die reden is ook verdringing niet toegestaan.

 

Artikel 5A. Maatschappelijk participatie gericht op meedoen

Naast een middel gericht op re-integratie, kan maatschappelijke participatie ook een doel voor zorgcliënten op zich zijn. Dit is maatschappelijke participatie gericht op meedoen. Hierin is maatschappelijke participatie een doel op zich: gericht op het wegnemen of beheersbaar maken van persoonlijke belemmeringen en het voorkomen of doorbreken van sociaal isolement.

 

Activiteiten die kunnen vallen onder maatschappelijke participatie gericht op meedoen kunnen bestaan uit: dagbesteding, lichte (kortdurende) scholing, training, vrijwilligerswerk, deelname aan sociale netwerken, mantelzorg, snuffelstage, individueel onderzoek, begeleiding, advisering en andere activiteiten die bijdragen aan het doel van maatschappelijke participatie. Deze lijst is breed, maar nog altijd niet limitatief. Maatschappelijke participatie gericht op meedoen is dan ook bij uitstek maatwerk. Welke activiteiten hieronder vallen, kunnen verschillen van persoon op persoon. Deze activiteiten kunnen gericht zijn op het doorbreken van belemmeringen op verschillende leefgebieden, het opdoen van sociaal contact, maar ook op zelfontplooiing in een niet-arbeidsmatige vorm.

 

Lid 2. Dit lid geeft WerkSaam en de gemeente de mogelijkheid om de duur en omvang van de activiteiten in het kader van maatschappelijke participatie nader af te stemmen op de persoon. WerkSaam en de gemeente moeten de duur afstemmen op de mogelijkheden, motivatie en capaciteiten van een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn. Het betreft hier dus maatwerk. Ook staat in dit lid dat WerkSaam de gemaakte afspraken vastlegt. Aangezien er geen zicht is op arbeidsmatige dagbesteding, vindt vastlegging niet in het plan naar werk plaats, maar in een los document.

 

Lid 3. Dit lid verduidelijkt dat WerkSaam en de gemeente deelname aan maatschappelijke participatie gericht op meedoen niet kan verplichten. Dit is anders dan bij maatschappelijke participatie gericht op re-integratie. WerkSaam en de gemeente stimuleren de persoon om gebruik te maken van de begeleiding die WerkSaam of de gemeente hierbij bieden.

 

Lid 4. Zie de toelichting op het vierde lid van artikel 5.

 

Artikel 5B. Eigenstandig vormgeven maatschappelijke participatie

Lid 1. Om eigen initiatief te stimuleren en waarderen, bestaat de mogelijkheid dat bijstandsgerechtigden hun (maatschappelijke) participatie zelf vorm kunnen geven en ondersteuning krijgen van WerkSaam en/of de gemeente, als zij die nodig hebben. Dit recht om maatschappelijke participatie zelf vorm te geven, is verankerd in artikel 9, achtste lid, van de Wet: De belanghebbende kan de maatschappelijke participatie zelf vormgeven, mits de maatschappelijke participatie de arbeidsinschakeling niet belemmert of niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt.

 

Bij de groep waarbij arbeidsparticipatie niet mogelijk is, is het doel van maatschappelijke participatie om vereenzaming te voorkomen, deel uit te maken van de samenleving en de levenskwaliteit te verhogen. Wanneer mensen vanuit eigen motivatie en interesses actief zijn, houden zij dit over het algemeen beter vol dan bij activiteiten die zij niet zelf hebben uitgekozen. Actief zijn heeft op allerlei gebied positieve effecten die niet onderschat moeten worden. Het levert wellicht geen besparing op de uitkering op, maar mensen die beter in hun vel zitten kosten de maatschappij op andere gebieden minder, bijvoorbeeld in zorgkosten.

 

Lid 2. De mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen, dan mag de eigenstandig vormgegeven maatschappelijke participatie het traject naar werk niet in de weg zitten.

 

Artikel 6. Detacheringsbaan

De Participatiewet maakt het mogelijk om personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening staan de randvoorwaarden voor deze banen. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. WerkSaam zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.

Het tweede lid bepaalt dat het gaat om detachering. Hierbij worden twee afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierbij worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.

WerkSaam heeft in de beleidsregel Voorkomen verdringing Westfriesland uitgewerkt hoe WerkSaam verdringing voorkomt.

 

Artikel 10. Ondersteuning bij leer-werktraject

 

De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren zonder startkwalificatie, maar die via een leer-werktraject (bijv. een praktijkverklaring in de derde leerweg) alsnog een startkwalificatie kunnen behalen of de kans op een duurzame werkplek vergroten. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning bij het leer-werktraject te bieden wanneer die ondersteuning nodig is om het traject succesvol te volgen. Deze ondersteuning kan verschillende vormen aannemen en is gebaseerd op maatwerk. Voorbeelden hiervan kunnen zijn coaching, praktische ondersteuning op de werkvloer of hulp bij het plannen van leer- en werkactiviteiten.

 

Artikel 15. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 3 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet.

 

Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep en minimaal 16 jaar oud is. Voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben gevolgd, wordt een uitzondering gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen. De inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening moet noodzakelijk zijn om het werk uit te kunnen voeren. Om te zorgen voor een juiste/doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen is er een minimum van 12 uur verbonden aan de dienstbetrekking. Een voorziening wordt niet verstrekt als mag worden verwacht dat de werkgever hiervoor zelf zorgt. Bijvoorbeeld als een voorziening noodzakelijk is vanwege Arbo-regels.

Een voorziening kan worden afgewezen als de baten niet in verhouding staan tot de kosten van die voorziening.

 

Artikel 15a. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Onder lid 3 verwijzen we naar een deskundigen oordeel. Hierbij bedoelen we een arbeidsdeskundige of een medisch onderzoek.

 

Artikel 16. Persoonlijke ondersteuning bij werk

Persoonlijke ondersteuning bij werk is zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd.

 

Artikel 16a. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk

Het eerste lid bevat een termijn, waarbinnen een aanvraag om persoonlijke ondersteuning moet zijn ingediend. Deze termijn is gerekend vanaf de datum van indiensttreding. Deze termijn houdt verband met de aard van de voorziening. Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening, die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de opgedragen taken uit te voeren. Wanneer de aanvraag later binnen is dan de vastgestelde termijn van 6 weken, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu de persoon kennelijk al enige tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht.

 

In het tweede lid staan de basisaspecten waarmee WerkSaam rekening moet houden bij het verstrekken van individuele ondersteuning. Het benadrukt het belang van het leveren van maatwerk. In artikel 16b wordt dit verder uitgewerkt.

 

Artikel 16b. Jobcoaching

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet.

Hier is de opdracht gegeven om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen WerkSaam stelt aan de jobcoach. En hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant, omdat kwaliteit en de kwaliteitseisen een waarborg zijn voor een goede inzet van de jobcoach.

 

Het tweede lid is een uitwerking van de verordeningsplicht van de Participatiewet (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1). Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk.

 

Het derde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het beoordelingskader (tweede lid). Zo waarborgen we het recht op passende ondersteuning. De afwijking kan bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching en uit het verlengen daarvan.

 

Artikel 16c. Jobcoaching in natura

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet

In dit artikel staat onder andere dat in de verordening wordt geregeld hoe WerkSaam zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura.

 

Artikel 16d. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet

In dit artikel staat onder andere dat in de verordening wordt geregeld hoe WerkSaam zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning.

 

In het tweede lid staan de randvoorwaarden om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is aansluiting gezocht met het UWV, om zo een uniform kader te hanteren. Dit op grond van artikel 12 van het Re-integratiebesluit.

 

In het derde lid staat hoe we de hoogte van de subsidie voor jobcoaching kenbaar maken. WerkSaam sluit hierbij aan bij de tarieven voor externe jobcoaching van het UWV. Deze tarieven zijn te vinden op: Externe jobcoaching | UWV | Particulieren. WerkSaam moet ervoor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep.

Wanneer een persoon of werkgever een beroep doet op een duurdere jobcoach betekent niet dat WerkSaam het meerdere verstrekt. Er is een vaststaand maximumtarief om passende jobcoaching in te kopen.

 

Artikel 16e. Interne werkbegeleiding

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet

Hierin staat dat in de verordening wordt geregeld hoe WerkSaam zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning, in de vorm van een interne werkbegeleider. In dit artikel staat dat het aanbod van WerkSaam een Harrie training voor de collega van de persoon kan zijn, zodat de werkbegeleider de begeleiding op een verantwoorde wijze kan doen.

 

Artikel 17. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet

In dit artikel is geregeld hoe WerkSaam zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening zodat de persoon de werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. In dit artikel staan (in aanvulling op de artikelen 3 en 14c):

  • onder welke voorwaarden dit mogelijk is,

  • op welke wijze de hoogte van de vergoeding wordt bepaald als WerkSaam het vervoer niet zelf (in natura) organiseert.

Bij de bepaling van de vergoeding gaan we uit van het reguliere tarief in de markt. De goedkoopst adequate oplossing is het uitgangspunt Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, (bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst) wordt door WerkSaam in mindering gebracht op de vervoersvoorziening.

 

Artikel 17a. Specifieke voorwaarden noodzakelijke activiteit bij visuele of motorische handicap

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet

In dit artikel staat hoe WerkSaam zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke voorziening, wanneer er sprake is van een visuele of motorische handicap. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon.

Voor wat betreft de voorziening bij een visuele handicap wordt de wetgeving per 1 januari 2024 aangepast. Het UWV beoordeelt, bekostigt en verstrekt de voorziening bij een visuele beperking per 1 januari 2024. Personen met een visuele beperking die aanspraak willen maken op een voorziening worden dan ook per 1 januari 2024 naar het UWV doorverwezen.

 

Artikel 17b. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet

Hier staat hoe WerkSaam zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij hulpmiddelen die je kunt gebruiken bij het werk of opleiding. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Er kan gedacht worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar zijn en dus weer bij WerkSaam worden ingeleverd op het moment dat ze niet langer nodig zijn.

WerkSaam stelt in de beleidsregel hulpmiddelen voor werk vast wat de wijze is waarop het de noodzaak en meerwaarde van een voorziening bepaald wordt.

Naar boven